Nobelprijs economie voor het eerst naar vrouw

(AP) Beeld
(AP)

De Nobelprijs voor economie 2009 is maandag toegekend aan Elinor Ostrom en Oliver Williamson, beiden uit de Verenigde Staten. Ostrom is de eerste vrouw die de prijs wint sinds deze in 1968 werd ingesteld. De Zweedse Academie van Wetenschappen zei dat de twee worden onderscheiden voor hun analyses van economisch bestuur.

Ostrom (1933) heeft volgens de Academie getoond hoe gemeenschappelijk bezit met succes kan worden beheerd door gebruikersgroepen, zoals visgronden, weidegronden, bossen, meren en grondwatervoorraden. Haar werk heeft geleid tot inzicht in de onderliggende mechanismes voor samenwerking tussen groepen mensen.

Vaak wordt gesuggereerd dat gemeenschappelijk bezit leidt tot overmatig gebruik en dat dit gebruik kan worden teruggedrongen door overheidsregulering of privatisering. De achterliggende gedachte is dat iedere gebruiker zijn eigen baten tegen zijn eigen kosten afweegt en daarbij de nadelen voor anderen negeert.

Ostrom heeft volgens de Academie echter bij onderzoek van het beheer van natuurlijke hulpbronnen vastgesteld dat zulk gemeenschappelijk bezit dikwijls verrassend goed beheerd wordt en dat het gangbare theoretische argument tegen gemeenschappelijk bezit te simplistisch is. Groepen gebruikers blijken juist vaak zelf regels tegen overexploitatie op te stellen, en daardoor ook beter na te leven. Het standaardargument gaat ook voorbij aan de praktische problemen die met privatisering over overheidsregulering geassocieerd worden.

Williamson (1933) voert aan dat markten en hiërarchische organisaties zoals bedrijven, maar ook verenigingen of zelfs huishoudens, alternatieve bestuursstructuren vertegenwoordigen, die verschillen in de manier waarop ze belangenconflicten oplossen.

Het nadeel van markten is dat er dikwijls wordt gesteggeld en dat er vaak een hoop geharrewar aan vooraf gaat voordat de partijen tot overeenstemming komen, terwijl het resultaat niet altijd efficiënt is. In een hiërarchische organisatie worden knopen sneller doorgehakt, maar hier bestaat het gevaar dat autoriteit misbruikt kan worden.

Competitieve markten werken relatief goed doordat kopers en verkopers zich als ze het niet eens kunnen worden tot andere partners kunnen wenden. Maar als de concurrentie beperkt is, zijn bedrijven geschikter om conflicten op te lossen dan markten. Welke methode beter is, hangt volgens Williamson af van twee factoren.

De eerste is dat het niet nodig is conflicten te kunnen oplossen die zich nooit voordoen. Als het eenvoudig en goedkoop is om toekomstige transacties te reguleren door middel van een contract is het niet nodig daarvoor een bedrijf op te richten. Dus hoeven er geen bedrijven te worden gevormd, tenzij er beperkingen zijn om contracten aan te gaan.

De tweede factor is dat het niet nodig is om conflicten te kunnen oplossen als onenigheid niets kost. Als koper en verkoper makkelijk een geschikte andere partij kunnen vinden om zaken te doen, is een bedrijf eveneens overbodig.

Anders gezegd verwacht Williamson dat hiërarchische organisaties ontstaan wanneer transacties complex of niet-standaard zijn en wanneer partijen van elkaar afhankelijk zijn. Dit laatste is het geval als partijen iets bezitten, fysiek bezit of kennis, dat alleen van waarde is binnen een relatie.

Zo hangt de waarde van een kolenmijn waarvan de eigenaar het niet eens kan worden met die van een nabijgelegen elektriciteitscentrale af van de afstand tot de dichtstbijzijnde andere elektriciteitscentrale, of andersom die van de elektriciteitscentrale tot de dichtstbijzijnde andere kolenmijn. Hoe groter die afstand, des te groter de wederzijdse afhankelijkheid en volgens de theorie van Williamson de kans dat de naast elkaar gelegen mijn en elektriciteitscentrale tot één bedrijf behoren.

Grote particuliere ondernemingen ontlenen hun bestaan volgens Williamson voornamelijk aan het feit dat ze efficiënt zijn. Eigenaren, personeel, leveranciers en klanten zijn beter af dan wanneer ze allemaal aparte afspraken moeten maken. Als die efficiëntievoordelen uitblijven, kan het bestaansrecht van bedrijven in twijfel worden getrokken.

Een nadeel is dat grote ondernemingen hun macht kunnen misbruiken, bijvoorbeeld door ongewenst politiek lobbyen of anti-concurrerend gedrag. Het is volgens Williamson beter zulk gedrag rechtstreeks aan te pakken, dan te proberen de omvang van ondernemingen te beperken.

De economieprijs is de laatste Nobelprijs die dit jaar is vergeven. Het is de enige prijs die niet door de naamgever Alfred Nobel zelf is ingesteld, maar later door de Zweedse centrale bank in het leven werd geroepen.

Aan elke Nobelprijs is een bedrag van tien miljoen kroon (iets minder dan een miljoen euro) verbonden. De prijs wordt op 10 december in Stockholm uitgereikt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden