Nieuwste Kuitert ongelezen al schokkend en kwetsend

Nog voordat het nieuwe boek Het algemeen betwijfeld christelijk geloof van de gereformeerde theoloog dr. H. M. Kuitert in de boekhandel lag, wisten sommige bladen al te melden, dat het niet veel zaaks was.

De gotische architectuur van de kerk verwijst met nadruk naar het monotheistisch geloof dat hier wordt gediend. Dat staat haaks op het veelgodendom waarvan de beelden deel uit maken. Visjnu en Sjiva concurreren hier met God in een overigens vreedzame coexistentie: zowel in het christendom als in het boeddhisme en hindoeisme was/is de kunst dienaar om het allerschoonste te laten zien.

Beide vormen van kunsten kennen de behoefte aan een herkenbare weergave van de mens, maar ze onderscheiden zich van de weergave van de hoogste god(en). De christelijke kunst kent wel de weergave van Christus, maar (vrijwel) niet van de Drie-eenheid. In het hindoeisme worden de goden letterlijk de huiskamer binnengehaald en moeten zij herkenbaar zijn om aan hun functies te kunnen voldoen. Dit realiteitsstreven heeft er voor gezorgd dat de godenbeelden zulke figuratieve trekken bezitten. De Indonesie-expositie bestrijkt met zijn beelden uit de klassieke kunst een periode vanaf de brons- en ijzertijd tot de 16e eeuw waarin de herkenbare weergave al spoedig op een hoog niveau stond: een cultuur die ononderbroken helder en inzichtelijk was.

De symboliek in deze kijk-ervaring kan nog verder worden doorgetrokken. De Nieuwe Kerk heeft geen religieuze betekenis meer, de beelden daarentegen staan in hun land van oorsprong nog midden onder de mensen, ook al worden ze tegenwoordig in de meeste gevallen in musea bewaard. Een voorbeeld gaf organisator Jan Fontein (oud-conservator Rijksmuseum, oud museum-directeur in Boston).

Hij vertelde over de vinder van een Sjiva-beeld dat naast het fraaie bronsgroen een gouden accent op de lip draagt. Als zovele beelden was ook dit voorwerp in het ongerede geraakt. Een arme betjakberijder die zijn wagentje als onderdak gebruikte, zag het op een nacht onder water steken. Nog voor hij besloot om het goddelijke beeld uit de sloot te halen, vastte hij een hele dag om zich zo te reinigen. Hij werd overigens wel beloond voor zijn vondst: verplicht om het beeld aan te geven droeg hij het over aan de lokale overheid die het naar het museum brachten. Een bedrag ter grootte van vier maal zijn jaarinkomen was zijn beloning. Maar voor de man was de vondst veel belangrijker.

Toen Fontein het beeld wilde hebben voor een lange toernee langs diverse musea en de betjakrijder er lucht van kreeg, spoedde hij zich met een krantefotograaf naar het museum om zich nog een maal met zijn vondst te laten vereeuwigen.

Het beeld is inmiddels al een paar jaar op rondreis en wordt in het museum node gemist. Dat geldt ook voor een indrukwekkend 15e eeuws relief, dat met veel vragen over zijn afkomst op reis ging. De voorstelling laat een een olifant in een werkplaats zien die als een vreemde verschijning in het blikveld van een smid komt. Het beeld vormt onderdeel van een heiligdom dat op 900 meter hoogte op een berg op Midden-Java is te vinden.

Anders dan bij een museum dat het kunsthistorisch belang van het uitlenen kan inzien, moest hier de toestemming van een overheidsinstantie worden gegeven vooraleer het werk op reis kon gaan. Fontein is in het heiligdom een graag geziene gast en komt er nog steeds, ook tijdens de tijdelijke afwezigheid van het relief. "Maar ze hebben me nu wel met enige aandrang gevraagd dat het nu maar eens terug moet komen."

Op de achtergrond van deze expositie speelt de vraag of kunst die is weggehaald van zijn oorspronkelijke plaats en zelfs in een heel ander land is terechtgekomen, weer naar zijn oorsprong terug moet. De staf van het Nationaal Museum in Jakarta liet zonder schroom het beroemdste beeld van Indonesie naar Nederland teruggaan dat hier ooit, zo'n anderhalve eeuw beheerd werd. Het gaat om een afbeelding van de godin der opperste wijsheid dat rond 1300 op Oost-Java gemaakt moet zijn, naar Indonesische maatstaven net zo'n belangrijk bezit als de Nachtwacht van Rembrandt in Amsterdam.

Het beeld bevond zich sinds 1820 in Nederland, dat het in 1978 als 'belangrijk cultureel erfgoed' aan Indonesie terug heeft gegeven. Destijds ontstond over die teruggave enige commotie, van een overigens onvergelijkbare orde als de twist rond de door Griekenland opgeeiste beelden van de Acropolis die zich in het British Museum in Londen bevinden.

Zonder hartzeer

Deze tentoonstelling laat zien dat zo'n teruggegeven beeld weer evengoed kan worden uitgeleend als daarvoor bij de oude kolonisator belangstelling bestaat. En dat gebeurt zonder voorbehoud, zonder hartzeer over de kunst die zich hier nog altijd in de goed voorziene collecties in Amsterdam en Leiden bevindt. Het zou een aardige geste zijn, als die musea een expositie samenstelden die in Indonesie laat zien wat Nederland nog aan kunst uit zijn oude verleden bezit.

Daarvan is het in Nederland zelf maar sporadisch gekomen. In feite is de belangstelling voor het Indische erfgoed in Nederland altijd gering geweest: exposities als deze zijn zeldzaam. Nederland koloniseerde eeuwen lang een land met een hoogst interessante cultuur, maar dat is hier nauwelijks doorgedrongen. Deze expositie in de Nieuwe Kerk, die zich op het hoogste kwalitatieve niveau afspeelt, is mede bedoeld om de blik op deze oosterse cultuur te verruimen. Het mogen dan deels vertrouwde beelden die hier te zien zijn, maar ze openen wel een nieuw uitzicht op een cultuur die hier lange tijd miskend is.

Het Reformatorisch Dagblad van maandag 10 februari liet zijn lezers weten dat het hier om een "kwetsend" boek ging. In het (vrijgemaakt-gereformeerde) Nederlands Dagblad van zaterdag 15 februari stond dat Kuiterts jongste werk "schokkend" was, terwijl het (sterk hervormd-getinte) blad In de Waagschaal van dezelfde dag de geruststellende mededeling behelsde dat het boek "niets nieuws" inhield.

Deze oordeelvellingen zijn daarom zo opmerkelijk, omdat ze aan het papier zijn toevertrouwd door personen die nog geen blik in Het algemeen betwijfeld christelijk geloof hadden kunnen werpen. Het boek kwam in de openbaarheid op vrijdag 15 februari des avonds om half acht tijdens een bijeenkomst in boekhandel Donner te Rotterdam.

De schrijver in In de Waagschaal is de hervormde emeritus-predikant Rens (dr. L. A.) Kopmels, die studentendominee in Delft is geweest. "Van Kuitert niets nieuws" , zet hij boven zijn twee pagina's beslaand verhaal, waarin hij er rond voor uitkomt, dat hij het boek niet heeft gelezen, alleen de voorpublikatie in Trouw van 24 januari. Kopmels: "Wat biedt ons Kuiterts nieuwe boek? Ik meen op grond van deze voorpublikatie en Kuiterts vorige boeken te kunnen zeggen: Niets wezenlijk nieuws."

Ik wijs er op hoe deze scherpzinnige recensent in staat is aan de hand van iemands vorige boeken vast te stellen dat diens nieuwste boek "niets wezenlijk nieuws toevoegt. Een aardige bijkomstigheid is, dat uitgeverij Ten Have geen recensie-exemplaar naar de redactie van In de Waagschaal hoeft te sturen.

Het hart

Het Reformatorisch Dagblad geeft het ANP-bericht over Kuiterts boek weer. De uitgever had op verzoek van het ANP drukproeven naar dit persbureau gestuurd, dat daarop een vrij uitvoerige telex naar de kranten stuurde. Het Reformatorisch Dagblad nam de tekst niet letterlijk over, maar voegde, zonder dit overigens aan te geven, zinnen toe als: "Hij (Kuitert) raakt daarmee opnieuw het hart van de gereformeerde leer en kwetst opnieuw de gevoelens van de orthodox-protestanten."

Het Nederlands Dagblad plaatste dinsdag 11 februari het ANP-bericht en in het nummer van 15 februari doet hoofdredacteur J. P. de Vries in een over zes kolommen verdeeld artikel zijn zegje over het door hem (nog) niet gelezen boek. Zo begint zijn bijdrage:

"Soms staan er schokkende dingen in de krant. Ook een gereformeerde krant kan er niet omheen dat er in de wereld waarin wij leven, heel wat is dat haaks staat op eigen geloof. Zo'n schokkend bericht was, wat jl. dinsdag op de pagina kerk/religie te lezen stond over het nieuwste boek van prof. dr. H. M. Kuitert."

Aan het slot van zijn verhandeling wendt de heer De Vries zich met een vraag tot Kuiterts kerk- en ambtgenoot, de wijsgeer prof. dr. A. P. Bos, die onlangs in ander verband scherpe kritiek uitte op Kuiterts visies:

"Hoe lang kunt u dit nog verdragen binnen de kerk? Samenwerken op de werkvloer moet vaak, maar de kerk moet toch berusten op de eenheid van het ware geloof? Is de tijd niet gekomen om zich het Schriftwoord binnen te brengen dat zegt: 'Ieder die de naam des Heren noemt, breke met de ongerechtigheid' (1 Tim. 2: 19)?"

Schriftuurlijke preek

De eerste die over het boek sprak na het althans doorgenomen te hebben, hoorde ik zaterdagavond 15 februari voor de microfoon van de EO. Verslaggever Dolf Lok had de Rotterdamse bijeenkomst bijgewoond en een kort vraaggesprek met Kuitert gevoerd. Hij noemde het nieuwe boek van de "omstreden" hoogleraar "provocerend en verbijsterend" en las na het interview nog een aantal verbijsterende passages voor, om de luisteraars tenslotte een "gezegende zondag" toe te wensen. Hij voegde hieraan de bede toe, dat wij dan "een schriftuurlijke" preek zouden mogen beluisteren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden