Nooit hetzelfde licht

Saint-Etienne in Châlons-en-Champagne, detail: het aanbieden van een gebrandschilderd raam aan de Heilige Maagd. (Trouw) Beeld
Saint-Etienne in Châlons-en-Champagne, detail: het aanbieden van een gebrandschilderd raam aan de Heilige Maagd. (Trouw)

Nicolaas Matsier liet zich in Frankrijk overrompelen door imposante kathedralen en de duizelingwekkende pracht van gebrandschilderde ramen. „Een beetje kathedraal, dat weet je, geeft je een klap op de kop. Dat ze daar nog altijd staan, stevig en rank, stemt tot grote dankbaarheid.”

Nicolaas Matsier

Een gothische kathedraal zien opdoemen, ver weg, zonder dat er iets te zien is van de stad waar zij bij hoort, dat geeft een geweldige sensatie. Het landschap moet een beetje heuvelen. Bij voorkeur fietst men. Men is in Frankrijk.

Her en der doken ze op, de gothische kathedralen, toen ik met mijn vriendin, veertig jaar geleden, van de Amsterdamse Palmgracht naar de Pyreneeën fietste, al was het maar omdat dat zo goed klonk. Onze route door het noorden van het land waar de gothiek werd uitgevonden voerde weleens langs een kathedraal.

Als het een beetje meezit, fiets je over een smalle, goed geasfalteerde weg, en aan gene zijde van een bollend korenveld of een glooiende wijngaard ligt dan zo’n kathedraal. Wij waren niet speciaal op weg naar die kathedraal, de kathedraal deed zich voor. Misschien is zo naderen het mooiste dat er is.

Onvergetelijk werd de kathedraal van Beauvais. De geschiedenis van deze kerk is een ijzersterk verhaal waarin zich exemplarisch de wederwaardigheden van zovele kathedralen samenballen. Korte inhoud: de kathedraal van Beauvais wilde de hoogste worden. Men begon met de bouw; de kathedraal werd de hoogste; maar het schip stortte in.

In elk boek over de gothiek worden de standen van die wedstrijd tussen de middeleeuwse steden vermeld: de kathedraal van Laon, 23 meter; die van Chartres, 36 meter; Reims en Bourges, 37 meter; Amiens, 42 meter; Beauvais, 47 meter. Bedoeld is: de hoogte van het schip.

Wat van Beauvais resteert, nog altijd, is het hoogste gothische koor ter wereld, voor altijd onaf – een slecht verbonden, nooit genezen wond. De rivaliteit tussen de steden waar kathedralen in een nooit meer vertoonde bouwwoede verrezen, wordt belichaamd door dat ene duizelingwekkende koor-dat-tegelijk-de-kathedraal-is. In Beauvais is men sindsdien bezig gebleven met bouwtechnische maatregelen: steunberen, trekstaven, stempels, buiten zowel als binnen. Zeer fotogeniek.

De kerk werd in recordtempo gebouwd tussen 1238 en 1263. In 1272 stortte zij in om direct herbouwd te worden en opnieuw in te storten in 1284. Het aantal steunberen en luchtbogen werd verdubbeld. Er verrees een toren boven de viering, een nieuw hoogterecord. Op Hemelvaartsdag 1573 stortte hij in.

Weinig kathedralen zijn binnen een afzienbare tijd gereed gekomen. Gewoonlijk nam de bouw vele generaties in beslag. Bijna alle kathedralen tonen op de een of andere manier de duur van hun bouwgeschiedenis. Tussen de ene (nog romaanse) toren van de kathedraal van Chartres en de andere liggen tweehonderd jaar. Veel kathedralen zijn onvoltooid gebleven. Uitzonderlijk is de dom van Keulen, die in 1880 voltooid werd.

Voor een kathedraal was ik nog nooit op reis gegaan. Als je toch in Parijs was, of in Keulen, of in Canterbury, of in ’s Hertogenbosch, dan nam je de kathedraal natuurlijk mee. Een beetje kathedraal, dat weet je, geeft je een klap op de kop. De ene meer dan de andere, deze vooral van binnen, een andere eerder van buiten. Dat zulke kathedralen, nauwelijks te evenaren door welk modern gebouw dan ook, daar nog altijd staan, stevig en rank, stemt tot grote dankbaarheid.

Nog één keer ben ik op een vergelijkbare manier onder de indruk gekomen. Ik werd geïmponeerd en ontroerd door de wolkenkrabbers van Manhattan, vooral door de kathedralen van het kapitaal die daar in jugendstil en art nouveau zo'n honderd jaar geleden begonnen te verrijzen, als eerste concurrenten van allure voor de wolkenkrabbers van de dertiende eeuw. Wat spitsboog, kruisgewelf, steunbeer en luchtboog voor de kathedraal zijn geweest, dat waren lift en skeletbouw voor de wolkenkrabber.

Geeft de gothische kathedraal een uitbeelding te zien van de hemelse stad? Speelde het boek Openbaring een rol? Daar daalt immers een nieuw Jeruzalem uit de hemel neer: „De stad schitterde door Gods luister, met een schittering als van een edelsteen, als een kristalheldere jaspis. Ze had een grote, hoge muur met twaalf poorten en bij elke poort stond een engel. [...] De muur was gemaakt van jaspis, en de stad zelf was van zuiver goud, helder als glas.”

Zagen de gewone gelovigen wat ’hogerhand’ in de kathedraal en haar vensters wilde zien of leggen? De abt Suger, de man die de Saint-Denis, nu in een morsige voorstad van Parijs, het revolutionaire karakter gaf waardoor de kerk als gothisch prototype ging fungeren, dacht aan de Franse onthoofde heilige, door hem vereenzelvigd met de auteur uit de oudheid die men tegenwoordig Pseudo-Dionysius de Areopagiet noemt. In diens neoplatoonse denken kan men vanuit het schemerduister opstijgen naar een steeds zuiverder, steeds goddelijker licht. Verwante ideeën zijn te vinden bij Thomas van Aquino en Hugo van Sint-Victor, tijdgenoten van de eerste gothische kathedralen.

De vraag blijft intrigeren: wat zagen degenen die deze kathedralen bouwden, wat zagen de gewone aanwezigen? Keken zij wel? Of gingen ze op in het duizelingwekkende geheel van lichtval en kaarsen, ritueel en gezongen gebeden, zonder zich ooit te verdiepen in al die zelden of nooit echt goed zichtbare gebrandschilderde ramen?

In Amsterdam had ik in de Oude Kerk een proefje genomen met twee verrekijkertjes om te zien of die hielpen bij het bekijken van gebrandschilderde ramen. Met die twee kijkertjes, twee fietsen, een tent en een auto begaven wij ons naar een aantal kathedralen. Het was ons om die ramen begonnen, ook wel om het beeldhouwwerk, maar toch allereerst om de ramen.

We gingen naar Amiens, Beauvais, Rouen, Evreux, Chartres, Bourges, Auxerre, Troyes, Reims. We werden overweldigd door de rijkdom en de veelheid. We lazen het (voor kinderen bedoelde, zeer instructieve) boek van Macaulay, dat van Duby en nog een handvol andere, kochten gidsen, richtten onze kijkertjes en wezen elkaar op van alles. We probeerden te begrijpen wat er zoal te zien was: taferelen uit het Oude en Nieuwe Testament, deugden en zonden, goede en kwade werken, gelijkenissen, de zeven vrije kunsten, de tekens van de dierenriem, de uren van de dag, de jaargetijden, de menselijke bezigheden per maand, spreekwoorden en gezegden, flora en fauna, levens van plaatselijke heiligen.

We fotografeerden duiveltjes. En arken van Noach. En bomen van Jesse. En slagers en schoenmakers en andere handwerkslieden. Nogal wat glazen laten, bij wijze van signatuur niet van de maker, maar van de schenker, hun herkomst zien. Lakenhandelaars geven opdracht tot een Jozefvenster: de oudtestamentische Jozef, in wiens leven mantels zo'n voorname rol spelen. Timmerlieden weten zich vakgenoot van de nieuwtestamentische Jozef, Jezus’ vader. Wijnhandelaars zijn ervan op de hoogte dat de uitvinding van de wijn op naam van Noach staat. Wijnbouw is het eerste waarmee hij zich, direct na de Zondvloed, bezig gaat houden.

Zulke vaklieden, verenigd in gilden, droegen bij aan de bouw van de kathedralen. Zij bekostigden een aanzienlijk deel van de enorm kostbare gebrandschilderde ramen. Een geleerde heeft geschat dat de ramen van een kathedraal evenveel gekost hebben als de overige bouw. Er kwam een leger van specialisten aan te pas, die bijna allemaal naamloos zijn gebleven.

Waar de romaanse kerken dikke muren moesten hebben, met zeer kleine vensters, daar deed zich in de gothische kathedraal, dankzij het kruisgewelf binnen en de luchtboog buiten, het technische wonder voor van de zuivere verticaliteit en de verdwijning van de muur. De muur werd doorschijnend.

Gebrandschilderd glas heeft een eigenaardig dubbel karakter, en een zeer intrigerende werking: het laat zelf het licht door dat vereist is om de voorstelling te kunnen zien. Het is de zelfbeschijnende kunstvorm. Het licht moet vanachter komen, vooral en vooreerst vanachter, wil de kijker iets te zien krijgen. Het gebrandschilderde raam is de enige kunstvorm waarbij datgene dat bekeken moet worden zelf dient te zorgen voor de omstandigheden waaronder zulks pas mogelijk is – de lichtval.

Daardoor leveren kathedralen, met hun volkomen afhankelijkheid van alle vormen van het daglicht (voor zover het de glazen betreft) zulke prachtige en onvoorspelbare om niet te zeggen wispelturige ervaringen op. Het licht in het oude kerngebied van de gothiek, noordelijk Frankrijk is nooit hetzelfde. En als het daar toch even naar lijkt, nooit voor lang. Het daglicht, de bewolking, de zon: zij zijn het die het westwerk van de hoofdingang (vaak voorzien van laatste oordeel), de koele noordkant (oudtestamentische taferelen), het oostelijk koor (goddelijke presenties), de zuidkant (zijn nieuwtestamentische verhalen) op onvoorspelbare wijze toelichten of verdoezelen.

Wij zagen de kathedraal van Evreux heel donker, bij gestage regenval, zonder dat er een andere levende ziel te bekennen was. Er was geen koster en geen priester en geen ansichtenvrouw, er brandde niets, geen lamp, geen kaars. Dachten wij daarmee te weten wat een donkere kathedraal is, we vergisten ons. Want die van Chartres, de meest overdonderende van alle als het om ramen gaat, bleek bij tamelijk helder en zonnig weer toch nog donkerder dan die van Evreux bij regen. Maar de kroon spande de kathedraal van Bourges.

Nadat wij daar een dienst hadden bijgewoond, om vervolgens de ramen te gaan bekijken, trok de lucht volledig dicht en begon het te onweren. We waren opnieuw de enigen, in een kerk met zo weinig licht dat ik er zelfs niet meer in slaagde om het gidsje te lezen dat ons vertelde wat wij zagen. Naast een verrekijker dient de geoefende bewonderaar van het gebrandschilderd glas dus een zaklantaren bij zich hebben.

Het licht, wat voor licht het dan ook is, maakt alles uit. „Kathedralen: orgels voor het licht”, aldus een lapidaire notitie van Paul Valéry in zijn Cahiers. (Ik dank dit citaat aan Frits van der Meers prachtige boek ’Apocalypse’.) Met Valéry's meesterlijke vergelijking is eigenlijk alles gezegd wat erover te zeggen valt. De ramen maken muziek, ze vormen een ensemble, ze bewegen. En het is het buitenlicht dat dirigeert.

Het grote raadsel blijft: wat zag men vroeger? De verhalende vensters, waar de details tellen, dat zijn de laagste. In de lichtbeuk (één-hoog, om zo te zeggen) zitten de figuurvensters van meer dan levensgrote heiligen. Een beetje rekening met afstand en zichtbaarheid hielden ze dus wel, de glazeniers. Maar toch. Heel veel, ook van de verhalende vensters, is moeilijk tot slecht te zien, zelfs met verrekijker – om van de hoge roosvensters met hun duizelingwekkende fragmentaties maar te zwijgen. Die edelstenen met hun vele facetten verbergen in hun centrum vaak een van de goddelijke gestalten.

Misschien dat de glazeniers zelf, als enigen, hebben geweten en gezien wat ze precies maakten – terwijl ze het maakten, met hun volle aandacht bij het aparte onderdeel van de glazen binnen hun ambachtelijk handbereik. Waren zij dan de eersten en de laatsten om hun eigen glazen werkelijk te zien voordat ze op hun definitieve, hoge, vrijwel onzichtbare posities werden aangebracht?

Gek genoeg doen zulke glazen, als je ze in het echt ziet, altijd verlangen naar goed uitgegeven boeken, met kleurenfoto's van de betoverende, vaak niet opgemerkte details. En dan te bedenken dat die schitterende foto's, en de goede documentatie waarvan ze deel uitmaken, vooral te danken zijn aan de twee wereldoorlogen die de eerste helft van de twintigste eeuw tot het tijdperk van verwoesting bij uitstek hebben gemaakt.

Wie in Noord-Frankrijk op zoek is naar kathedralen, merkt vanzelf hoezeer zij in de frontlijn hebben gelegen, vaak meer dan eens. De stad Amiens werd zowel in 1918 als 1940 getroffen. Zij werd, op de kathedraal na, volledig in puin gelegd. Beauvais onderging in 1940 hetzelfde lot. Het wonderbaarlijke van de kathedraal van Reims is dat zij in een stad staat die in de Eerste Wereldoorlog eenvoudig van de kaart verdween om nooit meer in oude vorm terug te keren. Het huidige Reims is een zeer aangename en mooie, maar compleet in art nouveau herbouwde stad, temidden waarvan dan die vooral aan beeldhouwkunst allerrijkste kathedraal van allemaal staat.

Pas na de Tweede Wereldoorlog heeft het gebrandschilderde raam zich mogen verheugen in kunsthistorische belangstelling. Tot dan toe werden de ramen gezien als een vorm van – altijd lichtelijk geminachte – toegepaste kunst. Dat is veranderd door de inspanningen van het Corpus Vitrearum Medii Aevi, een club van dertien landen die de ramen inventariseert, fotografeert, bestudeert, documenteert, publiceert. Na een halve eeuw van noeste arbeid ligt de tijd van veronachtzaming nu achter ons. In Nederland, een van de deelnemers, zijn drie aan de Goudse glazen gewijde delen verschenen.

Met zulke mooie boeken voor je neus kun je je afvragen of je überhaupt wel iets gezien hebt, en of het wel zo’n verstandig idee is, op reis gaan. Wij, met ons minder religieus geïnvolveerde oog, zijn uiterst gevoelig geworden juist voor uit hun context gelichte details. Waar de godsdienstige beleving heeft ingeboet, daar is de kunstgeschiedenis opgerukt. Zo ontstaat er een paradoxale pendelbeweging. Het zijn de afzonderlijke foto’s die je op reis sturen. Maar de verwarrende volheid en veelheid in de kathedrale ruimte zelf sturen je weer terug naar de boeken (die andermaal het verlangen zullen wekken naar de echte ramen in de echte ruimte).

Vooral de kathedraal van Chartres is krankzinnigmakend rijk aan ramen, je krijgt daar rust noch duur. Als je de becijferingen leest waar gidsen en reisleiders zo dol op zijn, zinkt de moed je in de schoenen. Op zevenentwintighonderd vierkante meter gebrandschilderd glas zijn twaalfduizend scènes te zien, en alle ramen zitten op hun oorspronkelijke plaats. Ik sla meteen als een dolle aan het rekenen. Aha, denk ik, twaalfduizend scènes? Eén minuut per scène, oké? Dat maakt dan tweehonderd uur, nietwaar - laten we zeggen acht etmalen. Hm, dat worden dus vierentwintig werkdagen.

Maar in Rouen kan het gebeuren – je hebt de kathedraal al achter de kiezen, en nog een paar kerken, en het museum – dat het tot je doordringt dat zich daar in die affreus lelijke nieuwbouw op de Vieux Marché de Eglise Sainte-Jeanne d’Arc bevindt. Een monster, waarvoor je je al de bijnaam ’De Krokodil’ had bedacht. Wat blijkt nu? Dat deze kerk uit de jaren tachtig van de vorige eeuw, op het plein waar Jeanne d’Arc op de brandstapel gezet is, de gebrandschilderde ramen herbergt van een in 1944 weggebombardeerde kerk.

Die kerk, de Saint-Vincent, is dus verdwenen. Maar de ramen van het koor werden in 1939 in veiligheid gebracht door de Service des Monuments Historiques (die op meerdere plaatsen preventief reddingswerk heeft verricht). Zulke dingen gebeurden gelukkig. Niet alleen in Frankrijk; de Goudse glazen hebben de oorlog doorstaan in een bunker in de duinen.

Om kort te gaan: de ramen van dit koor zijn overweldigend. Ze zijn dichtbij en op jouw hoogte. Ze zijn berekend op de aandacht die jij hebt. Je betrapte je al eens op de onwaardige gedachte: er zou een museum van het gebrandschilderde raam moeten zijn. Maar dit is een eerbetoon aan één van die talloze verwoeste kerken. Hier kun je op je dooie gemak een uur naar kijken. En dat is precies goed. Het zijn late, mooie ramen, al Renaissance, rond 1500 gemaakt door Arnoult de Nimègue. Een paar zijn er van de Franse meesters Engrand en Jean Le Prince, befaamd om hun glazen in Beauvais.

Het is moeilijk te zeggen waarom gebrandschilderde ramen nou zo verschrikkelijk mooi zijn – vooral de vroege, met hun beperkte aantal kleuren en hun betrekkelijk kleine stukken gekleurd glas, waaraan met slechts enkele penseelhalen een elementaire vaart is meegegeven.

Het gaat, per venster, toch altijd ook om het geheel. Het op zichzelf louter abstracte geheel met zijn indeling in bollen en ruiten en klavers. Het geheel met zijn weloverwogen kleurige afzoming. Daarna pas gaat het om de afzonderlijke grotere eenheid van een verhaal of een episode daarvan. Er wordt op meerdere manieren afgegrensd en ingedeeld, en die doen er allemaal toe.

Binnen dat grotere geheel wordt er, zou je kunnen zeggen, op twee manieren getekend. Allereerst met lood. Het lood is een integrerend bestanddeel van het raam. Het gezicht of de hand of het wiel van de wagen is aanvankelijk alleen een zorgvuldig uitgesneden stuk gekleurd glas, maar het zal begrensd worden door een loden lijn. Pas daarbinnen zal de brandschilder, met zwart of bruin, blikken van ogen, vallende plooien en andere bewegingen bewerkstelligen.

Nou ja, deze puzzel van het geheel en de delen, die soms iets van een mozaïek heeft, soms van een tapijt, soms van een geruisloos vuurwerk, dat is de kunst van het gebrandschilderde glas. Ik vrees dat het niet uit te leggen is aan wie niet al eens door de knieën is gegaan voor deze kunstvorm die zo subliem de doorlaatbare grens vormt tussen buiten en binnen, hoog en laag, de dag daar buiten en de schemering hier binnen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden