Nooit meer kotsen op de fiets

De zoete smaak van triomf – daar doet een wielrenner het allemaal voor. Maar daar gaat bittere pijn en zware verzuring aan vooraf. Maar is wielrennen daarmee een zure sport? Welnee, vindt Erik Dekker.

Als het werk erop zit, en de pijn heeft geloond, praten wielrenners graag over wat ze het liefst sterven op de fiets noemen. Erik Dekker neemt dat woord ook in de mond, vanuit zijn leunstoel in zijn ’kantoor’. Het is tevens de logeerkamer van zijn huis in het Belgische Meerle. Voor hem liggen enkele mobiele telefoons en een laptop. De vraag was welk moment hij de meeste pijn op zijn fiets heeft geleden.

Hij hoeft niet lang na te denken: op een zaterdagmiddag in augustus 2000. In de Clasica San Sebastian reed hij 1300 meter voor de finish weg uit een peloton op drift. Het melkzuur trok in die minuut striemend door zijn lijf. „Mijn borst, mijn longen, mijn hart, mijn bovenbenen, alles deed pijn. Ik zat te kotsen op mijn fiets.”

Na de verzuring volgde het zoet. Dekker won de klassieker op magistrale wijze, zoals hij in de weken daarvoor drie keer had toegeslagen in een etappe in de Ronde van Frankrijk. Hij was definitief een wereldtopper. Alle opofferingen van het leven als renner gingen zich uitbetalen. Al kon zoet nooit zonder zuur. Als wielrennen het trotseren van tegenslagen is, dan was Dekker daar het bewijs van. Tot hij deze zomer stopte, een paar maanden vroeger dan gepland. Hij kon het mentaal niet meer opbrengen zich opnieuw in de strijd te werpen, na wéér een smerige val in de Tour.

Veertien jaar afzien, ellende en mooie triomfen liggen achter hem. Pijn was al die jaren een voorwaarde voor het succes. Hij moest de pijn leren verdragen, in zijn jonge jaren. „Alle jongens en meisjes die gaan fietsen moeten leren om dóór de pijn in hun benen te fietsen. De geest bepaalt in hoeverre je dat kunt. Je moet de pijn leren interpreteren, want die heeft zijn nut. Ze vertelt dat je slecht bent óf dat je heel hard fietst. Je leert ermee omgaan in relatie met anderen. De kunst van wielrennen is om de pijn te zien bij anderen. Als een ander zich ook ellendig voelt, heb jij veel minder pijn. Dat is belangrijk in het spelletje.”

In trainingen was hij niet in staat grenzen te verleggen, zoals Michael Boogerd dat wel kan. Pas toen Dekker vanaf 1999 grote wedstrijden ging winnen, ontdekte hij dat zijn lichaam tot méér in staat was dan de tests altijd uitwezen. „Ik heb vaak gedacht: ik ben dingen aan het doen die ik eigenlijk niet kan. Dat was wilskracht.”

Duizenden kilometers van investeren lagen aan de basis van die zoete momenten. Wielrenners zijn gewend om elke dag zes uur op de fiets te zitten, in weer en wind. „De meeste andere sporters gaan naar een club en trainen samen. Wij moeten alles zelf doen. Waarschijnlijk ga ik pas over een paar jaar het bijzondere van dat leven inzien. Drie weken Tour de France, dat doet een normaal mens niet.”

Maar het eindeloze trainen en de sociale concessies geven geen enkele garantie op succes. „Winnen is maar voor heel weinigen weggelegd. Daarom spreken wij ook nooit van verliezen. Er is geen sporter die tachtig procent van zijn wedstrijden verliest. Wij wel.”

De wielrenner accepteert dat gelaten. Eenmaal was hij woedend. In de laatste etappe van de Ronde van Nederland ondervond hij dat in zijn sport ook duistere intriges een rol kunnen spelen. „Op de Eyserbosweg reden we met de sterkste mannen weg uit het peloton. Ik stond het beste in het klassement en zou de ronde winnen. Toen heeft de TVM-ploeg het gat dichtgereden, hoewel hun kopman Peter van Petegem bij mij reed. Nota bene mijn buurman toen, Bart Voskamp, reed achter mij aan. Hun ploegleider Cees Priem had weer ruzie met onze manager Jan Raas en gunde Rabobank de overwinning niet.”

Geflikt, heet dat. „Wielrenners kun je nooit helemaal op hun woord vertrouwen. Je moet een gezonde dosis achterdocht houden. Als iemand iets vertelt moet je je altijd afvragen wat zijn bedoeling is. Ik wil eerst zien en dan geloven.” Gevaar loert altijd overal in het professionele fietsen.

Fysieke rampspoed hoort erbij. Dekker heeft zijn portie gehad. In maart 2002 viel hij, als nummer één van de wereld, in Milaan-Sanremo. Het gevolg: een complexe heupbreuk. Maanden van revalidatie en pijn volgden. „Op een ongelukkiger moment had me dat niet kunnen overkomen.” Aan het einde van dat jaar stootte hij zijn knie tegen een kastje toen hij met zijn gezin in Spanje verbleef. Het incident luidde het moeilijkste jaar van zijn carrière in.

„Dat modderde maar door. Geen dokter wist er raad mee. Dat had een grote weerslag op mijn welzijn. Ik zag het niet meer zitten, zelfs als mens. Toen bleek hoe belangrijk wielrennen voor me was. Ik werd chagrijnig, geprikkeld, kwaad op de kinderen. Naar de buitenwereld liet ik niets merken, zoals ik nooit heb gedaan, uit zelfbescherming.”

Zijn stoïcijnse, nuchtere Drentse aard sleepte hem er uiteindelijk doorheen, net als in het najaar van 1999, toen het dopingspook hem achtervolgde, wat zonder consequenties bleef. Door zijn karakter kwam Dekker altijd weer bovendrijven. Hij kon meerdere malen sterven in het zadel om in het zicht van het finishdoek toch weer een hoofdrol op te eisen. De zoete smaak van triomf – dáár heeft hij het altijd voor gedaan.

Soms leidde dat tot emoties, ineens. Na zijn derde ritzege in de Tour van 2000 realiseerde hij zich op het podium in Lausanne ineens wat voor ’idioots’ hij had gepresteerd. „Al die klappende mensen, het werd me ineens te veel.” Minstens zo intens genoot hij van zijn overwinning in de Amstel Gold Race van 2001. Hij had Lance Armstrong in de sprint verslagen. „Ik reed daarna met mijn gezin naar Center Parcs, had mijn gsm uitgezet, zette lekkere muziek op, zong heel hard mee en voelde me zó blij. Dat had ik ook op een hotelkamer in Sanremo in 2004, toen Oscar Freire had gewonnen. Ik had daar een serieuze bijdrage aan geleverd in de finale. Ik was zo trots dat ik na zoveel ellende met die knie terug was op het hoogste niveau.”

Het meesterwerk van zijn oeuvre volgde in oktober 2004 in de klassieker Parijs-Tours. Hij bekroonde een waanzinnige dag in een zinderende ontknoping. „De intense blijdschap, als je met een tegenstander afrekent, terwijl het peloton in je nekt hijgt... Pas de laatste tien meter was ik zeker. Ineens schoot het door mijn hoofd: shit, dit is een klassieker. Ik had ook zoiets dit voorjaar in het Criterium International. Ik klopte Basso. Yes, dacht ik, nu is het 1-1, want mijn zoontje had die ochtend ook gewonnen. Meteen daarna dacht ik: dit kan wel eens de laatste zijn.”

Dat voorgevoel bedroog hem niet. Na zijn bloederige aftocht uit de Tour besloot hij om te stoppen. Hij schoof meteen door naar de post van ploegleider bij Rabobank. Nooit meer kotsen op de fiets. Hij had kunnen gaan rentenieren. Na het zuur het zoet? „Nee, ik zie wielrennen niet als een zure bezigheid. Ik denk dat ik over een jaar of vijf wel zal beseffen dat mijn actieve jaren de allermooiste van mijn leven waren. Het gevoel dat ik op de streep in Parijs-Tours had, komt nooit meer terug. Als ploegleider kom je bij die emotie nooit in de buurt. Al die tegenslagen die ik heb gehad, zal ik niet missen, maar ze hebben het boek wel mooier gemaakt.”

Dekker heeft twee uur zitten praten als hij op zijn klok kijkt. Hij loopt naar buiten om zijn zoontjes David en Kelvin met een high five te begroeten. Hun schooldag zit erop. Hun vader heeft verteld dat het prettig is dat hij hen een financieel onbezorgde toekomst kan bieden. Geld zegt hem verder weinig. Het is nooit zijn drijfveer geweest. „Het heeft mijn beleving niet veranderd.” Geld is hoogstens gemakkelijk. En leuk. Op de stoep staat zijn cadeautje aan zichzelf bij zijn afscheid, een zwarte Porsche 911. Topsnelheid: 270 kilometer per uur. „Dit is het zoet!”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden