Review

Nog eentje, tegen de maden!

Was het in de jaren zestig nog modieus om wiet te roken, tegenwoordig loopt de tolerantie voor drugs en alcoholgebruik snel terug. Toch blijven schrijvers zich er aan laven. Waarom eigenlijk, vraagt Rob Schouten na het lezen van de bloemlezing ’Roes’?

Hele bibliotheken zijn er vol geschreven over het verband tussen roes en inspiratie, het gebruik van hallucinerende middelen en creativiteit. Wie onlangs filosoof Yoram Stein bij Pauw (minus Witteman) hoorde praten over zijn boek ’Stoppen met blowen’, heftig toegeknikt door die andere gast André Rouvoet, zou menen dat zelfs soft drugs de mens op het verkeerde spoor zetten. Toch leert de kunst anders. De kleurigste verhalen en gedichten zijn geschreven onder invloed van of na het gebruik van alcohol en drugs. En niet alleen door notoire roeskanonnen als Baudelaire, Rimbaud, Allen Ginsberg, Jack Kerouac of bij ons Simon Vinkenoog, maar ook door schrijvers met een ogenschijnlijk bedaarder leven, zoals Heinrich Heine en Jules Verne. Naar verluidt zijn zelfs in de pijp van Shakespeare sporen van cocaïne aangetroffen.

Bij zoveel door roes opgewekte kunst is het geen wonder dat sommigen het belang van hallucinerende middelen voor de mensheid tot een soort religie hebben verheven. Volgens de filosoof Terence McKenna zou het bewustzijn van de vroegste mens zelfs ontstaan zijn door het opsnuiven van hallucinogene planten op de oervlakten, en de dissidente oriëntalist John Allegro identificeerde de Joden en christenen uit de Bijbel als verslaafde paddestoeleters. Iets concreter, in de aarde rond Delphi, waar het orakel zetelde, zijn sporen van ethyleen, een hallucinogeen gas, aangetroffen.

Mooie verhalen en theorieën. Neemt natuurlijk niet weg dat de meeste drugsgebruikers nooit inspirerende sjamanistische reizen hebben ondernomen die ze later op papier wisten te zetten, maar gewoon een aangenaam of soms onaangenaam genotsmiddel consumeerden, terwijl de uitgemergelde junks overal op aarde de andere kant van het roes-inspiratieverhaal vertellen.

Tot diep in de negentiende eeuw werd alcohol- en drugsverslaving overigens helemaal niet als een ziekte gezien. Wie klassieke boeken als ’Les paradis artificiels’ van Baudelaire of ’Confessions of an English Opium-Eater’ van Thomas de Quincey leest, moet zich realiseren dat er in hun tijd nog geen taboe op bijvoorbeeld het gebruik van hasjiesj en opium bestond, het waren vaak nog letterlijk ’medicijnen’. En al moedigde de kerk en de staat dronkenschap en andere onmatigheid niet aan, de dronkemansverhalen van bijvoorbeeld Rabelais of de zuipgedichten van Bredero werden met smaak gelezen. ’Wees altijd dronken’, schreef Baudelaire op 7 februari 1864 in de Figaro, het dagblad van de deugdzame bourgeoisie. En waarom altijd dronken? „Dat is alles, het enige wat ertoe doet. Om niet de helse last te voelen van de Tijd, die je schouders breekt en je naar de aarde drukt, moet je je onophoudelijk bedrinken.”

In 1905 vermoordde in Zwitserland een zekere Lanfray zijn vrouw en zijn twee dochters. Anti-absintlobbyisten zagen hun kans schoon, Lanfray, een alcoholist die dagelijks tegen de vijf liter alcohol dronk, had immers voorafgaand aan zijn daad, twee glazen absint genuttigd. Een paar dagen later vermoordde een andere Zwitser, ook weer onder invloed van absint, zijn vrouw met een hakbijl. Het was de aanleiding tot een absintverbod, eerst in België, daarna in Nederland en Zwitserland, vervolgens in Amerika. Het begin ook van andere alcohol- en drugsverboden.

Pas in 2005 werd in Nederland het verbod op absint, bijgenaamd de groene fee, weer opgeheven. In de praktijk was het al her en der te krijgen – zelf bracht ik in de jaren tachtig een fles absinto mee uit Portugal.

Een van de prominente Nederlanders die sindsdien regelmatig met het befaamde goedje van de romantische dichters en schilders werden aangetroffen, was de schrijver Hafid Bouazza. Hij stelde onlangs (samen met Yves van Kempen) een boek samen, ’Roes’ geheten, waarin hij allerlei gedichten, verhalen en essays uit de wereldliteratuur over alcohol- of drugsverslaving opnam. Het is een heel persoonlijke keuze geworden, Bouazza’s Bijbel der Bedwelming.

Beschrijvingen van roesmomenten zijn niets nieuws. In antieke tijden riep Euripides ze op in zijn ’Bacchanten’, in de middeleeuwse ’Carmina Burana’ worden de vrolijke drinkers in het zonnetje gezet, Arthur Rimbaud had het in de negentiende eeuw over ontregeling van alle zintuigen, Walter Benjamin beschreef hoe hij in Marseille hasjiesj gebruikt, de (toevallige) uitvinder van LSD, de Zwitser Albert Hoffmann, hield nauwkeurig bij wat hij die eerste keer meemaakte, Simon Vinkenoog beschreef een trip. Je vindt ze allemaal in deze bloemlezing maar de meest bijzondere aanwezigen zijn toch de tientallen schrijvers uit de Arabische wereld, waarin Bouazza als geen ander is ingevoerd. Bouazza, liefhebber van Geerten Gossaert, voert een opmerkelijk klassieke pen in zijn vertalingen, bijvoorbeeld die van Abu Nuwas (ca.746-815):

Mijn verwijter om wijn: ik zal u geen voldoening schenken

Het is waanzin te berispen wie ongehoorzaamt uw wenken

Noem niet de wijn bij naam als u om haar verwijten maakt

Want dan zult u haar schone naam met uw mond krenken

En schenk ons in o onze schenkers twee: een gerijpte wijn

Dochter van tien jaren waarin u gesmolten goud meent te zien

Als het water haar besprengt dan meent u in haar

Parels aaneengeregen te zien op parels boven dien

Een constante factor in de zoektocht naar roes is het gevoel van bevrijding dat schrijvers ervaren, net als ’gewone’ gebruikers allicht, maar deze ervaringsdeskundigen berichten er na afloop expliciet en bloemrijk over. Bevrijding vooral van tijd, tijdelijkheid, dood. Wat dat betreft is de roes een passende evenknie van het schrijven zelf, en daarom zochten juist zoveel schrijvers hem. Beide bieden voorproefjes van eeuwigheid: wie schrijft blijft en wie gebruikt ook (even).

Gottfried Benn beschreef de sensatie nog één keer het grauwe leven te overstijgen:

Nacht, ik nam al cocaïne,

en het bloed verspreidt zich nu in mij,

mijn haar wordt grijs, de jaren vliegen,

ik moet, ik moet in overdaad

nog eenmaal voor ik weg ben bloeien.

De schrijver Allard Schröder heft het glas graag met de mededeling: ’Nog eentje, tegen de maden’, en Henri Michaux, voor mijn gevoel een van de meest uitgesproken en bewuste roeszoekers, schreef: „Dat is de reden waarom hij zijn onthouding verbreekt; omdat hij de Tijd niet kan verdragen.”

Simon Vinkenoog verwoordde het loskomen van tijd en lichamelijkheid op een andere manier in zijn verslag van een lsd-trip:

Ik ben langzaam gestorven.

Een onmetelijke verveling heeft bezit van mijn ledematen genomen; nauwelijks trager dan mijn alweer allang overtuigde zintuigen heb ik vergeefs de aanval op mijn bloedsomloop, stofwisseling en zenuwstelsel afgeslagen.

Ik ben dood, het leven was een belachelijke en nutteloze verdediging. Omlaagziend, hoofd in handen, een vreemd en onherbergzaam stoffelijk overschot. Als ik opkijk buiten mij de wereld. Alleen; ik ben er niet.

De vraag is natuurlijk waarom je bij zoveel wereldonthechting dan toch nog wilt scheppen, schrijven. Slechts een enkeling (Michaux: ’Het is scheppen wat ik wil!’) heeft het erover. De meeste anderen geven zich over aan de roes en zien wel wat ervan komt, zoals de hasjiesjeter uit ’Duizend en één nacht’, die zonder enig decorum bedwelmd op straat is beland en wordt uitgelachen door de omstanders: „Zij sloegen hem totdat zijn rug rood zag, terwijl hij honger had, maar hij had de smaak van het geluk geproefd in zijn droomslaap.” Naar die smaak van geluk, dat doden van de tijd, is het gros van de hier verzamelde schrijvers met meer of minder succes maar altijd hartstochtelijk op zoek.

Wat moet je in onze nuchtere tijden, waarin iedereen genoeg lijkt te hebben van het oude gedogen, met zo’n ode aan roesmiddelen, die even makkelijk gebruikers verderven als kunstenaars inspireren? Mijn gevoel zegt me om het, naast bijvoorbeeld ongebreidelde seksualiteit of gevaarlijk leven, vooral te zien als een van de onmatigheden die een verstandige maatschappij gispt maar die intussen soms grote kunst voortbrengen. Het creatieve verlangen om grenzen te overschrijden is nu eenmaal tijdloos, wat de oppositie ook tegensputtert.

Het verdient overigens geen aanbeveling al deze stukken achter elkaar te lezen. Zoveel literaire roes in geconcentreerde vorm kan een lezer niet verdragen en eerlijk gezegd gaan al die extatische en ontregelende ervaringen op den duur ook wel enigszins vervelen, net zoals bijvoorbeeld de Kamasoetra verveelt. Wat dat betreft geldt voor deze bloemlezing hetzelfde als voor haar onderwerp: met terughoudendheid consumeren!

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden