Nog altijd veel vragen open over bloedbesmetting/Bloed

In Groningen eist hemofilie-patiënt Wieger Koop een schadevergoeding van bijna een half miljoen gulden van het Academisch Ziekenhuis of de regionale bloedbank. Koop is via plasmapreparaten met aids besmet op een tijdstip dat dit volgens hem te vermijden was. Binnenkort begint de rechtbank met de behandeling van zijn zaak. Daarbij gaat het in eerste instantie om de vraag of ziekenhuis, bloedbank of farmaceutische industrie aansprakelijk zijn. Op de achtergrond spelen echter ook vragen over de rol van de bloedbank en de controle daarop door ministerie en inspectie.

Wieger Koop (26) komt uit een familie waarin ten minste twaalf mensen bekend zijn met hemofilie. Van hen zijn drie besmet met aids, onder wie Wieger zelf.

Hemofilie is een erfelijke afwijking in de bloedstolling. Als bloedingen in gewrichten en spieren niet tijdig worden behandeld met stollingspreparaten, ontstaat blijvende schade. Die preparaten worden gemaakt uit het plasma van donoren. Als één donor besmet is met aids (of hepatitis), is de hele pool besmet. Daardoor zijn begin jaren tachtig wereldwijd tienduizenden hemofilie-patiënten besmet met aids.

Pas toen er een test kwam om donorbloed te screenen en verhitting van plasmapreparaten effectief bleek, konden nieuwe besmettingen worden voorkomen. Maar toen waren in Nederland al 170 van de 1300 patiënten besmet. Een ramp die niemand had kunnen voorkomen.

Toen geleidelijk meer bekend werd over de gang van zaken, bleken er wel fouten te zijn gemaakt. De Nationale Ombudsman stelde vast dat de overheid in de periode 1985-1987 meer had kunnen doen om het risico in te dammen. Niet-verhitte preparaten hadden eerder uit de roulatie genomen moeten worden. Op basis van dat rapport besloot minister Borst besmette hemofilie-patiënten een schadevergoeding van twee ton uit te keren. Ook aan Wieger Koop.

Toch bleef Koop over één ding piekeren. Hoe kon het dat hij nog in de periode 1985-1986 besmet was geraakt, terwijl het ziekenhuis in Groningen al in 1983 - heel principieel - was overgeschakeld op hitte-behandelde producten. Dus ging hij op zoek naar zijn medisch dossier. Maar juist de productgegevens van de cruciale periode ontbraken. Koop kreeg daardoor argwaan. De Nederlandse Vereniging van Hemofilie Patiënten had immers via een stuitingsprocedure twee maal, in 1992 en 1997, laten vastleggen dat eventuele geschillen betreffende de behandeling niet zouden verjaren. En dus wist ieder ziekenhuis dat de dossiers bewaard moesten blijven. Toch werd in Groningen een deel van het archief geschoond.

Koop spande een kort geding aan, maar de rechtbank besliste dat ziekenhuis en bloedbank niet verplicht konden worden iets te geven wat ze niet meer hadden. Daarop wendde Koop zich tot minister Borst van volksgezondheid. Zij ontving hem en gelastte een onderzoek door de hoofdinspectie. Twee maanden later lag er een rapport. Conclusie: de medische gegevens hadden niet vernietigd mogen worden.

Tegelijk stelde hoofdinspecteur J. de Koning vast dat niet meer was na te gaan waardoor Koop was besmet. Hij was meestal behandeld met stollingspreparaten van de Amerikaanse firma Baxter. Daarvan waren na 1983 geen besmettingen bekend. Mogelijk had hij soms producten van Armour gekregen, ook een Amerikaans bedrijf. Maar dat viel niet te bewijzen.

Er was ook nog een derde mogelijkheid: dat Koop ook was behandeld met het experimentele, aanvankelijk niet-verhitte stollingspreparaat dat was ontwikkeld door bloedbankdirecteur C. Th. Smit Sibinga. Maar dat achtte de hoofdinspecteur onwaarschijnlijk. Dit product was volgens het ziekenhuis slechts aan enkele patiënten verstrekt en Koop hoorde daar niet bij.

Uit het rapport van de hoofdinspectie wordt dus niet duidelijk wat de werkelijke oorzaak was van Wiegers besmetting. Dat is ook moeilijk na te gaan bij patiënten die met meer dan een product zijn behandeld. En dus zou Koop zich moeten neerleggen bij het feit dat hij was besmet op onbekende wijze - tragisch, maar onontkoombaar.

Maar Wieger Koop en zijn levenspartner Richard Bos (zelf ook besmet, maar niet via bloed) vechten door. Eind vorig jaar begon Koop een bodemprocedure tegen het academisch ziekenhuis en de stichting Sanquin Bloedvoorziening (waaronder de bloedbank Noord-Nederland nu valt). Hij verwijt ziekenhuis en bloedbank onzorgvuldig handelen. Koop schat de schade op 450 000 gulden en eist een voorschot van drie ton.

Niet alleen het ziekenhuis en de stichting Sanquin vrezen een olievlekwerking als deze eis wordt ingewilligd, ook de farmaceutische industrie volgt de zaak nauwlettend. Als Koop in het gelijk wordt gesteld, zullen in Nederland en elders vele claims volgen. Dat kan honderden miljoenen kosten.

De plasmaproducenten onderhandelen in Nederland wel over een afkoopsom voor alle besmette patiënten, maar daarover is nog geen akkoord bereikt. Of de eis van Koop gerechtvaardigd is, moet de rechter uitmaken. Maar daarnaast stelt Koop ook vragen ten aanzien van de rol van de directeur van de bloedbank. Die vragen blijven ook na het rapport van de inspectie onbeantwoord. Daarom lijkt nader onderzoek gewenst.

De eerste vraag betreft de rol van bloedbank-directeur C. Th. Smit Sibinga bij de levering van buitenlandse plasmapreparaten. Deze begon daarmee in 1978, toen dat wettelijk nog verboden was. Toen er later wel een importvergunning was, bleef het merkwaardig dat hij als directeur van een bloedbank van het Rode Kruis als tussenpersoon optrad. De bloedbank was immers een non-profit organisatie die zelf bloedplasma inzamelde en daarvan preparaten liet maken door het Centraal Laboratorium in Amsterdam. In de loop der jaren heeft de Groningse bloedbankdirecteur voor miljoenen guldens aan buitenlandse producten ingekocht. Daartoe onderhield hij nauwe relaties met de industrie. Deze sponsorde de jaarlijkse congressen die hij organiseerde, reizen die hij maakte en ook activiteiten voor patiënten. Hoe de bloedbank onderhandelde over kortingen of bonussen, is onbekend. De vraag is waarom de levering niet liep via de apotheek van het ziekenhuis.

Een tweede kwestie betreft de Amerikaanse firma Armour (nu Centeon). Smit Sibinga leverde producten van Armour die niet altijd via de geldende voorschriften waren vrijgegeven door de bevoegde autoriteiten. Zeker na 1985 was dat onbegrijpelijk. De voorkeur voor Armour-producten is ook merkwaardig in het licht van de vele problemen die de fabriek heeft gehad met de virus-inactivatie. In de periode 1985 tot 1988 raakten verschillende patiënten, zowel in Nederland als in andere landen, besmet door onvoldoende verhitte Armour-producten. Ondanks waarschuwingen ging Groningen (net als andere centra) nog een tijd door met het gebruik van deze preparaten. Ook nu nog heeft Armour problemen: sinds 1995 weigert de Amerikaanse inspectie (FDA) de productiewijze goed te keuren.

Ten slotte rijzen er vragen rondom het door Smit Sibinga ontwikkelde stollingsproduct. Het aanvankelijk niet verhitte product werd toegediend, ook toen al bekend was dat verhitting noodzakelijk was. En toen het product wel werd verhit, bleven deskundigen van onder andere het Rijksinstituut voor de Volksgezondheid het experiment ontraden, onder meer omdat er heparine-resten in het eindproduct konden achterblijven die een ontstollend effect hadden. De afdeling Interne Geneeskunde in Groningen stopte daarom met het experiment. Maar Smit Sibinga ging er nog jaren mee door, onder meer via de kinderkliniek. De vraag is waarom inspectie of ministerie niet eerder ingegrepen hebben. Zij waren op de hoogte van het feit dat Smit Sibinga diverse malen voorschriften en adviezen in de wind sloeg. Vooral vanuit het Rijksinstituut voor de volksgezondheid is meermalen gewaarschuwd, tot op het hoogste politieke niveau. Maar er werd niet ingegrepen. Al deze vragen vergen nader onderzoek.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden