Nooit meer onverschillig

Het gebouw van het Internationaal Strafhof te Den Haag.

Volgens de Canadese Louise Arbour, voormalig hoofdaanklager van het Joegoslavië- en het Rwandatribunaal, is het ’bijna obsceen’ om een positieve nalatenschap uit de Shoah te willen destilleren. Toch noemt ze het internationale strafrecht een van de krachtigste erfenissen uit de menselijke puinhopen van Auschwitz .

Ik ben niet door persoonlijke ervaring of door mijn familiegeschiedenis direct verbonden met Auschwitz of de Shoah. Maar op allerlei manieren heeft mijn professionele leven zich in de schaduw ervan afgespeeld. Of het nu was als advocaat en rechter in Canada, of tijdens mijn ambtstermijn als hoofdaanklager van het Joegoslavië- en het Rwandatribunaal of als Hoge Commissaris voor de Mensenrechten bij de Verenigde Naties – ik heb het ’Nooit meer’ altijd opgevat als een oproep tot actie, een uitdaging tegen de onverschilligheid waarmee we zo vaak reageren op afschuwelijk lijden waarvan wij denken zelf gevrijwaard te zullen blijven.

Die onverschilligheid bereikte ontstellende hoogten toen het ging om het voorkomen van de Shoah en om de Shoah te stoppen op het moment dat deze bekend werd. Vanuit mijn perspectief is het pijnlijk duidelijk dat dit vergemakkelijkt werd door een rechtsysteem dat medeplichtig werd aan zijn eigen afbraak, door een rechtsorde die onderdrukking ondersteunde, waarbij elk moreel kompas verloren raakte.

Misschien heb ik, juist omdát ik geen familiegeschiedenis heb die me aan de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog bindt, altijd gedacht dat ik deze kwesties klinisch, rationeel en zonder emoties benaderde. Ik werd met een andere werkelijkheid geconfronteerd toen ik voor het eerst naar Rwanda ging, vlak voordat ik hoofdaanklager bij het Tribunaal werd. Dit was in de herfst van 1996. Ik bezocht een school waar mannen, vrouwen en kinderen waren afgeslacht. Hun ontbindende lichamen waren daar achtergelaten.

Na dit bezoek werd ik teruggereden naar Kigali waar ik de president zou ontmoeten. Ik ging eerst terug naar mijn hotel en nam een uitgebreide douche om de geur van de dood die nog aan mij kleefde van me af te wassen. In de presidentiële residentie werd mij gevraagd in de wachtkamer plaats te nemen en een jonge vrouw vroeg mij een gastenboek te signeren. Ik schreef iets in het boek en probeerde daarin de ongelooflijke wending die mijn loopbaan had genomen te vatten. Na een paar minuten gaf ik haar het boek terug. Even later vroeg ze of ik mijn opmerkingen wilde signeren en van een datum voorzien. Al snel kwam ze weer terug, nogal in de war, en zei dat ik de verkeerde datum had genoteerd, het was toch september 1996? Onder mijn naam had ik 6 april 1994 geschreven: de nacht dat de genocide begon. Ik was geschokt. Ik begreep voor het eerst hoe uitzonderlijk de greep van het verleden kan zijn op het moment dat je beseft dat je er deel van uitmaakt.

Het idee van rechtvaardigheid en in het bijzonder van persoonlijke, strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor misdaden die bijna te groot waren om aan één individu toe te schrijven werd stevig vastgelegd bij het oprichten van het Neurenbergtribunaal, en verder doorgevoerd door het oprichten van een permanent Internationaal Strafhof.

Het is een van de krachtigste erfenissen uit de menselijke puinhopen van de Shoah.

Het lijkt bijna obsceen om een positieve nalatenschap uit de Shoah te willen destilleren en, erger nog, om rudimentaire lessen te trekken uit een moreel falen van deze omvang. En het lijkt absurd om te beweren dat een waardevol rechtsstelsel is ontstaan uit het ultieme falen van de rechtsstaat en zijn jammerlijke overgave aan wreedheid. Maar de universele, morele impuls die tot een modern concept van rechtvaardigheid leidde is zeer diep geworteld in datgene wat Auschwitz is gaan representeren: een oproep tot rechtvaardigheid – niet alleen in de enge zin van straf, vergelding en afschrikking, maar vooral in de breedst mogelijke zin: op het terrein van de mensenrechten, en de toewijding aan het ideaal van gelijkheid, anti-discriminatie en van burgerlijke, politieke, economische, sociale en culturele rechten.

Als internationale gemeenschap hebben we de laatste 65 jaar een enorme afstand afgelegd. In 1945 waren er geen Verenigde Naties, geen Europese Unie, geen Europees Parlement, was er geen universele mensenrechtenverklaring, geen internationaal strafrecht, geen vluchtelingenrecht en alleen het rudimentaire raamwerk van een wet betreffende gewapende conflicten. Er was geen gerechtshof voor de rechten van de mens, er waren geen internationale tribunalen. De staten hadden het zelf voor het zeggen: er waren niet veel internationale wetten en instituten, en als ze er al waren, dan waren ze zwak. Het individuele recht op menselijke waardigheid was weliswaar geworteld in religieuze en morele lessen, maar het was niets meer dan een ambitie, een ideaal, dat maar zwakjes in het recht terug te vinden was en niet als recht af te dwingen. Deze juridische ordening van de wereld liet toe dat de Shoah kon gebeuren. De internationale gemeenschap had geen andere keuze dan haar fundamentele beginselen op het terrein van internationale rechtsorde te herzien.

Eeuwenlang, tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, voorzag het internationale recht slechts in enkele rechten voor het individu. Staten waren de enige wettenmakers en ook de enige subjecten van internationale rechtspraak. Ze konden in het algemeen hun burgers naar believen behandelen: individuen en groepen hadden geen status, geen positie in het internationale recht. De Tweede Wereldoorlog maakte het verband tussen internationaal recht en individueel recht onvermijdelijk.

De eerste belangrijke stap was natuurlijk de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die unaniem werd aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 1948. De verklaring is gebaseerd op het principe van gelijke rechten voor alle mensen. Maar het is geen bindend verdrag, en om die reden zagen de meeste voorvechters van mensenrechten het als compromis: ze hadden liever een juridisch bindende Grondwet gezien.

Uiteindelijk bleek de Verklaring de daaropvolgende 28 jaar het enige instrument te zijn voor mensenrechten op internationaal niveau. Ze was van grote invloed op binnenlandse wetgeving en regionale mensenrechtenverdragen. Vanaf 1966 kwam er een scala aan internationale mensenrechtenverdragen: op het terrein van burgerrechten, economische, sociale en culturele rechten, op het terrein van de uitbanning van discriminatie op grond van ras of sekse, van lichamelijke of verstandelijke handicap, en, natuurlijk kwamen er ook verdragen betreffende marteling en wrede, onmenselijke of vernederende behandeling.

Meer dan tachtig procent van alle landen hebben de meeste van deze verdragen geratificeerd. Zoals de Amerikaanse jurist Louis Henkin vaststelt: „Tegen het einde van de twintigste eeuw zijn mensenrechten, een politiek-filosofisch idee, een ideologie geworden, de ideologie van onze tijd, die een bijna universele acceptatie heeft bereikt.”

De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens was ontwikkeld door de United Nations Commission of Human Rights(UNCHR), de Mensenrechtencommissie, toen onder de intellectuele en politieke leiding van Eleanor Roosevelt. Die commissie kreeg in de loop der jaren veel kritiek te verduren. In mijn begintijd als Hoge Commissaris was ik betrokken bij het proces dat in 2006 leidde tot de Human Rights Council, de Mensenrechtenraad. De afschaffing van de commissie weerspiegelt de ontevredenheid en ook bitterheid in het mensenrechtendebat binnen de VN, die door een institutionele aanpassing niet zomaar opgelost zijn. Maar ook in mijn optiek had de commissie geen nut meer, was zij slechts nog een normatieve instantie en niet meer in staat er goed op toe te zien dat rechten en normen en standaarden ook werkelijk van kracht werden. Dat normatieve tijdperk was zijn doel eerlijk gezegd ook voorbij geschoten. Tussen 1948 en 2005 had de wereld zichzelf een breed scala van fantastische normatieve documenten opgelegd: conventies, verdragen, verklaringen, commentaren, maar toezien dat deze normen ook werkelijk geïmplementeerd en nageleefd werden en dat het recht zijn loop kreeg gebeurde te weinig.

De commissie was vleugellam, omdat zij aan de ene kant de steun verloor van veel ontwikkelingslanden die zich selectief te kijk gezet voelden voor hun tekortkomingen op het gebied van de mensenrechten, en aan de andere kant van de Verenigde Staten en sommige westerse landen die vonden dat de commissie een forum was geworden voor onterechte beschuldigingen aan het adres van Israël. Tot op de dag van vandaag is de Mensenrechtenraad op zoek naar zijn legitimiteit.

Natuurlijk staan de Verenigde Naties niet alleen in de bescherming van internationale mensenrechten, er zijn ook regionale equivalenten die toezien op de naleving van mensenrechten in Europa, Noord- en Zuid Amerika en Afrika. Maar zelfs een combinatie van VN-instituties en regionale instituties kan de primaire rol die staten zelf moeten spelen in het bevorderen en beschermen van mensenrechten niet verminderen. De staat, en niet de VN of enig ander regionaal instrument, blijft de belangrijkste borg voor mensenrechten. Dat was zo in 1945 en dat is nog steeds zo. Het internationale systeem fungeert als achtervang, als een laatste toevlucht als de staat faalt in het beschermen van mensenrechten.

Internationale wetgeving op het terrein van mensenrechten heeft nog een andere beperking. Zij voorziet alleen in de verantwoordelijkheid van de staat, en niet in die van het individu. De vraag is dus welk recht we kunnen opleggen aan individuen die de misdaden daadwerkelijk pleegden. Wat gebeurde er na de Shoah om daders rekenschap te laten afleggen? Hier betreden we het terrein van het internationale strafrecht.

In de schaduw van de Shoah doemen filosofische vragen op over strafoplegging. Is op misdaden van deze omvang een adequaat antwoord mogelijk vanuit de rechtspraak of andere instituties? Denk aan de fascinerende observatie van Hannah Arendt dat „mensen niet in staat zijn te vergeven wat niet bestraft kan worden en niet in staat zijn te bestraffen wat onvergeeflijk blijkt te zijn”.

Kunnen we oprecht beweren dat we tegemoetkomen aan onze plicht tegenover de slachtoffers, als we in hun naam de daders ter verantwoording roepen, de hoogte van hun schuld meten, ze ervan vrij pleiten, hun schuld verzachten of ontkennen en inschatten wat volgens het recht de gepaste straf is?

Hoe verontrustend deze vragen ook mogen zijn, we hebben geen andere keuze dan het verleden met de toekomst te verzoenen. Dit is de ware betekenis van de oproep ’Nooit meer Auschwitz’. Het bestraffen van misdaad is niet alleen gebaseerd op het idee van vergelding. Onze inzet voor het voorkomen van genocide en misdaden tegen de menselijkheid vereist op z’n minst dat we het onuitsprekelijke aan de kaak stellen en dat we gezamenlijk de morele wereld waarin we willen leven opnieuw vormgeven.

Door het opleggen van straffen kunnen we de slachtoffers niet meer heel maken en ook hun lijden verdwijnt niet. Maar door de luidruchtige bekrachtiging van onze morele keuze bevestigen we de bescherming door het recht van iedereen, ook van diegene wiens gedrag beoordeeld zal worden onder de regelgeving die zij zelf zo grof verloochend hebben.

De ideeën die de aanzet gaven tot het internationale strafrecht, tot de greep van de internationale gemeenschap op individueel gedrag, gaan, net als de mensenrechten, in hun moderne vorm terug tot de gebeurtenissen van de Tweede Wereldoorlog. Specifieker gaan ze terug tot de naoorlogse tribunalen van Neurenberg en in mindere mate die van Tokio. De geallieerden waren erop gebrand niet dezelfde fouten te maken als na de Eerste Wereldoorlog, toen zij de oprichting van een dergelijk tribunaal voor de oorlogsmisdaden van de leiders van de oorlogvoerende landen verhinderden.

In Neurenberg werden drie typen misdaad te berecht: misdaden tegen de vrede, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Genocide werd onder dit handvest nog niet genoemd; drie jaar later namen de VN het Genocideverdrag aan.

In zijn openingsverklaring herinnerde Robert Jackson, hoofdaanklager van het Neurenbergtribunaal, aan de beperkingen van het recht, vooral als afschrikmiddel tegen toekomstige oorlogen. „Gerechtelijke actie komt altijd na de gebeurtenis. Oorlogen worden begonnen vanuit het vertrouwen dat ze gewonnen kunnen worden. Persoonlijke bestraffing, die alleen plaatsvindt als de oorlog verloren is, zal waarschijnlijk onvoldoende afschrikwekkend werken als de oorlogsvoerders het idee hebben dat de kans op een nederlaag klein is.”

Door de Koude Oorlog zou het nog 48 jaar zou duren voor de wereld een modern equivalent van het Neurenbergtribunaal zou zien. Dat was het Joegoslaviëtribunaal, in 1993 door de VN Veiligheidsraad in het leven geroepen toen tijdens de oorlog in het voormalig Joegoslavië tienduizenden burgerslachtoffers vielen.

Het was waarschijnlijk de meest tot de verbeelding sprekende stap die de Veiligheidsraad ooit had genomen, een dappere stap ook, waarmee politiek en militaire leiders persoonlijk ter verantwoording werden geroepen voor misdaden die zich voor het oog van wereld hadden afgespeeld.

Een klein jaar later vermoordden Hutuextremisten in minder dan drie maanden tijd zo’n 800.000 Tutsi’s en gematigde Hutu’s. De internationale gemeenschap faalde in het stoppen van deze genocide, ondanks de vele voortekenen en ondanks de mogelijkheden die er waren om in te grijpen. Ook al was het ontoereikend, in november 1994 verklaarde de Veiligheidsraad uiteindelijk dat – net als in voormalig Joegoslavië – de situatie in Rwanda een bedreiging vormde voor de internationale vrede en veiligheid. Er werd een nieuw tribunaal opgericht om de verantwoordelijken te kunnen berechten.

In het begin was ik bang, en met mij vele anderen, dat deze tribunalen niet veel meer dan papieren tijgers zouden zijn. In het geval van voormalig Joegoslavië wisten we waar de meeste verdachten zich ophielden, maar vaak bevonden zij zich op het grondgebied van staten die niet mee wilden werken om ze te arresteren. Daarom hielden we onze aanklachten voortaan geheim, zodat het, vooral voor de Navo-troepen in Bosnië, het makkelijker zou worden om verdachten op te pakken. In het geval van Rwanda was de situatie precies omgekeerd: de hoofdverantwoordelijken voor de massamoorden waren het land ontvlucht. Zij moesten eerst gelokaliseerd worden voordat er ook maar iets tegen hen ondernomen kon worden.

In beide gevallen concentreerden we ons rechtstreeks op de belangrijkste leiders, die de zwaarste verantwoordelijkheid droegen voor de verschrikkelijke wreedheden – net zoals het destijds in Neurenberg was gegaan.

Op 27 mei 1999 klaagde ik de Servische president Slobodan Milosevic aan, op grond van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Hij was op dat moment aan het bewind, en de Navo voerde oorlog met Servië.

Het zou een conflict worden tussen de noodzaak tot vrede enerzijds en die van gerechtigheid anderzijds, en het is het enige voorbeeld tot nog toe waar gerechtigheid een voorsprong kreeg – al volgde de vrede kort daarop.

Het is het enige bewijs dat de aanname tegenspreekt dat rechtvaardigheid een belemmering is voor vrede. Zoals bekend werd Milosevic uiteindelijk door de Servische autoriteiten aan het Tribunaal overgedragen. Hij stond terecht in Den Haag.

Milosevic stierf in gevangenschap, voor het proces voltooid kon worden, maar met zijn zaak kwam er een einde aan de tijd dat politieke en militaire leiders konden genieten van langdurige strafvrijstelling. Vijftien jaar geleden zouden figuren als Milosevic alle reden van de wereld hebben gehad om te denken dat ze zich nooit voor hun misdaden zouden hoeven verantwoorden, hoe groot de schade ook was die zij veroorzaakt hadden, en ongeacht de reikwijdte of hun directe verantwoordelijkheid voor de wreedheden.

Het heeft lang geduurd voor de erfenis van Neurenberg grond onder de voeten kreeg. Maar het moment is onomkeerbaar.

De Joegoslavië- en Rwandatribunalen tonen aan dat eerlijke processen op internationaal niveau mogelijk zijn. Dat hielp niet alleen bij het tot stand brengen van zogenaamd hybride tribunalen (een mix van nationaal en internationaal) in landen als Kosovo, Bosnië, Sierra Leone en Cambodja. Het inspireerde staten ook tot het oprichten van het permanente Internationaal Strafhof, het eerste en enige in zijn soort.

Het Internationaal Strafhof kan geen vervanging zijn voor nationale vervolgingen, staten hebben de eerste verantwoordelijkheid in het voorkomen en bestraffen van mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden. Maar de directe greep van de internationale rechtspraak op individuen die persoonlijk rechten hebben, niet alleen tegenover hun staat, maar tegenover de hele wereld, is het ongelooflijke gevolg van het feit dat die wereld zo weinig deed om de slachtoffers in Auschwitz te beschermen.

(Trouw)
Het gebouw van het Internationaal Strafhof te Den Haag. (FOTO ANP)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden