Noodtoestand in Turkije?

Steeds openlijker wordt betwijfeld of president Erdogan de situatie in zijn land nog meester is

MARIJN KRUK

Het leek een duivelse maar trefzekere strategie om de benodigde meerderheid van de conservatieve AK-partij alsnog veilig te stellen. De Turkse president Erdogan hoefde daarvoor alleen maar de strijd met de Koerden te heropenen. Maar het conflict tussen de Koerdische guerrilla PKK en het Turkse leger escaleert snel. In hoeverre is president Recep Tayyip Erdogan de situatie in zijn land nog meester ?

Zo'n honderd omgekomen Turkse soldaten en agenten, een onbekend aantal gedode PKK-strijders, tientallen burgerdoden, uitgebrande partijkantoren, vernielde winkels en krantenredacties. Dat is de voorzichtige balans van de deze zomer opgelaaide strijd. Die begon op 20 juli met een bomaanslag op een Koerdisch cultureel centrum in het stadje Suruç op de Turks-Syrische grens, waarbij 33 jonge activisten omkwamen en meer dan honderd gewonden vielen. De aanslag werd opgeëist door Islamitische Staat (IS). De Turkse regering veroordeelde de aanslag, maar binnen de Koerdische gemeenschap overheerste de woede. Ze verdenkt de regerende AK-partij van Erdogan al veel langer van steun aan jihadistische groepen in Syrië, waaronder IS.

Op 22 juli vermoordden PKK-strijders bij wijze van represaille twee Turkse politieagenten in het stadje Ceylanpilar. Erdogan greep het aan voor een grootscheepse campagne tegen PKK-kampen in Noord-Irak. Turkse jachtbommenwerpers voerden honderden missies uit boven het gebied. Deze week startte het leger een offensief in de zuidoostelijke stad Cizre, waarbij volgens persbureau Reuters zeker veertig mensen omkwamen, onder wie veel burgers. De stad is al dagen van de buitenwereld afgesneden.

Critici veroordelen de disproportionaliteit van de aanvallen en stellen dat ze politiek gemotiveerd zijn met het oog op nieuwe parlementsverkiezingen op 1 november.

De aanvallen zijn opmerkelijk vanwege de vredesbesprekingen tussen de Turkse staat en de PKK. Op 21 maart 2013 (Koerdisch nieuwjaar) verbaasde PKK-leider Abdullah Öcalan vriend en vijand door met zoveel woorden afstand te nemen van de gewapende strijd. De Koerdische identiteit was dankzij de gewapende strijd veiliggesteld, meende hij. Nu was het de beurt aan de politiek, doelend op de pro-Koerdische regenboogpartij HDP.

Maar van Turkse zijde lijken politieke belangen het uiteindelijk te hebben gewonnen van de bereidheid om tot een vredesakkoord te komen. Erdogan maakte er geen geheim van dat hij het bestaande parlementair stelsel graag wil omvormen naar een presidentieel bewind. Turkije behoeft een leider die past bij de hervonden economische macht. Daarop vooruitlopend liet Erdogan in Ankara een half miljard euro kostend paleis bouwen. Critici bestempelden dit als megalomanie en spraken van 'sultan Erdogan'.

Om een presidentieel stelsel te realiseren is een grondwetswijziging nodig en dit was de inzet van de parlementsverkiezingen van afgelopen juni. Veel hing af van de vraag of de HDP de kiesdrempel van 10 procent zou halen en, zo ja, of ze bereid was het spel van Erdogan mee te spelen, bijvoorbeeld in ruil voor meer Koerdische autonomie.

Deze vraag werd gedurende de campagne overigens al van tafel geveegd. Erdogan ontkende dat er een 'Koerdisch probleem' in Turkije was; Selahattin Dermitas, de co-voorzitter van de HDP, liet daarop weten tegen de voorgestelde grondwetswijziging te zullen stemmen.

Toen de HDP ruim 13 procent van de stemmen won leek daarmee de kous af. Erdogan had gegokt en verloren. Maar wie dacht dat de Turkse president zich daarbij neer zou leggen had buiten de waard gerekend. Politiek analisten in Turkije wijzen al langer op Erdogans legendarische trots en toenemende autoritarisme. Indien door de AK-partij geëntameerde coalitiebesprekingen binnen 45 dagen geen regering hadden opgeleverd zouden er nieuwe verkiezingen plaatsvinden.

Toen premier Ahmet Davutoglu, een politieke bondgenoot van Erdogan, half augustus bekendmaakte dat coalitiebesprekingen definitief mislukt waren verbaasde dat eigenlijk niemand. Nieuwe verkiezingen werden gezet op 1 november. Vliegtuigen van de Turkse luchtmacht bombardeerden toen al weken PKK-kampen in het Qandilgebergte in het noorden van Irak. Analisten zien deze aanvallen als een poging om een wig te drijven tussen Turkse en Koerdische kiezers met als doel de AK-partij alsnog aan de benodigde meerderheid te helpen.

Maar de situatie escaleert zo snel dat steeds openlijker gesproken wordt over invoering van de noodtoestand en uitstel van de verkiezingen. HDP-leider Demirtas riep op tot het hervatten van de vredesbesprekingen. "Vingers moeten van de trekker", zei hij. Erdogan beloofde van zijn kant te zullen doorvechten tot "er geen terrorist meer overeind staat."

undefined

Kans op burgeroorlog

Eerdere grootschalige conflicten tussen de PKK en de Turkse staat, zoals in de jaren negentig beperkten zich doorgaans tot Zuidoost-Turkije. Volgens een speciale bijlage van het Britse weekblad The Economist heeft de huidige strijd het potentieel om uit te groeien tot een burgeroorlog. Dit vanwege het feit dat Koerden afgelopen decennium massaal naar West-Turkije zijn verhuisd. Zo wonen er in Istanbul naar schatting drie miljoen Koerden. De afgelopen weken vielen nationalistische Turken hier Koerdische winkels aan. In Ankara ging het kantoor van de pro-Koerdische partij HDP in vlammen op.

undefined

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden