NPhO speelt wel mooi, maar niet steeds even precies

AMSTERDAM - Zestien donkerbruine habijten lagen er over de enorme, lege toneelvloer van het Muziektheater verspreid; de hoofdkant naar de achterwand gericht. Dat was donderdagavond het openingsbeeld voor 'Dialogues des Carmélites', opera van Francis Poulenc op een script van Henri Bernanos.

Zestien vrouwen in lange witte onderjurken lagen er over diezelfde enorme, lege toneelvloer; de hoofden naar de zaalkant gericht. Dat was na drie uur poëtisch-dramatische muziek en kloosterlijk-sober theater het slotbeeld van de première, met gevoel voor de soepele golving van de compositie geleid door dirigent Yves Abel en met serene spanning gevuld door regisseur Robert Carsen.

Hoe zou het verhaal over zestien kloosterzusters die in 1794 vielen onder de guillotine, tot opera bewerkt in de jaren vijftig van onze eeuw binnen een sfeer van Frans conservatief-katholicisme, nu overkomen op ons? Zelfs als je gelovig katholiek bent, kun je dan een boodschap hebben aan de overwegingen van joffer Blanche om te kiezen voor onthechting in een streng, op bidden gericht religieus milieu? Ritmisch-melodisch kenschetste Poulenc haar als ietwat hysterisch, en sopraan Joan Rodgers drukte dat goed in haar stem en bewegingen uit. Wat betekent de overgave aan het lijden van Christus waar zelfs de priorin geen raad mee weet als zij op haar sterfbed ligt?

Zij schreeuwde het uit: 'De angst kleeft aan mijn huid als een masker van was. . . O kon ik dat masker maar met mijn nagels afkrabben!' Het was in deze scène dat de 71-jarige Belgische mezzo Rita Gorr op huiveringwekkende wijze de hulpeloosheid van het levenseinde uitbeeldde. En dan te bedenken dat zij dat in deze reeks opvoeringen tien keer moet doen, tien keer een vroeg-oude kloosterzuster (la Prieure is pas 59!) tot in haar doodsstrijd volgen, terwijl naar de mens gesproken dat haar eigen doodsbed kon zijn. Moedig om deze rol aan te nemen, veertig jaar na de Parijse wereldpremière. Daarin vervulde zij de rol van mère Marie, die strijdvaardig haar medezusters tot de gelofte van de martelaarsdood aanzet, maar zich er uiteindelijk aan onttrekt.

In de huidige opvoering zorgt de pront ogende en zingende Jane Henschel voor een zeer kordate uitbeelding van deze nuchtere vrouw. Een beetje sympathiek was zij mij wel in haar bijkans geblafte zang toen ze Blanche mentaal afstrafte omdat ze angst getoond had. Zij vertegenwoordigt met de rector van het klooster (geloofwaardige rol van Ryland Davies) de opportunistische kant in de op idealisme gerichte samenleving. Mère Marie, er tijdig tussenuit geknepen, beklimt niet het schavot als zij haar medezusters op weg naar het einde gadeslaat.

In de grauwe menigte (het in ge-acteerde en/of gezongen scènes uitstekend werkende operakoor) staat ook Blanche. Zij heeft zich eveneens onttrokken, menend haar eigen rust, veiligheid te hebben gevonden. Zij staat voor het geëxalteerde idealisme in dit verhaal over levensechte karakters. De priorin staat daarin voor de realistische visie op idealisme. Dat komt in de theatrale presentatie van de 'dialogen' zo sterk tot uitdrukking: deze opera verkoopt geen kwezelaarspraat of valse vroomheid, maar schouwt existentieel in de diepte van het leven: de dood. Dat maakt dit drama in-en-in geloofwaardig, en actueel voor iedereen die leven en dood onder ogen wil zien.

Het verhaal begint met de dood als de markies De la Force, vader van Blanche (Alain Vernhes, met craquelé stem en in rood fluweel met gouden sterretjes, een puntgaaf product van het Ancien Régime), vertelt hoe het destijds al roerig volk zijn vrouw zoveel schrik aanjoeg, dat zij Blanche voortijdig baarde en stierf. De angst voor de dood blijkt vervolgens niet alleen het levensthema van Blanche, maar ook van de priorin die dezelfde kloosternaam (de l'Agonie du Chist', van de Doodsstrijd van Christus) draagt. De opera groeit dan uit tot een 'requiem van het leven' met de 'armzalige' dood van de priorin, de doodswake, vervolgens de dood in de vorm van wanorde die het volk in het klooster teweegbrengt als het er rampokkend door trekt, daarna de mededeling dat Blanche's vader geguillotineerd is, en ten slotte hun eigen gang naar het schavot die een theatale sensatie oplevert.

Het ongecompliceerde leven in dit requiem zit in de beminnelijke rol van de kletsende zuster Constance, een topprestatie van Clarence McFadden; zij beschikt echter over onvermoede diepgang èn moed. Lééf, vlucht naar het buitenland, luidt de ook boodschap van Blanches broer in een muzikaal indrukwekkende scène, een liefdesscène gelijk, en schitterend gezongen door Laurence Dale.

Dat requiem beleef je door de even onthechte als dreigende beelden die Carsen ontwierp met zijn decorontwerper Michael Levine (er zijn nauwelijks decors, alleen wat banken en tafels, alles kloosterlijk sober), kostuumontwerper Falk Bauer (de habijten zijn even echt als de vodden waar de nonnen zich na hun schokkende ontkleding in mogen hullen) en de geweldige belichting van Jean Kalman. Carsen boeit het oog daarbij door geraffineerd beeldrijm en soort choreografie sur place; de extatische dans op het 'Salve regina' bij de gang naar het schavot is verbluffend.

De beeldscherpte spiegelt zich niet steeds in dezelfde klankscherpte; dirigent Abel kan meer discipline in ritmiek en samenklank opwekken bij het Nederlands Philharmonisch Orkest dat wel mooi maar niet steeds even precies speelt; de koperblazers waren soms zompig met hun inzetten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden