’Noem maar op en het is kwijt’

Op Gedichtendag bereikt de poëzie 500.000 tot een miljoen mensen. Een ode aan het verloren voorwerp was een van de 400 activiteiten.

Het verschil tussen een gevonden voorwerp en een museumstuk is niet meer dan een gepoetste vitrinekast, en vooruit, nog een spotje, een donker tapijt en een glimmend hekje. „Je moet net even anders naar de dingen kijken”, zegt Wim T. Schippers, „iets wat ik mijn hele leven al doe.”

Twaalf dichters bezochten het Centraal Bureau Gevonden Voorwerpen van de NS, om over één voorwerp een gedicht te maken. In de hal van Utrecht Centraal dragen ze het voor, soms onderbroken door de concurrerende omroepberichten. Ook geven ze hun object onderdak in het ’Museum van de Poëzie’, zoals presentator Matthijs van Nieuwkerk het liefdevol en in hoofdletters doopt.

Leer een gedicht uit je hoofd tot het ’als een melodietje in je kop zit’, verlangt hij verder op dwingende toon van het publiek, dat gekleurde ansichtkaarten met gedichten verzamelt alsof het een openbaar kwartetspel is. Op Gedichtendag, gisteren, bereikt de poëzie 500.000 tot een miljoen mensen, zegt organisator Poetry International. Die kopen de volgende dag niet allemaal een bundel, maar enthousiasme is er zeker.

Bij zijn duik in het depot verbaasde K. Schippers zich over de enorme variatie: badmatten, dassen, borstprotheses. „Noem maar op en het is kwijt.” Niet zo vreemd ook, blijkt wel als hij een gedicht van Vaandrager citeert: ’Als je het bij je hebt / kun je het ook kwijtraken.’ Schippers heeft dat met sjaals en paraplu’s.

Het is een misverstand dat gevonden voorwerpen altijd verloren voorwerpen zijn. Ingmar Heytze voelde achterdocht toen hij ouderwetse bokshandschoenen aantrof in het depot. „Dit is geen kwijtraken, dit is bewust laten liggen!” Hij zag een teleurgestelde bokser voor zich, voelde het drama van de verloren partij en dichtte over springtouw, glimmend rood gelakte pumps en het slipje van de rondemiss.

Verwonderde iedereen zich over de gevonden rechterbeenprothese met schoen en sok waarover Bernard Wesseling dicht, depotbeheerder Willem Huitema verklapt na afloop dat die door een boze klant is achtergelaten. „Hij legde het been op de balie en verdween in zijn rolstoel.” De man was ontevreden over de dienstverlening. Huitema verbaast zich nergens meer over: „Ik heb alles al meegemaakt.” Wel begrijpt hij dat dichters grote ogen opzetten toen hij ze rondleidde. Al gold dat niet voor iedereen. Een sok was ’het enige’ dat Neeltje Maria Min leuk vond. Wim T. Schippers vond ’helemaal niks’, en bewerkte een oud liedje over een lampje uit ’Ron Flon Flon’ tot een gedicht. ’Marieke praat ’s avonds tegen een lampje’, als verwijzing naar ’Marc groet ’s morgens de dingen’ van Paul van Ostaijen. Gedichtendag ging dit jaar over ’dingen’, een thema waarmee Schippers wel iets kon, zegt hij. „De mens heeft zoveel dingen. De kat heeft niks, die wordt wakker, likt zich een beetje en kijkt uit het raam, geeneens een jas om aan te trekken. Vooruit, het prieelvogeltje heeft veel spullen, maar dat dient de voortplanting, om met zijn prachtige nestje op te scheppen tegenover z’n vriendinnetje. Maar dan de mens, het Spullenbeest, kijk eens wat in zijn huis ligt opgeslagen, dat is toch ongelofelijk.”

Al staan de twaalf voorwerpen nu in een poëziemuseum, ze blijven verloren. Rick de Leeuw hoopt dat de eigenaar van de knuffel die hij uitkoos met zijn moeder langs de vitrine zal wandelen. „De kreet die dat jongetje dan uitstoot, zal ons de naam van het hondje leren.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden