Essay

Nog voor zijn geboorte stond Jezus’ naam al vast: de redder. Arm kind

Beeld Illustratie: Jimmy Reinders, Trouw

Nog voor zijn geboorte stond Jezus’ naam al vast: de redder. Arm kind. Ben je je naam, of word je die?

Dat we op 25 december de geboorte van Jezus vieren weet, gelovig of niet, zo’n beetje iedereen. Dat hij zonder erfzonde is geconcipieerd weten we ook misschien, maar hoe dat in zijn werk ging…

Jozef en (de zelf ook, zo luidt het katholieke dogma, ‘onbevlekt ontvangen’) Maria zijn nog maar in ondertrouw als Maria zwanger blijkt te zijn. Jozef, die zich van geen kwaad (seks voor het huwelijk) bewust is, wil er stiekem tussenuit knijpen. “Hij wil haar niet te schande maken”, aldus Mattheüs. Daarop wordt hem in een droom een en ander door een engel uitgelegd. Josef heeft niets te vrezen want “wat in Maria is ontvangen kwam uit de Heilige Geest. Zij zal een zoon baren. Noem hem Jezus, want hij zal het volk bevrijden van hun zonde.” Pas als het kindje is gebaard mag en zal Jozef gemeenschap met de maagd Maria hebben.

Zo onbevlekt als Jezus ter wereld kwam, zo voorbestemd was zijn leven. Al bij de conceptie van zijn moeder stond vast wie hij moest zijn: een redder, zijn naam zei het al. Arme jongen.

Discutabele daad

Ook in het gewone leven zadelen we onze kinderen, nog voor hun geboorte, op met onze verwachtingen. We vernoemen hen naar pop-idolen, familieleden, helden of naar allebei. Met verbazing las ik het verhaal van Marjolijn van Heemstra, die haar zoon wilde vernoemen naar een oudoom die een verzetsheld zou zijn geweest. Hij had, na de oorlog, een verrader geliquideerd. 

Maar aangezien deze ‘verrader’ al voor de rechter was geweest én vrijgesproken, was hij geen verrader, en was de oom die voor eigen rechter speelde dus bepaald geen held. Sterker nog: Van Heemstra ontdekt dat bij de liquidatie meerdere onschuldige mensen het leven hebben gelaten, collateral damage, die ook de oom had kunnen voorzien. Toch houdt ze nog altijd de optie open haar kind naar hem te vernoemen.

Wat bezielt haar? Waarom in ‘s hemelsnaam zou je zelfs maar overwegen je zoon te belasten met een naam die een discutabele daad symboliseert? Waarom zou je een kind, nog voor het is geboren en aan zijn eigen verhaal beginnen kan, moedwillig willen opzadelen met het jouwe? Ongevraagd krijg je al genoeg bagage mee.

Onder het tapijt

Ik zal zo’n jaar of tien zijn geweest toen ik tegen mijn moeder zei dat ik later, als ik een zoon zou krijgen, hem Vincent noemen zou. Mijn moeder verstarde. Vincent, nee, dat moest ik niet doen. Er rustte een vloek op die naam. Mijn neefje Vincent was geboren met een open ruggetje. En ook met mijn broertje, dat ik nooit gekend had, was het slecht afgelopen. Zes weken na zijn geboorte was deze Vincent ‘gestikt in de lakentjes’, zoals dat toen heette. 

Of ik toen al wist dat er een jongetje was geweest dat aan de wiegedood gestorven was, kan ik niet met zekerheid zeggen. Misschien was ik nog onbevangen en wilde ik mijn kind niet naar dat broertje maar naar een andere Vincent (van Gogh?) vernoemen, en werd dat aanleiding voor mijn moeder om, bij hoge uitzondering, iets over dat broertje te vertellen.

Van een kind is het bij mij nooit gekomen. Al was het maar omdat ik mezelf lange tijd gewantrouwd heb. Ik was, als jongste van de drie meisjes die na Vincent kwamen, beland in een gezin waar conflict, frustratie, woede en verdriet routineus onder het tapijt werden geveegd. Van de weeromstuit trok ik overal het kleed omhoog, ook in mijn eigen ziel en kwam tot de conclusie dat ik door geschiedenis en genen te zwaar belast was voor een kind.

Yolanda EntiusBeeld Bart Grietens

Ik zou het in reactie op de kille armen van mijn moeder zo veel warmte geven dat het, gelijk mijn grote broer die het niet gered had, zou stikken - niet onder de lakens maar onder voorbedachte moederliefde. Of, en dat wil ik niet uitsluiten, ik zou met het krijgen van een kind steeds meer op mijn vader gaan lijken en me ontpoppen tot een tirannieke dwaas. Bovendien, en dat vond ik in al zijn irrationaliteit nog wel het ergste: ik zou een zoon krijgen, dat wist ik zeker.

In gedachte is die zoon Vincent blijven heten. Want het feit dat hij niet bestond en er ook nooit zou komen, maakte van mijn zoon een echte Vincent. Ik zou de zoon krijgen die mijn ouders ooit hadden verloren. En mijn vader zou hem verwennen zoals hij mij misschien verwend zou hebben als ik een jongen was geweest. Op zijn verjaardag kreeg Vincent een gemotoriseerde skelter van zijn opa. Ik zag mezelf ergens tegen een lantaarnpaal in een nieuwbouwstraatje staan. Opa trots, Vincent gelukkig en ik boos en jaloers: armen over elkaar, opgesloten in mijn eigen onvolwassenheid. L’histoire se répète in vele varianten. 

Eindeloos kon ik doorgaan met het verzinnen van doemscenario’s die allemaal wel ergens hout sneden. U begrijpt, bepaald onbevangen stond ik niet in het ouderschap en dat, vond ik, is wat je een kind moest gunnen.

Echo’s op de koelkast

Dit najaar vertelden Atse en Rosa me dat ze, na twee miskramen en een buitenbaarmoederlijke zwangerschap, een kind verwachtten. Bij de twaalfweken-echo was alles in orde; nu konden ze een zestienweken-echo laten maken om te zien of het een jongetje of meisje zou worden. Ze waren er nog niet uit: Rosa wilde het wel weten, Atse niet.

Op een druilerige avond spreek ik ze opnieuw. Rosa en Atse hebben niet alleen de zestienweken-echo achter de rug - Rosa heeft Atse overgehaald en nu weten ze wat voor geslacht het heeft. Er is niet alleen een zestienweken-echo gemaakt maar, juist vandaag, ook een twintigweken-echo (die is standaard: mocht een kind daarop ernstige afwijkingen vertonen, dan kan nog nét abortus worden overwogen; de grens daarvoor ligt op 24 weken). Opnieuw ziet het kindje er goed uit: het is voorzien van een complete set ledematen en organen; eigenlijk is het al zo goed als klaar, het hoeft alleen nog maar te groeien.

Omdat ik onbevangen aan dit gesprek wil beginnen hebben Rosa en Atse de echo’s die ze op de koelkast hadden hangen voor me weggehaald. Rosa vertelt me het verhaal van een vrouw die, aldus de verloskundige, het hele weekend heeft gehuild omdat ze zwanger bleek te zijn van een jongetje terwijl ze zo verlangde naar een meisje. Drieduizend euro had ze betaald aan een bedrijf dat gedrags- en dieetadviezen geeft om de kansen op het gewenste geslacht te verhogen: veel magnesium en calcium voor een meisje, ‘seks tijdens een kwart maan’ voor een jongen, om maar wat te noemen. 

Klanten bestaan, zo lees ik later op de website, onder andere uit echtparen die al twee kinderen van hetzelfde geslacht hebben. Mensen als mijn ouders dus. Had mijn moeder minder spinazie gegeten dan was ik een jongen geweest, inmiddels uitgegroeid tot een opgeruimde vent met een leuke dochter aan zijn zijde, met in haar buik een koter die zij Vincent noemen zal - weet zij veel.

Beeld Illustratie Jimmy Reinders

We zijn nog geen tien minuten in gesprek - we hebben het over de complicaties van vernoemen - of Atse verspreekt zich. ‘Als we een meisje hadden gehad, dan… “O, kut, nu weet je het!”

Het is dus een jongen, maar áls het een meisje was geweest, dan hadden ze haar naar de overleden moeder van Atse genoemd: Nicoline. Nu het een jongen is zou dat Nico worden, maar omdat opa Nico niet de leukste was thuis, gaat dat niet door.

Waarom eigenlijk wilde Atse het geslacht aanvankelijk niet weten? Je moet het lot niet willen tarten, en dat het een verrassing bleef zou de blijdschap bij de geboorte groter maken, dacht hij. Voor Rosa was het juist een ‘extra blijdschapsmoment’, hoewel ze - bekent ze eerlijk - héél even teleurgesteld was. Want ook al vermoedde ze dat het een jongetje was; ze had een lichte voorkeur voor een meisje. Dat leek haar leuk met ‘van die grappig roze glitterkleertjes’. Maar het schijnt dat jongens juist ‘superknuffelig’ zijn en nu verheugt ze zich op hem.

Voor Atse maakte het echt niet uit. Wél kon hij, toen hij eenmaal wist dat het een jongen was, zich er voor het eerst iets bij voorstellen. Hij zag zichzelf samen met zijn zoon met lego spelen, of met een bal in de tuin. Ja, hij beseft hoe ‘seksistisch’ dat is, maar zo ging het wel. In feite heeft dat jongensbeeld van lego, bal en ‘superknuffelig’ hun houding veranderd, nu al, en wordt zijn identiteit, nog voor hij is geboren, ingevuld. Hij wordt concreet. Paradoxaal genoeg wordt ‘hij pas echt een mens omdat je weet wat voor geslacht hij heeft’.

Beeldvorming

Niet alleen bij hen, maar ook bij vrienden komt de beeldvorming op gang. Rosa laat me een stoer boxpakje zien dat ze heeft gekregen van een bevriende moeder van een babymeisje, dat daarin net een jongen leek. Het sluitstuk op dit prenatale projectieproces is een naam. Hét kind wordt een jongetje, en het jongetje wordt Hans, Adolf, Ziggy, Mohammed of Anne. Dat is een grote verantwoordelijkheid want het legt heel veel vast. Je kijkt nou eenmaal anders naar een Noortje dan naar een IJsbrand.

Volledig onbevangen ben je nooit uiteraard - als baby niet, als ouder niet - maar zelf zou ik er de voorkeur aan geven om, volgens Joodse traditie, te wachten met een naam totdat het kind geboren is, om hem of haar de kans te geven jou vóór te zijn. Dat je haar ziet en weet: dit is Yolanda. Of ik het wás, of zo werd gemaakt, zal ik nooit weten. Maar nu ben ik het: Yolanda. Tenminste…

Op de middelbare school werd ik verliefd op ene Hans. Hij was de eerste die me Yol ging noemen. Ik voelde me gevleid door die naam, of beter nog: gezien (misschien dat de vonk daarom oversprong destijds, bij mij dan). Jarenlang heb ik die naam gekoesterd, maar de laatste tijd is daar de klad in gekomen. Ook vreemden en kennissen gebruiken hem, zelfs mensen die me vijandig gezind zijn. En ook al onderteken ik consequent mijn mails aan hen met Yolanda; blind en doof als ze zijn, blijven ze me Yol noemen, de naam die nou juist van vriendschap moet getuigen.

“Niet voor niets staat er in de geboden: gij zult u geen beeld maken!” zegt Julika in ‘Stiller’ van Max Frisch. “Ieder beeld is een zonde. Het is precies het tegenovergestelde van liefde. Als je van iemand houdt dan laat je toch alle mogelijkheden voor hem open en ben je ondanks alle herinneringen gewoon bereid om je te verbazen, je steeds weer te verbazen, hoe anders hij is, hoe verschillend en niet alleen maar zo.”

Yolanda Entius (57) is literatuurrecensent voor Trouw en schrijver. Haar jongste boek is ‘Het verhaal van Benito Benin en dat van Fanny’.

Lees ook:

‘Het kerstverhaal is heel maatschappij-kritisch’

Waarom as­so­ciëren we Kerstmis met gezelligheid, terwijl de Bijbel verhaalt over politieke onrust? ‘Demonstreren ligt meer voor de hand dan tafelen.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden