Nooit zal Nederland uit Suriname verdwijnen

AMSTERDAM - Op het moment dat op die 25ste november 1975 in het André Kamperveen-sportstadion in Paramaribo de Nederlandse vlag wordt gestreken en de Surinaamse gehesen wordt trekken Sammie Monsels, Surinaams-Nederlands sprintkampioen, en zijn sportvriend en dienstmaatje Roy Bottse een spurt over de grasmat richting plek van de plechtigheid om te genieten van hún vlag, hún volkslied, hún srefidensi - want daar zijn ze speciaal voor uit Nederland gekomen.

Op datzelfde moment kijkt in café Para André aan de Amsterdamse Martelaarsgracht de clientèle, enkele tientallen Surinamers - Creolen, want Hindostanen zie je nauwelijks in een café, en zeker niet hier - aangevuld met wat bakra's, blanke Nederlanders, naar de televisie. Naar de ceremonie die Suriname's srefidensi, onafhankelijkheid inluidt. Het café is opgetuigd met Surinaamse vlaggen en andere toepasselijke parafernalia. Tijdens het Surinaamse volkslied vuurt Jopie, de Nederlandse vrouw van de uitbater, de toeschouwers aan mee te zingen. Slechts een enkeling geeft gehoor en zingt met haar mee.

Barkeeper Frankie niet. Frankie woont en werkt al sinds jaar en dag in Nederland, heeft een Nederlands paspoort, en met die Surinaamse zelfstandigheid heeft hij bar weinig op. Dat wordt alleen maar narigheid, voorspelt hij. Bovendien, “wat moeten ze zonder Nederland, jongen!? Nederland zal nooit verdwijnen.”

Nooit

En Nederland is nooit verdwenen. Nu, twintig jaar en vijf maanden later, aan de vooravond van de derde vrije verkiezingen sinds het vertrek van Desi Bouterse en zijn militaire dictatuur in 1987, lijkt het hier te lande of het om een nationale stembusslag gaat, laten we zeggen van het niveau 'provinciale staten'. Actualiteitenrubrieken van radio en televisie gevuld met nieuws en reportages vanuit de voormalige kolonie, hele pagina's in de dagbladen, en vanavond op Vpro-tv tot diep in de nacht is het uitslagenavond, met een panel deskundigen, een zaal geïnteresseerden, Surinamers en niet-Surinamers, als ware het een zaak van nationaal belang.

'Nederland versus Bouterse', heet het, als het over het karakter van deze verkiezingen gaat. Over het kader waarbinnen de krap 265 000 kiesgerechtigden in Suriname hun stem mogen uitbrengen. 'Nederland' is dan synoniem voor de Nieuw Front-coalitie, de regerende combinatie van de Creoolse NPS, de Hindostaanse VHP, de Javaanse KTPI en de multi-etnische syndicalistische SPA.

Synoniem - bij positieve invulling - voor behoud van de democratie, voor rust en rechtvaardigheid. Voor het 'eindelijk' eens vrijkomen van de resterende berg geld, de rest van de 3,7 miljard grote 'bruidschat' van 1975 die in Den Haag nog steeds ligt te wachten op besteding in Suriname, voor onverholen Haagse steun aan het economische en sociale hervormingsproces waarmee Suriname zo op het oog bezig is aarzelend uit het diepe dal omhoog te kruipen.

En 'Bouterse' roept daarbij meteen herinneringen op aan de dictatuur die na de staatgreep van februari 1980 al snel zijn intrede deed, aan de december-moorden van '82 waarbij kopstukken van de Bouterse-oppositie om het leven werden gebracht, aan de slachtingen onder de Boslandcreolen in het Surinaamse binnenland tijdens de strijd tegen het jungle-commando van Ronnie Brunswijk.

In negatieve zin - en gaarne door Bouterse en zijn NDP als zodanig gehanteerd - staat 'Nederland' voor bemoeizucht, betutteling, neo-kolonialisme en inmenging in de interne aangelegenheden van een soevereine natie. En Bouterse, tja 'Bouta' is dan de man die zich daar als enige tegen verzet, die de vernederingen door 'narco-staat' Nederland (“kijk maar naar de IRT-affaire en het rapport-Van Traa”) niet meer slikt. De ex-'bevel' die met kreten als 'negen jaar zogenaamde democratie van het Front is negen jaar pinaren', verkommeren dus, de handen op elkaar krijgt. En die, eenmaal gekozen, niet meer de bedelnap naar Den Haag zal uitsteken, die Suriname zijn eigen boontjes wil laten doppen. 'Nederland moet oprotten, Nederland moet verdwijnen', en de NDP-aanhang juicht.

Maar Nederland verdwijnt niet. Zolang de helft van de autochtoon Surinaamse bevolking in Nederland woont, en dat is de meest welvarende helft, heerst in Suriname de 'Jos Steeman'-economie, de vloed pakketten met eerste levensbehoeften - zo'n 80 000 per jaar - die vanuit Nederland door de firma S. worden verscheept naar familieleden in Suriname. Familieleden, die met de maandelijkse vijftig of honderd via Surpost ontvangen Nederlandse guldens hun minimumbestaan nog enig kleur kunnen geven.

Nederland verdwijnt niet zolang welke regering in Paramaribo dan ook zowat elke planning en prognose, elk project en elke investering laat afhangen van de ontwikkelingspot in Den Haag. De relatie tussen Nederland en Suriname is er niet een tussen twee soevereine staten, ze is een 'ontwikkelingsrelatie', waarbij vrijwel elk overleg tussen bewindslieden uit Den Haag en Paramaribo draait om vrij te maken Nederlandse gelden.

Soms onder het mom dat Nederland in voorgaande eeuwen Suriname op gruwelijke wijze heeft uitgebuit - historisch net zo juist als dat de toenmalige republiek in 1588 de Spaanse Armada heeft verslagen - en daar nu zijn prijs voor moet betalen als een soort Wiedergutmachung. Dan weer met het argument dat bij uitblijven van financiële hulp Bouterse aan de macht wordt geholpen.

In de relatie met Nederland is Suriname een 'ontwikkelingshulp-junkie', verslaafd aan de hulp die het al decennia heeft gekregen en nog hoopt te krijgen. Met de paplepel ingegoten, al in de jaren vijftig en zestig door de toenmalige premier en Creoolse volksheld Johan Adolf Pengel.

Wanneer Jopie Pengel weer eens terugkwam van een zoveelste 'overlegronde' in Den Haag was het vaste prik: Pengel bij aankomst op vliegveld Zanderij zwaaiend met een koffertje. “A moni doro!”, riep hij dan, “het geld is er!” En het toegestroomde volk juichte en ging tevreden in de bussen, terug naar Paramaribo. Voldaan omdat er weer weinig mis kon gaan, immers, 'winti wai, lanti pai', 'laat maar waaien, het land betaalt'.

En het land, dat was toen Nederland, en dat is het nog steeds. Daarom ook pleit DA '91, na Bouterse's NDP 's lands grootste oppositiepartij, voor een terugkeer van Suriname in de moederschoot, zij het in een vorm van een gemenebest-relatie.

Steentje

Nee, Nederland zal nooit verdwijnen, ook al zou het dat zelf nog zo dolgraag willen. 'Suriname, het steentje in de schoen van Nederland', heet het boekwerk van de Surinaamse socioloog Aart Schalkwijk, en daarmee geeft hij prima de ongemakkelijke relatie aan tussen Suriname en het voormalige moederland.

Samen met zijn collega Ad de Bruijne heeft hij in 1994 een studie gepubliceerd over de band tussen Suriname en Nederland. Een onlosmakelijke band, zo concluderen ze in 'Kondreman en P'tata', met als ondertitel 'Nederland als referentiekader voor Surinamers'. Onlosmakelijk, ook al omdat vrijwel elke Surinamer wel een of meerdere familieleden in Nederland heeft. Een nog steeds houdt, zeker naarmate de economische en sociale situatie in Suriname verslechtert, menig 'Kondreman', ingeborene, het oog gericht op 'P'tata', aardappelland Nederland dus.

In 'Kondreman' staat de anekdote over weer een mislukte overlegronde, begin jaren '90, over ontwikkelingssamenwerking. Een Surinaamse deelnemer bevestigt dit, maar voegt er meteen opgetogen aan toe: “Maar Nathalie heeft het gehaald!”. Nathalie, zijn dochter wellicht, heeft visum en werk kunnen krijgen in P'tata. Die is dus veilig, zoals Eliza met haar baby in 'De Negerhut van Oom Tom' veilig is, wanneer ze via de de ijsschotsen de overkant van de rivier weet te bereiken.

Natuurlijk, er zijn Surinamers die met geen stok het land uit te krijgen zijn. Omdat hun wieg daar stond, omdat ze domweg niet kunnen vertrekken, materieel gezien dan, omdat ze het 'goed' hebben in hun land. Maar de dwangsituatie werd enkele jaren geleden schrijnend verwoord tijdens een conferentie over hoe de doorsnee Surinamer met zijn huishoudportemonnee moet rond komen. De inleidster had het daar over “wij die hier moeten blijven, en sommigen van ons die ook willen blijven”.

Ondanks bevriezing van de ontwikkelingshulp, zeg maar de 'bruidsschat', na de decembermoorden van '82 blijft de geldstroom vanuit Nederland vloeien en is die per hoofd van de bevolking veruit het hoogst op de Nederlandse begroting van ontwikkelingssamenwerking. En de Nederlandse ambassade in Paramaribo staat qua omvang en bemanning in de top-vijf van de Haagse diplomatieke vestigingen te 'de wereld', en na de opening van het splinternieuwe complex in de Surinaamse hoofdstad zal deze ongetwijfeld een plaatsje zijn gestegen.

Nee, Nederland zal niet verdwijnen. Hoewel, tenzij Bouterse....? Scene in Paramaribo op straat even buiten hotel Krasnapolsky, vele maanden voor de verkiezingen. “Hé bakra, wat loop je nou aan het wandelen, man. Je wil niet wissele, je wil niet hossele, rot op man! Wacht maar bakra, we gaan straks Bouterse stemmen, Bouta laat je bibberen man!”

Dit dicht de Surinaamse dichter Vene in de jaren zestig:

'Er is één grote verrader: de tijd, een dolle wals die de grootste misdaden begraaft in het stof van het verleden die grote misdadigers terugplaatst in de rij van de kleine die onschuldigen zijn geworden.'

'Vene' is het pseudoniem van Ronald Venetiaan, de huidige president, de lijsttrekker van Nieuw Front.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden