Nooit meer uit de kinderen

Rinus Dorresteijn hockeyt met Yasmine en Oliver. Mensen worden steeds ouder en blijven langer gezond, wat hen fysiek in staat stelt de kleinkinderen te verzorgen. Foto: Jörgen Caris Beeld
Rinus Dorresteijn hockeyt met Yasmine en Oliver. Mensen worden steeds ouder en blijven langer gezond, wat hen fysiek in staat stelt de kleinkinderen te verzorgen. Foto: Jörgen Caris

Grootouders zijn een onmisbare pijler geworden van het moderne gezin. Ze passen op de kleinkinderen, terwijl de ouders gaan werken. Maar hoe toekomstbestendig is de grootfamilie, als iedereen langer moet blijven werken en ook steeds meer oma's een betaalde baan hebben?

'Ik ben uit de kinderen' - bestaat die uitdrukking eigenlijk nog wel? Pakweg twintig, dertig jaar geleden omschreven moeders hun positie zo als de kinderen de deur uit waren. Ze zeiden het soms met spijt in hun stem, treurig dat de kinderen het nest verlaten hadden. Maar in de mededeling dat ze uit de kinderen waren, klonk ook vaak een zekere voldoening door. De klus is geklaard, de kinderen zijn zelfstandig en zorgen voor zichzelf. Het is tijd voor een nieuwe levensfase, waarin de kinderen niet langer op de voorgrond staan.

Bij een derde van de grootmoeders is dat verleden tijd. De periode dat ze uit de kinderen zijn, is verkort tot de paar jaar dat de kinderen wel op zichzelf wonen maar nog geen kinderen hebben. Komen er kleinkinderen, dan staat een nog steeds toenemend aantal grootouders klaar om te helpen. Gemiddeld zorgt in Europa ongeveer een derde van de oma's van nu, en een kwart van de opa's, minstens één keer in de week voor de kleinkinderen. Bij gebrek aan formele kinderopvang ligt dat percentage in zuidelijke landen op ongeveer de helft, en spiegelbeeldig in Scandinavië op vijf procent. Nederland zit nu volgens de Amsterdamse socioloog Fleur Thomése op het Europese gemiddelde, en in nog niet afgerond onderzoek van haar vakgroep aan de Vrije Universiteit is berekend dat dat bijna een verdubbeling is ten opzichte van twintig jaar geleden.

Ook in het onderzoek 'Het gezinsleven in Nederland', dat het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) vandaag presenteert, komt de rol van de grootouders aan de orde. Meer dan met buren of vrienden, praten ouders met hun eigen vader en moeder over de opvoeding van de kinderen. En ruim veertig procent van de grootouders schiet minimaal eens per maand te hulp, waarmee de rol van de grootouders groter is dan die van de formele kinderopvang (zie tabel), al komt de combinatie van een paar dagen crèche en één of twee dagen opa en/of oma ook veel voor.

Pearl Dykstra, hoogleraar sociologie aan de Erasmusuniversiteit in Rotterdam, zoekt de oorzaak van de veranderende rol van grootouders in twee demografische gegevens. Vrouwen zijn de afgelopen tien, twintig jaar aanzienlijk meer gaan werken en zij hebben eenvoudigweg opvang nodig. Hoger opgeleiden zoeken die volgens Dykstra vooral in de formele kinderopvang, lager opgeleiden kiezen gemiddeld vaker voor de ouders - meestal die van de vrouw. Ook daar is een eenvoudige verklaring voor: formele opvang is duur en mensen met een lagere opleiding wonen dichter in de buurt van hun ouders, al ziet Dykstra de laatste tijd ook dat de afstand tussen ouders en grootouders sowieso kleiner wordt. Er zijn grootouders die verhuizen naar de buurt van hun kinderen en kleinkinderen, er zijn ook gezinnen die dichter bij opa en oma gaan wonen als ze hen nodig hebben als oppas.

Een tweede verklarende, majeure ontwikkeling is de toegenomen levensverwachting. Om het speciale daarvan te onderstrepen, wijst de socioloog erop dat van alle twintig- tot veertigjarigen meer dan veertig procent nog één of meer grootouders heeft, meer dan ooit tevoren. Veertig jaar geleden gingen ouderen zo rond hun zestigste dood, nu rond hun tachtigste. Mensen worden steeds ouder en blijven langer gezond, wat hen fysiek in staat stelt de kleinkinderen te verzorgen. De gemiddelde leeftijd waarop vrouwen oma worden is 52, mannen worden gemiddeld op hun 54ste voor het eerst opa. En ze blijven lang in de ouderrol: tot de leeftijd van 75 tot 80 geven ouders meer hulp aan hun kinderen dan andersom. Dat komt ook, doordat kinderen krijgen sinds de introductie van de pil een keuze is, en geen vanzelfsprekendheid. Dat maakt dat ouders veel voor hun kinderen willen doen, en niet bij hun kinderen in het krijt willen staan. Parents want te be parents, zegt Dykstra, emotioneel en praktisch. En vooral moeders willen hun dochters de carrièrekansen geven die ze zelf ontbeerden.

Paul Schnabel, directeur van het SCP, wijst nog op een derde trend die het vergemakkelijkt om de grootouders bij de opvoeding te betrekken: de relaties tussen de generaties zijn gedemocratiseerd, de bevelshuishouding heeft plaatsgemaakt voor de onderhandelingshuishouding, wat uitgebreid wordt beschreven in het nieuwe gezinsrapport. Gemiddeld zijn de verhoudingen tussen grootouders, ouders en kleinkinderen minder hiërarchisch geworden, ze zijn nu warmer, hechter en persoonlijker, aldus Schnabel. Met opa en oma halen de kinderen geen mensen in huis die nog steeds zeggen hoe het moet, maar mensen met wie ze op gelijke voet omgaan, vaak zelfs vriendschappelijk. Parallel daaraan is het begrip generatieconflict van betekenis veranderd. Zo het nog wordt gebruikt, dan gaat dat niet meer over de botsing tussen ouders en opgroeiende kinderen, het begrip is nu vooral financieel ingekleurd: wie eet het meeste uit de staatsruif, de babyboomers of de jongeren?

De grootfamilie is dus een feit, maar is dat vooruitgang? Hoewel Dykstra het énig noemt dat grootouders zo inspringen bij hun kinderen, vindt ze het vanuit economisch perspectief geen goed model. Uit onderzoek waar ze zelf bij betrokken is, blijkt dat oma's hun baantje opgeven of een dag minder gaan werken om vaste oppas te kunnen zijn. In dat geval is de grootouder een hele dure vorm van opvang, de overheid mist immers de inkomsten uit arbeid, en de betrokkene bouwt geen eigen pensioen (meer) op. De hoogleraar vindt het daarom verstandiger voorrang te geven aan goede, toegankelijke kinderdagverblijven, zeker in een tijd van vergrijzing en krimpende arbeidsmarkt.

Fleur Thomése kijkt daar iets anders tegenaan. Opa's en oma's stellen hun kinderen in staat meer uren te werken, en daardoor leveren die een grotere bijdrage aan de economie. Grootouders zijn zo gemotiveerd om bij te springen, dat ze alle moeite zullen doen dat te combineren met de druk die er op hen ligt langer en meer te werken. Zij krijgen het daardoor wel zwaarder dan de late vijftigers en beginnende zestigers van nu die nog voor hun 65ste met hun werk konden stoppen. Om te voorkomen dat grootouders overbelast raken, moet de zorg voor kleinkinderen worden erkend als werk, vindt Thomése. En hun hulp moet zichtbaar worden gemaakt zodat niemand om de economische en maatschappelijke waarde heenkan. Samen met haar collega Ralf Kaptijn heeft ze in Geron, een tijdschrift voor ouder worden en samenleving, invoering van een grootouderschapsverlof geopperd, om te voorkomen dat toekomstige grootouders gemangeld worden tussen de wensen van de samenleving en die van de kinderen. Maar op die suggestie hebben ze weinig reacties gehad, laat staan positieve. Dat kan goed komen doordat alle aandacht uitging naar hun vaststelling dat er meer kinderen worden geboren in gezinnen die gestut worden door grootouders - ook een maatschappelijk relevant feit.

Gelet op de huidige en te verwachten wezenlijke bijdrage van grootouders aan de opvoeding van de kleinkinderen, stellen de wetenschappers dat de pessimisten die ooit het uiteenvallen van families voorspelden omdat men verder van elkaar ging wonen en financieel niet meer voor elkaar hoefde te zorgen, ongelijk hebben gekregen. De grootfamilie heeft zozeer aan betekenis gewonnen dat die zelfs de pijler van het moderne gezin wordt genoemd. Het kerngezin - een benaming die vroeger gereserveerd was voor ouders en kinderen - wordt nu aangevuld met de grootouders. Dat is nu het kerngezin, zegt Dykstra. En dat is een blijvertje: ook als ouderen massaal langer doorwerken, blijven grootouders als achterwacht de gezinnen van hun kinderen draaiende houden. Het ouderschap wordt niet stopgezet, maar voortgezet. En inderdaad, zegt ze, moeders raken niet meer uit de kinderen - en dat wíllen ze ook niet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden