Nu hij blind is moet fotograaf Wallrafen luisterend tot beelden komen.

Noem het alsjeblieft geen retrospectief, was de reactie van fotograaf Hannes Wallrafen, toen het Nederlands Fotomuseum voorstelde een tentoonstelling te wijden aan zijn oeuvre. „Dan is het net alsof ik al dood ben. En dat ben ik niet, ook al ben ik als fotograaf passé.”

door Henny de Lange

Een overzichtstentoonstelling heet het nu en daar kan Wallrafen mee leven. Niet alleen krijgt de bezoeker een gevarieerd beeld van de ontwikkelingen die de fotograaf in dertig jaar heeft doorgemaakt. Er worden ook twee van zijn recente geluidsprojecten voor het eerst gepresenteerd. Sinds twee jaar houdt Wallrafen zich daar mee bezig bij wijze van alternatief uitdrukkingsmiddel. Fotograferen kan hij niet meer sinds maart 2004, toen hij vrijwel van de ene op de andere dag blind werd. „Mijn oren zijn mijn ogen geworden.”

Laten we eerst samen de tentoonstelling bekijken, stelt Hannes Wallrafen (1951, Mönchengladbach) voor. Enthousiast gebarend wijst hij naar de muren, die nog voor een deel leeg zijn. Er wordt nog volop gewerkt aan de inrichting van de expositie, die morgen opengaat voor het publiek. Exact weet hij hoe alles komt te hangen. „Ik heb een fotografisch geheugen en ik kan me tegenwoordig heel goed oriënteren.”

De presentatie laat zien welke rol Wallrafen heeft gespeeld in de Nederlandse fotografie door zijn bijdrage aan de ontwikkeling van de documentaire fotografie. In de jaren zeventig en tachtig gebruikte hij zijn camera om onrecht aan de kaak te stellen. Hij reisde naar Noord-Ierland, Chili en India en volgde de kraakbeweging. In de tweede helft van de jaren tachtig ging hij op zoek naar andere uitdrukkingsmiddelen, omdat hij zijn reportagefotografie te voorspelbaar begon te vinden. Ook ging hij, net zoals de maatschappij veranderde, anders kijken naar de wereld. Zijn foto’s met een dwingende boodschap maakten meer en meer plaats voor (geregisseerde) beelden die subtiel commentaar geven op het wereldgebeuren. Thema’s als vergankelijkheid, geschiedenis en herinnering, de relatie met literatuur en een subtiele vorm van humor komen steeds terug in zijn werk.

Zijn laatste project heeft hij door de plotselinge blindheid niet meer kunnen afronden. ’De Blik’ had hij als titel bedacht voor deze serie, waarbij het hem er vooral om ging gezichtsuitdrukkingen en lichaamstaal vast te leggen. „Uitgerekend de eerste dingen die ik niet meer kon onderscheiden. Als een jandoedel stond ik te fotograferen, zonder me op dat moment nog te realiseren dat ik bezig was blind te worden.”

Na enkele weken werd duidelijk dat het om de erfelijke aandoening Lebers Opticus Atrofie gaat, die moeders kunnen doorgeven aan hun zonen. In de familie van zijn moeder bleek het voor te komen. Ze had het hem nooit verteld en was inmiddels overleden. Alleen één van zijn zussen bleek op de hoogte te zijn. Zijn gezichtsvermogen is twee procent, wat betekent dat hij alleen nog vaag licht en donker onderscheidt.

Bezoekers van de tentoonstelling worden verwelkomd door Femke, de spraakcomputer van Wallrafen. In het duistere voorportaal van de expositiezaal krijgen ze eerst een ’inkijkje’ in het leven dat hij tegenwoordig leidt. Aan de muur hangt nauwelijks waarneembaar een afbeelding van een gevel, door Wallrafen gefotografeerd in het halfduister. Uit de hoeken van de ruimte klinken de geluiden die hij dagelijks hoort op de binnenplaats achter zijn huis, vogelgekwetter, de stem van de buurvrouw op het balkon. We horen ook de stem van Wallrafen, die vertelt over zijn gevoelens en dromen en hoe zich beelden vormen in zijn hoofd terwijl hij luistert. „Loeischerp zijn de beelden nog steeds. Daar ben ik erg blij mee. Maar ik vraag me wel af of dat zo blijft nu ik helemaal geen visuele prikkels meer krijg.”

Eenmaal in de expositiezaal word je omspoeld door licht en sta je oog in oog met drie enorme foto’s die het thema tijd en vergankelijkheid symboliseren. Intrigerend is de foto van de schimmel die over een tafeltje springt, waaraan naar het lijkt net twee mensen hebben gezeten. Wallrafen maakte deze foto in 1994 en iedereen neemt aan dat het om een gemanipuleerde plaat gaat, vertelt hij. „Maar ik ben pas in 1997 met digitale fotografie begonnen. De schimmel springt écht over het tafeltje.” Hij zette een tafel met stoelen neer in de manege van zijn zus in Duitsland en ensceneerde met een kleedje en gordijnen het interieur van een café. Vervolgens liet zijn zus de schimmel vlak voor de tafel over een hindernis springen, die zich rechts net buiten beeld bevindt. „Zo’n balk met rode en witte strepen die je ook altijd op springconcoursen ziet. Een grote uitvoering van de blindenstok die ik nu heb”, voegt hij eraan toe. Terugkijkend ziet hij in zijn werk meer bizarre ’voortekenen’ van zijn latere blindheid. Zo maakte hij een jaar voordat hij het zicht verloor, een fotoreportage op de blindenschool in Zeist, waarbij hij zich afvroeg hoe hij het zou ervaren om blind te zijn.

Of het wat zal worden met zijn geluidsprojecten, weet Wallrafen nog niet, al doet hij wel allerlei boeiende ontdekkingen. „Mensen die mobiel bellen, praten heel anders dan mensen die gewoon met elkaar in gesprek zijn. Mobiele bellers hebben geen dialoogstem.”

Op de tentoonstelling is het geluidsproject te horen dat hij heeft gemaakt in het eersteklasrestaurant op het Centraal Station van Amsterdam, waar je steeds dezelfde vier stemmen hoort vertellen over wat daar allemaal gebeurt, tegen de achtergrond van de normale omgevingsgeluiden. Vroeger werkte Wallrafen ook wel met geluidsbanden ter ondersteuning van zijn fotografie. Maar dit is totaal anders. „Al luisterend en niet ziend moet je tot beelden komen.”

Met zijn blindenstok weet hij zich inmiddels redelijk te redden. „Ik ga alleen met de tram naar mijn studio. En toen ik laatst in Haarlem was en geen zin had om met het zielige-mensenbusje terug te gaan, ben ik alleen naar het station gelopen. Dat kostte veel energie, maar ik ben er gekomen door steeds maar aan voorbijgangers te vragen hoe ik moest lopen. Het levert ook leuke contacten op, die je normaal niet zou hebben. Ik heb inmiddels heel veel trambestuurders leren kennen.” Hij heeft ook zitten denken over een geleidehond, maar daar wil hij nog niet aan. „Dan moet je een gedisciplineerd leven leiden, want je moet dat dier op vaste tijden uitlaten. En ik wil zo graag dat onorthodoxe en ongeregelde leven dat ik altijd geleid heb, voortzetten.”

Vaak vragen mensen hem hoe hij er toch in slaagt om gewoon door te gaan met zijn leven en daar ook nog een nieuwe invulling aan te geven. „Ik zit ook wel eens rillerig en jankend op de bank, hoor. En mijn partner is op een gegeven moment ook compleet ingestort. Maar het gaat nu goed, al zal ik na de tentoonstelling misschien wel in een diep gat vallen. Eigenlijk realiseerde ik me vorig jaar juli pas voor het eerst, toen ik net verhuisd was, wat natuurlijk een vreselijke toestand was, dat ik ge-han-di-capt ben. Dat er iets van me afgesneden is wat nooit meer terugkomt. Natuurlijk kan ik telkens weer iets compenseren. Maar ik blijf blind. En dat is niet gewoon. Dat is zuur.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden