Nooit meer verdwalen op het Irenepad

Wie naar het Letterkundig Museum in Den Haag wil, moet niet te eigenwijs zijn. Alleen degene die nauwgezet en zonder morren de bordjes volgt die vanaf het Centraal Station naar de ingang wijzen, maakt enige kans om inderdaad bij de trap uit te komen die naar het Letterkundig Museum leidt.

HANNEKE WIJGH

Wie daarentegen een kortere weg denkt te kunnen nemen in het labyrint van gebouwen waarin ook de Koninklijke Bibliotheek is gehuisvest, loopt het risico ernstig te verdwalen. Want hoe mooi de gebouwen vanuit de trein ogen als je Den Haag binnenrijdt, zoiets simpels als een duidelijk herkenbare ingang kon er op de tekentafel niet af.

Het Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, zoals de volledige naam van de instelling luidt, is zonder enige twijfel het best verstopte museum van Nederland. Toen ik onlangs hoorde dat het Letterkundig Museum naar een ander onderkomen moet uitzien omdat het huidige te duur is, slaakte ik dan ook een diepe zucht van verlichting. Eindelijk, het eeuwige gezoek is afgelopen. Nooit meer verdwalen op het Prinses Irenepad.

Behalve de onvindbaarheid is er verder niets ten nadele van het Letterkundig Museum te zeggen. Het Documentatiecentrum werkt uitstekend, in de expositieruimte zijn met grote regelmaat interessante tentoonstellingen te zien. Maar, en dat zal niemand meer verbazen, het aantal spontane bezoekers laat zeer te wensen over. Per jaar komen er slechts zo'n twaalfduizend mensen op de exposities af, alleen in 1991 waren het er zesduizend meer. Dat hoge aantal moet echter geheel op conto van Annie M. G. Schmidt worden geschreven. Zij is zo ongemeen populair, dat heel wat mensen de moeizame zoektocht naar de ingang voor lief namen.

Sinds bekend is dat het Letterkundig Museum gaat verhuizen omdat het ministerie van WVC niet langer de huur van 1,6 miljoen wil betalen, heeft de directeur, Anton Korteweg, al heel wat gretige wethouders op de stoep gehad. Uit Rotterdam, Leiden en Amsterdam snelden zij naar het Prinses Irenepad om er het ene na het andere prachtpand aan te bieden. Want elke zichzelf respecterende stad wil zo'n prestigieuze instelling graag in huis hebben. Maar de kans is groot dat het Letterkundig Museum gewoon in Den Haag blijft. Mogelijk wordt het ondergebracht in het oude stadhuis op de Groenmarkt, als dat leegkomt na de verhuizing naar het nieuwe onderkomen aan het Spui. Maar er zijn meer mogelijkheden: ook het voormalige bankgebouw van Mees & Hope aan de Kneuterdijk wordt genoemd.

Beide lokaties hebben een groot voordeel: ze liggen in het centrum van Den Haag en op een aantrekkelijke plek, wat handig is als je toevallige passanten wilt lokken. Dat laatste is niet onbelangrijk: zelf heb ik ooit het Belastingmuseum in Rotterdam bezocht, gewoon omdat het op een mooie route lag, slenterend over de Parklaan in de richting van de Euromast. Die spontane bezoekers loopt het Letterkundig Museum nu mis, want niemand wandelt voor zijn genoegen in het moderne doolhof dat Babylon heet.

Voor Anton Korteweg maakt het niets uit waar zijn museum gehuisvest wordt. Als hij maar net zoveel ruimte krijgt als hij nu heeft en hij er tenminste een flinke spijker in de muur mag slaan, wat niet altijd mag als het om een monument gaat. Hij wil ook best naar Amsterdam verhuizen, omdat daar toch het literaire hart van Nederland klopt. Maar hij vermoedt dat Den Haag het museum niet graag ziet vertrekken.

Want de oorsprong van het museum ligt in Den Haag. In 1923 kwam de toenmalige gemeentearchivaris, dr. W. Moll, op het idee om brieven, handschriften en portretten te gaan verzamelen van Nederlandse schrijvers. Het idee sloeg aan. Dankzij Molls inspanningen en die van de inmiddels vergeten schrijver en schilder Bernard Canter (18701925) werd in korte tijd een alleszins aantrekkelijke collectie bijeengebracht, waaronder de uitgebreide documentatie over Louis Couperus, plus de maar liefst 54 dozen met manuscripten en brieven van Willem Kloos. De verzameling werd eerst gestald in het Gemeentearchief, maar in 1954 barstte de verzameling zo uit haar voegen, dat een apart museum nodig werd. Het nieuw opgerichte Museum voor Letterkunde kreeg onderdak in een pand aan de Groenmarkt(!), dr. Gerrit Borgers, de latere hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, werd de eerste directeur. In 1965 verhuisde het museum naar een prachtig monument in de nabijgelegen Juffrouw Idastraat, waar het tot 1982 zou blijven, tot ook daar de ruimte te klein werd. In het gebouw aan het Prinses Irenepad kreeg het Letterkundig Musuem maar liefst vier maal zoveel ruimte tot zijn beschikking.

Alles leek dus optimaal, behalve de hoge huursom en de slechte toegankelijkheid. Vooruitlopend op de forse bezuinigingsronde in het najaar, als het kabinet voor zevenenhalf miljard gulden moet beknibbelen, heeft WVC al aan Korteweg gevraagd om naar een goedkopere ruimte uit te zien. Dat daarmee tegelijk het probleem van de lage bezoekersaantallen kan worden opgelost, is mooi meegenomen. Want de schatten die in het Letterkundig Museum te zien zijn, verdienen meer kijkers dan tot op heden. P. C. Boutens en Albert Helman lonken vanaf het Irenepad.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden