Nog even in het Hooge Venterink

Het was maar een klein stukje bos, je liep er in een kwartiertje doorheen en vanuit het midden kon je al bijna de rand zien, met woningen van de aangrenzende wijk die tussen de stammen door schemerden.

Maar toch wil ik er, in dit verslag, nog even blijven hangen. In dit bos. Gisteren schreef ik dat het het Hoge Venterink heette, maar eigenlijk heet het het Hooge Venterink met twee o's, vernoemd naar een naburig erf. En dat is ook mooier.

De beheerder van Natuurmonumenten, die eigenaar is van dit perceel, had me hier naartoe gebracht omdat het bos dreigde te moeten verdwijnen; het lag op iets te grote hoogte onder de aanvliegroute voor het vliegveld Twente.

Het was maar klein, dat Hooge Venterink, en door wegen omgeven, een tuinderij met kassen aan de ene kant, een Oldenzaalse woonwijk aan de andere. De buurt liet er zijn honden in uit, de jeugd crosste er op all terrain bikes over de paadjes. Een bosje van niks. Waar maakte Natuurmonumenten zich druk om?

De beheerder liep voor me uit en stopte bij een stam, die hij geloof ik een schoot noemde. Hij wees op jonge loten die uit de oude wortelstam opkwamen. Winterlinde. Een tamelijk zeldzame boom, die hier van oudsher voorkwam en sedertdien bewaard bleef; dit luttele stukje bos was, zo drong tot me door, de rest van wat al honderden jaren een bos was.

Het was als het ware een openluchtmuseum. Ik dacht aan de naam Natuurmonumenten. Als de natuur ergens de status van monument verdiende dan misschien hier. Want naast de winterlinden zaten hier nog spaanse aken in de oude grond, en ruwe iepen, met bulten op hun stam. En er groeiden tweestijlige meidoorns, en de zoete kers en de mispel. Als steden historische binnenkernen kenden, dan was dit de historische kern van een bos, waarvan het bestaan al gedocumenteerd werd in een zogenaamd markeboek van 1679.

Zo liep ik achter de beheerder aan, alsof ik een historisch gebied betrad dat er niet zo uit zag als in 1679, want daarvoor was het te veel gebruikt, was er gekapt bos geweest en weer opgaand. Maar inheemse boomsoorten en planten in de ondergroei hadden de eeuwen getrotseerd. In de laatste eeuw had Staatsbosbeheer nog beuken en essen geplant, dicht naast elkaar, zodat de beuken met hun schaduwrijk gebladerte de essen in mooie rechte stammen zouden doen groeien. Maar sinds de jaren zeventig was er weinig bosbeheer meer geweest en dat zag je hier en daar terug in de woekering van de bramen.

We staken een beekje over, dat hier ontsprong, het had zich een geul door de bosgrond gegraven, langs een oude stuwwal. De boskern schikte zich om een beekdal. Twee kinderen passeerden ons, hun terreinfietsjes aan de hand. Ik keek langs een oude beuk omhoog, en zag een hemel door talloze stammen geschraagd. De hemel waardoorheen die vliegtuigen moesten vliegen.

Ik heb geen bijzondere liefde voor bossen in het algemeen, ze zijn me te dicht en te donker. Maar zulke oude gronden, hun leem-, struik- en kruidlagen en hun stil geboomte, dat zijn de klassieke tempels van de natuur.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden