Nijmeegse genetici ontdekken oorzaak van de ziekte van Steinert

Van een onzer verslaggevers AMSTERDAM - Onderzoekers van de universiteit Nijmegen en het St Radboudziekenhuis hebben, samen met vakgenoten uit het buitenland, de genetische achtergrond opgehelderd van de ziekte van Steinert.

Aan deze spierziekte - ook myotone dystrofie genoemd - lijdt een op de 8 000 mensen. Onder volwassenen is het de meest voorkomende spierdystrofie. De ontdekking van het genetisch defect wordt vandaag gemeld in het vakblad Nature.

Opsporing van het verminkte gen betekent geenszins dat op korte termijn een therapie voor de ziekte van Steinert kan worden ontwikkeld. Weliswaar slagen de genetici erin om het genetisch mankement aan te wijzen, maar ze begrijpen daarmee nog niet wat deze schrijffout in de erfelijke blauwdruk van de mens in biochemische zin aanricht in de spieren.

Typerend voor de ziekte is allereerst de spierdystrofie; spieren in gezicht, nek, onderarmen en voeten functioneren niet goed meer. Patienten kunnen daarnaast last hebben van spierkramp (myotonie), tijdelijk niet meer in staat om eenmaal aangespannen spieren te ontspannen. Ze slagen er dan bij voorbeeld niet in om een vastgepakt voorwerp weer los te laten.

Dikwijls is het ziektebeeld complex; patienten tobben met oog- en hartklachten, ademhalingsmoeilijkheden, problemen met slikken en spijsvertering, gestoorde stofwisseling, mentale veranderingen en soms zelfs zwakzinnigheid. Het is raadselachtig hoe een verschrijving in een genetisch recept voor zoveel klachten verantwoordelijk kan zijn. Die klachten zijn derhalve wel duidelijk, maar de biochemie die er achter zit allerminst.

De gevonden schrijffout in het DNA ligt op chromosoom 19. Bij mensen met de ziekte van Steinert is in een van de genen op dat chromosoom een ander stuk DNA binnengeslopen, dat ogenschijnlijk geen enkele functie heeft. Er zit naast het gewone nu ook wat abracadabra-DNA op het gen, dat net als elk ander gen het recept vormt voor een bepaald eiwit.

Kennelijk wordt door aanwezigheid van de vreemde gast in het gen een verkeerd of helemaal geen eiwit gemaakt. Dat laatste weten de genetici nog niet. Zij vermoeden wel dat, gezien de vele bijkomende klachten, de vreemde eend in de bijt ook een kwalijke invloed heeft op de 'buurgenen'.

In elk geval is duidelijk dat de ziekte ernstiger verloopt naarmate het vreemde stuk DNA langer is. Daarbij lijkt de indringer in het gen van generatie op generatie groter te worden; kinderen met het verkeerde gen worden meestal zieker dan de ouder van wie ze het gen hebben geerfd. Het gen is bovendien dominant en zal, eenmaal overgeerfd, zeker tot de ziekte leiden, ook al heeft het kind van de andere ouder een gezond gen meegekregen.

De Nijmeegse ontdekking is in eerste instantie belangrijk voor de diagnostiek. Het dragerschap kan men nu vrijwel 100 procent zeker vaststellen. Dragers kunnen besluiten om geen kinderen te krijgen of om overerving van Steinert te voorkomen door prenataal onderzoek, eventueel gevolgd door een abortus.

Behandeling van de ziekte is geen dagend perspectief. Als door het gendefect het betreffende eiwit in het geheel niet wordt aangemaakt, zou het in theorie mogelijk moeten zijn om het ontbrekende eiwit als medicijn toe te dienen. Vraag is of zo'n medicijn werkelijk op de plaats van bestemming komt, vooral ook omdat deze ziekte vitale systemen op tal van plaatsen in het lichaam aantast.

Een andere mogelijkheid is dat er een misvormd eiwit wordt geproduceerd. In dat geval zou de therapie kunnen bestaan uit een twee fasen-scenario, waarbij eerst de werking van het misvormde eiwit wordt onderdrukt, waarna het gezonde eiwit alsnog wordt toegediend. Toekomstmuziek, constateren ze nadrukkelijk in Nijmegen.

Dat geldt in nog sterkere mate voor de reparatie van het geindefect met behulp van gentherapie. Herstel van geinfouten wordt nu beproefd bij enkele kinderen met een immuunsysteem dat door een geindefect te kort schiet en bij mensen met een ernstige huidkanker. Beslissend voor het welslagen van gentherapie is het op de juiste plaats afleveren van het ontbrekende gen.

Dat lukt bij de kinderen met het falende immuunsysteem door beenmergcellen te isoleren om het gen buiten het lichaam deze cellen binnen te smokkelen, waarna ze in het beenmerg worden teruggebracht. Een vergelijkbare strategie wordt gevolgd bij patienten met huidkanker; afweercellen worden geisoleerd en buiten het lichaam voorzien van een extra gen dat de cellen, eenmaal terug in het lichaam, een extra wapen geeft tegen de tumor.

Gentherapie ligt ook in het verschiet voor de erfelijke aandoening cystische fibrose, waarbij slijm in luchtwegen en darmen extreem taai wordt, met ernstige infecties als gevolg. Bij dieren is het gelukt om het ontbrekende gezonde gen via een neusspray op de juiste plaats in de longen te brengen. Voor de ziekte van Steinert zit zo'n gentherapie er (voorlopig) niet in omdat genetici niet inzien hoe ze het gewenste gen ooit op de talloze benodigde plaatsen in het lichaam kunnen afleveren.

Inspuiten van genetisch verbouwde spiercellen lijkt wel mogelijk; de gemanipuleerde cellen doen dan soms inderdaad mee met de opbouw van nieuw spierweefsel. Maar het effect is lokaal, beperkt tot slechts enkele millimeters. Omdat het geindefect bij de ziekte van Steinert door het hele lichaam zijn uitwerking heeft, zou een patient bij wijze van spreken miljoenen injecties moeten ondergaan. Dat is academische praat, relativeren de genetici in Nijmegen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden