Nr. 17.000.000 komt vast van elders

Maandag telt Nederland 17 miljoen inwoners. De kans dat een asielzoeker of een arbeidsmigrant dat getal volmaakt is groot, want hun aantal loopt gestaag op terwijl het aantal baby's afneemt.

Hoe leuk zou het zijn als we ze naar hun bevindingen konden vragen, de 10 miljoenste, de 11 miljoenste, de 12 miljoenste Nederlander en zo verder tot de 16 miljoenste, pas vijftien jaar oud en nu al weer ingehaald door een miljoen nieuwe landgenoten. Maar ze bestaan niet echt, die miljoensten. Bij het bereiken van die ronde getallen is nooit iemand persoonlijk aangewezen.

Gemeenten doen dat soms wel, als hun inwonertal een hoogtepunt bereikt. Zij weten precies om wie het gaat, want bij hen schrijven de nieuwe inwoners zich in. De Nederlandse staat loopt met de 'basisregistratie personen' echter steevast achter de feiten aan. Wanneer de teller opnieuw op zes nullen staat weet niemand precies. Op basis van schattingen heeft het CBS maandag 21 maart aangewezen. De teller stond gisteravond op 16.999.379.

Wie nr.17.000.000 zal zijn, valt dus niet te zeggen. Wel weet Jan Latten, hoogleraar sociale demografie en hoofddemograaf bij het CBS, dat de kans groter is dat het gaat om een immigrant dan om een hier geboren baby. En áls het een immigrant is dan is dat meest waarschijnlijk een Pool, een Syriër of een terugkerende Nederlander. Want de instroom van immigranten is al een paar jaar hoger dan het aantal geboorten, en die trend lijkt nog wel even aan te houden.

Grote kindertallen bepaalden een dikke eeuw geleden nog de curve van de bevolkingsgroei. Het Centraal Bureau voor de Statistiek - in 1899 opgericht - noteert in zijn eerste jaar 5,1 miljoen inwoners, waarna de lijn gelijkmatig oploopt. De Spaanse griep, die wereldwijd een slachting aanricht, zorgt in 1918 voor een dipje, daarna klimt het inwonertal gestaag verder.

Om de tien jaar passeert Nederland de magische grens: 6 miljoen in 1911, 7 miljoen in 1922, 8 miljoen in 1931, 9 miljoen in 1941. De Tweede Wereldoorlog heeft wel effect op het sterftecijfer, maar verrassend weinig op het aantal geboortes, waardoor de groei slechts licht afzwakt. In 1945 telt Nederland 9.262.000 inwoners.

Babybust

Meteen daarna gaat het hard. Met een record van 284.000 levendgeborenen in 1946 begint de babyboom. "Die houdt zo'n twintig jaar aan", zegt Latten. "Het was vanzelfsprekend dat vrouwen kinderen kregen en dat ze huisvrouw waren, met een gemiddeld kindertal van ruim drie. In 1950 overschrijdt Nederland de 10 miljoen inwoners, zeven jaar later al de 11 miljoen en weer zes jaar later de 12 miljoen.

De introductie van de anticonceptiepil remt de groei daarna abrupt. "Dat is een babybust. Kinderen krijgen is daarna niet meer vanzelfsprekend en het gemiddeld aantal kinderen per vrouw zakt in tot 1,5 begin jaren tachtig", aldus Latten. "Door de pil kunnen stellen plannen of en wanneer ze kinderen krijgen. Dan zie je ook de invloed van de conjunctuur. Begin jaren tachtig stellen veel mensen het krijgen van kinderen uit wegens de economische dip."

Sindsdien komt het geboortecijfer nooit meer hoger dan 1,8. Ook daarmee stevent Nederland langzamerhand af op een natuurlijke krimp van de bevolking, die door de groep babyboomers en de toename van de levensduur dankzij steeds betere gezondheidszorg ook flink vergrijst. Van 13 miljoen in 1970 en 14 miljoen in 1979 zakt het groeitempo naar 15 miljoen in 1991. Intussen neemt echter de immigratie naar Nederland toe, wat voorkomt dat de natuurlijke krimp merkbaar wordt.

Het beeld van de immigratie wordt na de Tweede Wereldoorlog bepaald door de komst van een grote groep uit voormalig Nederlands-Indië eind jaren veertig, het binnenhalen van de eerste gastarbeiders vanaf eind jaren zestig, de onafhankelijkheid van Suriname in 1975, gezinshereniging van Turkse en Marokkaanse arbeiders in de jaren tachtig en daarna het binnenkomen van asielzoekers.

Nadat Nederland in 2001 - mede door een heuse minibabyboom - de 16 miljoen inwoners bereikt, zakt de asielinstroom en daarmee de groei terug. Wel neemt dan langzaam de vraag naar kenniswerkers toe, zegt Latten. Ook de uitbreiding van de Europese Unie in 2004 en 2007 zorgt voor een nieuwe instroom, met name uit Polen - "We gaan naar de 150.000 Polen in Nederland" - maar de meerderheid vertrekt na een aantal jaren weer. Niet-westerse allochtonen vormen sinds 2005 een minderheid onder de allochtone immigranten, maar ze blijven langer omdat de situatie in hun land niet verbetert. Sinds vorig jaar draagt een groep Syriërs bij aan de bevolkingsgroei.

Opvallend in de statistiek noemt Latten de verstedelijking. "Terwijl het noorden nog nauwelijks groeit en de randen van het land leeglopen, is rond Amsterdam sprake van metropoolvorming." Ook wordt het land zichtbaar steeds ouder, mede door de babyboomers. "We zien een sterke stijging van mensen die 65 worden, rond 2030 komt er een golf van zo'n twee miljoen 80-plussers op de 18 miljoen inwoners die Nederland dan telt. Daardoor zullen we ook een golfje 100-plussers krijgen, halverwege deze eeuw. Maar met de vergrijzing loopt ook de sterfte hoger op, waardoor de bevolkingsgroei wel ergens moet stoppen, tenzij er weer een immigrantengolf zal zijn."

Minder gevoelig voor de grillen van het leven

Politicus Pim Fortuyn had weinig op met de babyboomers, hij verweet zijn leeftijdgenoten verwend gedrag en ondankbaarheid. De vrijheid die ze als protestgeneratie bevochten, draaide uit op een graai- en grijpcultuur en verraad aan de eigen idealen, schreef hij vier jaar voor zijn dood in 'Autobiografie van een babyboomer'.

Trouw-columnist James Kennedy is dat niet met hem eens. Het verwachtingspatroon was hoog, beaamt hij. De generatie die na de oorlog opgroeide, had veel om op te rekenen, niet alleen financieel. Maar dat die verwachtingen zijn bijgesteld door veranderingen in de tijd, valt de babyboomers niet aan te rekenen. "Het is geen kwade wil", zegt de Amerikaanse historicus, dean van het University College in Utrecht, die in 1995 promoveerde op het proefschrift 'Nieuw Babylon in aanbouw, Nederland in de jaren zestig'.

"Meteen na de oorlog was er wel werkgelegenheid, maar lagen de lonen nog niet zo hoog. Toen die vanaf 1960 omhooggingen, nam de brede welvaart toe en ontstond de consumentenmaatschappij", aldus Kennedy. "Ineens was er genoeg geld, vooral dankzij Slochteren, de aanboring van een veld vol aardgas waarmee de verzorgingsstaat werd opgebouwd. Misschien is dat nog wel belangrijker dan de toegenomen welvaart. Het gaf mensen het gevoel dat hen niets ergs meer kon overkomen, ze liepen minder gevaar te worden getroffen door de grillen van het leven."

Vooral de oudere babyboomers deden verwachtingen op dat ze veel zouden krijgen van het bestel, zegt Kennedy, jongeren gaandeweg minder. "Dat levert wel gevechten op over middelen, maar geen verraad en geen schuld."

Het besef dat de staat voor hen zorgde gaf de Nederlanders het gevoel dat ze hun eigen leven beheerden. "Kerkgang hoort minder bij die nieuwe levensstijl. Het weekend was vrij, dat vulden ze zelf in. Ze werden minder afhankelijk van de sociale gemeenschap, waarin op elkaar wordt gelet en de groep bepaalt wat je moet doen."

Zo is al in de jaren zestig de trend gezet voor de individualistische samenleving van nu.

Veel onzichtbare migraties in Europa

Een kwestie van in en uit, noemt Leo Lucassen de invloed van migranten op de bevolkingsontwikkeling in Nederland. "Begin deze eeuw was het saldo hoog, halverwege het eerste decennium werd het negatief, zoals beschreven in de laatste aanpassing van onze studie 'Winnaars en verliezers'. Nu zien we weer een stijging", zegt de Leidse hoogleraar sociale geschiedenis en directeur onderzoek van het International Institute of Social History in Amsterdam.

Lucassen ziet vier periodes waarin immigratie de bevolkingsgroei duidelijk beïnvloedt. "De eerste is de komst van 300.000 repatrianten uit Nederlands-Indië in de jaren veertig en vijftig.

Daartegenover staat de emigratie van een half miljoen Nederlanders naar landen als Australië, Brazilië, Canada en Nieuw-Zeeland, van wie weer een derde terugkwam. Dan volgen midden jaren zeventig een paar honderdduizend Surinamers en gespreid daarna wat minder mensen uit de Antillen. Tussen midden jaren zeventig en midden negentig hebben we de gezinshereniging van Turken en Marokkanen, eerst de gezinnen en later de huwelijkspartners van de kinderen. Die groepen zijn allemaal gebleven."

Halverwege de jaren negentig is de vluchtelingenstroom merkbaar. "Een kwart komt uit voormalig Joegoslavië, de rest uit Afghanistan, Irak, Iran, Somalië en Ethiopië. Van hen is een derde weer vertrokken, veel Somaliërs bijvoorbeeld naar Engeland, hun eigenlijke reisdoel, een deel van de Joegoslaven terug naar hun land. Dat geldt ook voor de arbeidsmigranten uit Oost-Europa, vooral Polen: een deel gaat terug, een deel blijft."

Ten slotte is er de huidige instroom, met een record van 57.000 asielzoekers vorig jaar. "Het is voorstelbaar dat ook zij teruggaan of doormigreren naar Canada of de VS", zegt Lucassen. "Er zijn ook veel onzichtbare migraties binnen Europa. Ook vanuit Oost-Europa komen mensen hierheen, vooral Polen, van wie een deel na verloop van tijd weer teruggaat. Daar staat emigratie binnen Europa tegenover. De mobiliteit is groter, mensen komen vaak tijdelijk, denk aan studenten of aan mensen die net over de grens gaan wonen. De klassieke emigratie naar landen als Brazilië en Canada is wel voorbij."

Niet de pil, maar de tijdgeest

Was het de anticonceptiepil die de vrouw bevrijdde of hing de mentaliteitsverandering al in de lucht en nam de pil daardoor een hoge vlucht? Het is een kip-of-eidiscussie, zegt Eva Rensman, waarin zij de tijdgeest de doorslag geeft. "Was die behoefte er niet geweest, dan was de pil nooit zo populair geworden. Er was immers al van alles als je geen kinderen wilde krijgen, van het spiraaltje tot illegale abortus. De pil maakte het wel een stuk makkelijker."

De introductie van de pil is ook niet meteen terug te zien in de geboortestatistieken, wijst Rensman, die tien jaar geleden het boek 'De pil in Nederland, een mentaliteitsgeschiedenis' schreef. Pas vanaf de jaren zeventig loopt het aantal geboorten sterk terug. "In 1962 zie je nog geen dip en dat is niet voor niets. De teruggang in kindertal heeft te maken met stijging van de welvaart. Je ziet overal: als mensen rijker worden, willen ze minder kinderen. Meer welvaart betekent ook langer naar school en dan stel je het krijgen van kinderen uit. De leeftijd van de moeder bij de eerstgeborene lag lange tijd rond 24 jaar. Begin jaren zeventig loopt die op tot 29. Dan zie je ook dat gezinnen kleiner worden."

Secularisatie speelt ook een rol, maar dan vooral bij de katholieken, zegt Rensman. De populaire Bossche bisschop Wilhelmus Bekkers zei in 1963 op de televisie dat echtparen zelf moesten uitmaken hoeveel kinderen ze wilden, wat hem door andere kerkleiders niet in dank werd afgenomen. "Het was zijn particuliere mening", zegt Rensman, "waar veel katholieken wel baat bij hadden. Bij gematigd protestanten lag geboortebeperking sowieso minder gevoelig."

Nederland was lange tijd koploper in pilgebruik, bijna de helft van de vruchtbare vrouwen slikte preventief, ook al vonden sommige artsen het onwenselijk om een pil voor te schrijven aan een gezonde vrouw. "Er is weleens een pil uit de handel genomen, omdat de kans op trombose groot was, maar zwanger zijn is gevaarlijker", zegt Rensman. "Nederland liep sowieso voorop met vrijere seksuele opvattingen, gestimuleerd door de NVSH, dat past in de jaren zestig." Evengoed maakte Nederland school met veiligheid. Toen aids om zich heen greep in de jaren negentig gold de waarschuwing: gebruik pil én condoom. "Dat heette dubble Dutch."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden