Review

Nijinski's verslag van ontluikende waanzin

,,Iedereen denkt dat Nijinski gek geworden is, maar ze zullen me niet in een gesticht stoppen, omdat ik goed dans en geld geef aan iedereen die me dat vraagt. De mensen houden van excentriekelingen en daarom laten ze mij met rust. Ze zien me meer als een dwaze clown.'

In diezelfde lijn denkt de beroemde Zwitserse psychiater Eugen Bleuler, die begin maart 1919 door Nijinski's vrouw in Zürich wordt geconsulteerd, aanvankelijk ook. ,,Ach mevrouw, uw man is Rus en kunstenaar, dat verklaart veel: op zichzelf bewijzen de symptomen nog niet dat sprake is van een psychische stoornis.' Maar als Bleuler de 29-jarige balletdanser de volgende dag in levenden lijve ontmoet, weet hij binnen tien minuten dat hij te maken heeft met een verwarde schizofreen met licht manische ontremming. Onder vier ogen vertelt Bleuler Romola Nijinski dat haar man ongeneeslijk geestesziek is. Nijinski, achtergebleven in de wachtkamer, raadt de ernst van zijn ziekte. ,,Femmka (vrouwtje)', zegt hij, ,,je brengt me mijn doodsbericht.'

Diezelfde avond sluit Nijinski zich in zijn Zürichse hotelkamer op. Na 24 uur wordt de politie erbij gehaald, die de deur forceert en Nijinski naar de Burgholzli universiteitskliniek brengt waar Bleuler de scepter zwaait. Drie dagen later wordt hij naar het prestigieuze Bellevue Sanatorium overgeplaatst bij Kreuzlingen waar de in die tijd al even befaamde psychiater Ludwig Binswanger directeur is.

Tijdens de drie maanden in Bellevue heeft Nijinski last van hallucinaties, hij trekt zijn haren uit, valt de oppassers aan en verklaart dat zijn ledematen iemand anders toebehoren. Volgens zijn vrouw is Nijinski's ontsporing het gevolg van het brute optreden van de politie, door haar moeder achter haar rug om ingeschakeld. Dat klopt niet met wat Nijinski zelf aan het eind van zijn dagboek schrijft. Vóór zijn vertrek naar Zürich vraagt Romola hem tegen zijn vierjarige dochter Kyra te zeggen dat hij niet terugkomt. Het ligt meer voor de hand dat Romola zelf de opname van haar man heeft bekokstoofd.

Zelf leeft Nijinski in de veronderstelling dat hij naar Zürich gaat om een uitgever voor zijn dagboek te vinden. In plaats daarvan komt hij in het gesticht terecht, waar de artsen uit de woordenvloed in het meegebrachte dagboek moeiteloos Bleulers gelijk kunnen destilleren. Ook de prognose had de professor goed gezien. Nijinski is nooit hersteld.

Vaslav Nijinski (1889-1950) produceerde zijn maniakale verslag van ontluikende waanzin tussen 19 januari en 4 maart 1919, vlak vóór zijn bezoek aan Bleuler. Het imponeert als een onstuimig kolkende lavastroom vol psychotische gevoelserupties, vermengd met intriges en personen uit de directe of vroegere omgeving. Daardoor lees je het als een spannende roman waarin schaamteloos de inhoud van de geest in moordend tempo naar buiten wordt geperst. De man die in Parijs de god van de dans werd genoemd, wordt nu zelf voortgedreven door Gods stem.

Door de uitstekende inleiding van Joan Acocella, danscriticus van de New Yorker, lukt het om Nijinski's hersendiarree wat beter te begrijpen. Voor de biografische achtergrond putte Acocella uit 'Nijinsky: A Leap into Madness' (1991) van Peter Ostwald, die slechts de door Romola gekuiste en sterk bekorte versie van het dagboek uit 1936 kende.

Na toestemming van Nijinski's inmiddels bejaarde dochters verscheen het ongecensureerde dagboek in 1995 voor het eerst in Frankrijk. De nieuwste (Engelstalige) uitgave spreekt meer tot de verbeelding, door de foto's, een afdruk van twee bladzijden met Nijinski's handschrift ondertekend met 'God Nijinski', en de voor paranoïde schizofrenie zo typische ogentekeningen, die in de Franse uitgave ontbraken.

De ouders van Nijinski waren Poolse dansers die optraden in Rusland en Polen. Met 7 jaar debuteerde Nijinski op het toneel als schoorsteenveger. Zijn vader verliet het gezin voor diens zwangere maîtresse toen hij 8 was, waarna zijn moeder zich met haar drie kinderen in St. Petersburg vestigde. Met 9 jaar ging Nijinski naar de keizerlijke theaterschool en met 18 jaar was hij de coryfee van het Petersburgse keizerlijke ballet. Met instemming van zijn moeder liet hij zich een homoseksuele relatie met de 30-jarige prins Pavel Lvov welgevallen, een rijke sportenthousiast. Toen de prins genoeg van hem had, bracht hij Nijinski in 1908 in contact met Sergei Diaghilev, een vooraanstaand figuur in de kunstwereld van Petersburg en de drijvende kracht achter het wereldberoemde gezelschap Ballets Russes.

Met hem onderhoudt de danser jarenlang een relatie, maar in 1913 verandert dit, als Diaghilev na de Sacre du Printemps voor het volgende ballet een andere choreograaf kiest. Van verdriet trouwt Nijinski plotseling met de Hongaarse Romola de Pulsky, waarop Diaghilev hem even subiet ontslaat. Voor zijn gevoel is Nijinski nu echt alles kwijt. In 1914 krijgt hij in Londen voor het eerst last van slaapproblemen met heftige angsten en schreeuwbuien. In het begin van de Eerste Wereldoorlog verblijft hij anderhalf jaar gedwongen in Boedapest bij zijn schoonmoeder Emilia Márkus. Het is een akelige tijd omdat zijn vrouw voortdurend ruzie met haar moeder heeft.

Door toedoen van Diaghilev die hem nodig heeft voor een tournee van Ballets Russes in Amerika laten de autoriteiten Nijinski in 1916 gaan. In plaats van Diaghilev krijgt Nijinski de leiding, wat een enorm fiasco en een verlies van een kwart miljoen dollar oplevert. In vier maanden treden ze op in 52 Amerikaanse steden. Nijinski mist het organisatietalent om een gezelschap van 100 personen te leiden. Bovendien raakt hij tijdens de vele treinreizen in de ban van twee volgelingen van de religieuze filosofie van Tolstoj. Daardoor verliest hij steeds meer het contact met zijn vrouw die overal een complot van Diaghilev in ziet.

Na Amerika treden ze in 1917 nog een paar maanden op in Spanje en Zuid-Amerika. Daar volgt het dieptepunt in Montevideo als Nijinski met de pianist Arthur Rubinstein op 30 september 1917 een liefdadigheidsvoorstelling geeft. Als Nijinski eindelijk na middernacht verschijnt, toont hij zich droefgeestiger dan toen hij de dood van Petrouchka danste. Na een paar passen op de muziek van Chopin, barst Rubinstein in tranen uit. Het zou het laatste publieke optreden van de grote danser zijn.

Daarna gaat Nijinski met zijn gezin naar St. Moritz in Zwitserland. Het jaar 1918 maakt hij het volgens zijn vrouw goed, maar in januari 1919 gaat het mis. Hij tekent dwangmatig ogen die vanuit elke hoek kijken, rood en zwart, soldatengezichten en vlinders met zijn gezicht en spinnen met Diaghilevs gezicht. Op zekere dag maant hij mensen op straat naar de kerk te gaan, met een groot gouden kruis om zijn nek. Hij wordt nu ook gewelddadig. Zijn vrouw consulteert dr. Hans Curt Frenkel, een sportarts, die nog college heeft gelopen bij professor Bleuler en die het gezin dagelijks bezoekt. Nijinski wordt steeds zieker. Als een op drift geraakt dier tekent hij alles op, door Gods bevelen voortgestuwd.

Frenkel vraagt Bleuler of hij de man wil onderzoeken. Ondertussen schakelt Romola haar ouders in om te helpen haar man naar Zürich te krijgen. Zijn omgeving ziet hem gek worden, en zelf merkt hij dat ook, pendelend tussen God en gek, een toestand van complete verlating. Als de crisis oploopt hoor je in het dagboek het geluid van de wassende waanzin. Je hoort telefoons rinkelen, mensen rennen, ergens in huis Romola huilen die getroost wordt door dr. Frenkel. Alleen van wát ze zeggen, begrijpt Nijinski niks. Dat er tussen de vrouw en de arts iets ontstaat snapt elke soapkijker direct. Toch denkt Acocella dat Tamara (1920), de tweede dochter, wel degelijk het kind is van Nijinski en niet van Frenkel.

Met Nijinski en de dokter is het nooit meer goed gekomen. Frenkel raakte verslaafd aan morfine toen bleek dat Romola niet wilde scheiden van haar man. Na zijn ontsporing in 1919 heeft Nijinski nooit meer gedanst, maar zijn reputatie als begenadigd danser, vermaard om zijn reusachtige sprong, nam toe. Ruim dertig jaar verkeerde hij in een soort defecttoestand, waarin hij lange periodes doorbracht met zijn vrouw die hem altijd trouw is gebleven. In de diverse gestichten gedroeg hij zich meestal vriendelijk en passief, maar ineens gooide hij soms een bord naar de muur of viel hij iemand aan.

Op 8 april 1950 overleed Nijinski in Engeland aan een nierziekte. Van zijn balletprestaties zijn helaas maar weinig bewegende beelden bewaard gebleven. In hoeverre Nijinski's roem het gevolg is van mystificatie vanwege zijn latere krankzinnigheid valt niet gemakkelijk te beoordelen. Het egodocument van deze trieste clown verdient in elk geval de aandacht van een breed publiek. Het wachten is nu op een mooie Nederlandse vertaling.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden