Nieuwe, vergeten, versleten, gehavende en verloren woorden

Hoewel een woord nooit iets aan zichzelf kan doen, kan het toch gehavend raken door onbehouwenheid waarmee een spreker of schrijver zijn woorden kiest en rangschikt. Hoofdredacteur Ton den Boon van het Van Dale Groot woordenboek der Nederlandse taal is geen talige scheidsrechter, maar verzamelt, weegt, omarmt en verwerpt woorden. Briefschrijvers achtervolgen zijn redactie met raad en met dreiging: dit woord moet in het woordenboek, dat woord moet eruit. Den Boon krijgt daar geen punthoofd van. Onverdroten wordt elke brief beantwoord. In lankmoedige afwachting van de garnaal die zal schrijven dat die nimmer van z'n maritieme levensdagen 'zo stoned als zichzelf' is geweest.

De hoofdredacteur van het woordenboek van Van Dale zetelt in een bescheiden kantoorruimte bij het Utrechtse Sint-Jakobskerkhof. Met nauwelijks boeken in de kast, want het honderdduizendvoudige woordenarsenaal bevindt zich in het compacte laptopje pal voor hem. Ton den Boon (40) is een bescheiden, kwiek meedenkende en terzake te woord staande hoofdredacteur.

In die geest schetst hij 'het moeras waaruit woorden ontstaan of verdwijnen', en die wel of juist niet in het woordenboek belandden en belanden. En er na verloop van tijd uit verdwijnen.

Om te worden toegelaten tot het woordenboek moet een woord minstens drie jaar in krant, tijdschrift of spreektaal circuleren. Sommige woorden bestaan al jaren, zoniet eeuwen, zonder dat die als 'nieuwe woorden' opvallen en aldus een woordenboekloos bestaan leiden. Zogeheten informanten -particulieren- wijzen de redactie van Van Dale op nieuwe, vergeten of verloren woorden. Onlangs nog vroeg een briefschrijvende informant waarom het woord 'spijkerbed' niet in de Van Dale staat. Ook de redactie van het woordenboek wist niet waarom, 'kennelijk altijd gemist', en voegde 'spijkerbed' plus betekenis prompt aan de nieuwe editie toe. 'Bolletjesslikker' daarentegen wordt ook binnenshuis ogenblikkelijk als nieuw herkend en zal 'met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in het volgende woordenboek komen'. ,,Het bestond al veel eerder'', weet Den Boon, ,,maar het kwam in januari 2002 zo prominent en vrijwel dagelijks in het nieuws. En het valt niet te verwachten dat 'bolletjesslikker' over drie jaar uitgestorven zal zijn.''

Minder als nieuw woord opvallend zijn 'bolletjeslepel' en 'pizzawiel'. Het gereedschap waarmee je ijs, boter, meloen of courgette kunt uitlepelen bestond al veel langer, alleen was daar kennelijk nog geen naam voor. Het pizzawiel of 'wielmes' bestond vermoedelijk in de oudheid al, maar moest tot begin jaren negentig op een benaming wachten. Toen raakte het plotseling in de Nederlandse mode om pizza's met een draaiend mes in parten te snijden. Het mes was opeens te koop, waarop culinaire journalisten het ook moesten benoemen.

Den Boon en zijn redactie zoeken naar duurzame taal. Niet elk modewoord, hoe heftig populair ook, komt meteen in het woordenboek. Het mode- en muziekverschijnsel grunge verdween met de dood van zanger Kurt Cobain uit de kranten. De hoofdredacteur vermoedt dat het binnen twintig jaar helemaal verdwenen is. 'Nederhop' vormde een twijfelgeval, hoewel het als muziekstroming misschien belangrijker dan grunge is. ,,Door zorgvuldigheid lopen wij soms achter de feiten aan; een woord moet zichzelf eerst bewezen hebben.''

Ondertussen kan een woord een eigen leven gaan leiden. 'Groeibriljant' werd in de jaren zeventig niet in het woordenboek opgenomen, al was dat destijds een courante overeenkomst tussen een juwelier en zijn klant. Je kocht een ring met een briljantje, om die na een tijdje sparen in te ruilen voor een ring met twee briljanten. En zo verder, totdat je een tros diamanten rond de vinger had. Maar zo'n bijouxafspraak bleek van voorbijgaande aard en was dus niet bestandig voor een plek in het woordenboek. Sinds de jaren negentig staat 'groeibriljant' daarentegen wel geboekstaafd omdat er een figuurlijke betekenis ('dan wordt het interessant') was bij gekomen: voetbalclubs die in derdewereldlanden naar jonge voetballertjes speuren die nog tot topsporters moeten uitgroeien.

Tal van voorwerpen of goederen leiden een woordloos bestaan, en bestaan volgens het woordenboek niet -'daar zijn geen woorden voor'- zoals: kiwijam of mangojam.

Een andere briefschrijvende informant suggereerde het woord 'concluvaleren' op te nemen (de conclusie van een rapport evalueren). De redactie schreef terug dat zo'n zelfbedacht woord onvoldoende spraakmakend is, waarop zich een langdurige correspondentie ontspon. Den Boon: ,,Wij zijn geen taalmakers. Anders zouden we er wel twee of drie woordenboeken bij kunnen verzinnen.''

Wel gehonoreerd zag een briefschrijver zijn correctie bij de duiding van CPN. Het was niet 'Communistische Partij Nederland', zoals het woordenboek beweerde, maar Communistische Partij van Nederland. Den Boon beschouwt dat niet als kommaneukerij of anderszins spijkers op laag water zoeken, maar controleert het, verandert en bedankt de briefschrijver.

'Onthaasten' werd een maatschappelijk verschijnsel, 'belubberen' min of meer ook (maar haalde het woordenboek niet); over het 'kwartje van Kok' wikt de redactie van het woordenboek nog, 'ontpronking' (zodra minister Pronk vertrekt moet zijn ministerie of beleid 'ontpronkt' worden) zal het geen jaren volhouden. Taalkundig gezien is 'De nacht van Schmelzer' amper van belang, maar zodra die voor een andere parlementaire nacht wordt gebruikt -'De nacht van Wiegel'- is er sprake van een interessante zinspeling, hoewel nog steeds niet woordenboekwaardig.

'Castreren', schrijft weer een andere informant, komt niet louter bij mannelijke maar ook bij vrouwelijke dieren voor. Stuit de hoofdredacteur ergens in krant of tijdschrift op 'een merrie castreren', dan laat hij die uitdrukking voor wat die is getrouw aan Goethe: einmal ist keinmal. Mocht blijken dat dierenartsen massaal 'ooijen castreren', dan zal vermoedelijk een toevoeging 'ook wel bij vrouwelijke dieren' in het woordenboek volgen.

'Moderamen' staat geduid als dagelijks bestuur van een classis (onderdeel van provinciaal kerkbestuur). Dat is correct, stelt een briefschrijver, maar iedereen denkt toch eerder aan 'kerkeraad' dan aan 'classis'. Waarop de redactieleden wikken en beschikken, en beoordelen dat 'kerkeraad' inderdaad toegevoegd kan worden.

Te midden van de aanhoudende stroom brieven die zijn redactie ontvangt, zit er ongeveer om het jaar een briefschrijver bij die een woord geschrapt wenst te zien. Querulanten wil de hoofdredacteur hen niet noemen: het zijn mensen die het niet met een woord of omschrijving eens zijn. 'Sikh' werd destijds als 'lid van een Hindoesekte' omschreven en geen haan die daar naar kraaide aangezien 'sekte' in de jaren vijftig nog een neutraal woord was. Nadat in de jaren zeventig 'sekte' een negatieve lading kreeg, werd het aangepast.

Het woord 'neger' wordt niet geschrapt omdat het 'in het Nederlands gebruikt wordt en wij een beschrijvend woordenboek samenstellen'. Maar daarom houden de woordenbundelaars een veranderde woordbetekenis nog wel in de gaten. Den Boon rept van centrale begrippen, associatieve begrippen en perifere woorden: het woord 'neger' is zichzelf naar de periferie aan het manoeuvreren, en in plaats daarvan zou 'zwarte' wel eens het centrale begrip kunnen worden.

,,Neem het woord 'heks'. Dat is een vrouw die kan toveren, die (met behulp van de duivel) in staat is om anderen onheil te berokkenen. Dat is prototypisch; in overeenstemming met de taalwerkelijkheid zoals in sprookjes.'' Maar nota bene het kleuterzoontje van de hoofdredacteur zelf maakt al onderscheid tussen lieve heksen (uit prentenboekjes), veilige heksen (een willekeurige tante) en boze heksen (uit de tv-series Villa Achterwerk of Sesamstraat). En prompt ontving Den Boon een brief van een moderne heks, die die duivelse duiding genuanceerd wenst te zien.

Of althans uitgebreid wil zien met de verwijzing naar Keltische achtergrond, zonnewendevieringen of naar witgeschminkte dansers die jaarlijks op het Terschellingse Oerolfestival rondslierten.

,,Elke brief nemen wij serieus, iedereen krijgt hoe dan ook antwoord. Naast het van oudsher kwade wezen, geven wij nu ook aandacht aan de moderne verschijningsvorm van een heks. Een welkome aanvulling op het woordenboek.''

,,Wij worden als instituut, als talige scheidsrechter beschouwd terwijl wij een toch commerciële organisatie zijn. Nee, ik word niet moe van onze briefschrijvers, maar ik vind het niet prettig als er in die discussie over het woord 'neger' met boekverbranding gedreigd wordt. Daar heb je het in de Nederlandse cultuur simpelweg niet over. Bovendien leidt het af van de discussie. De discussie zelf is altijd aangenaam en houdt ons als redactie scherp. Een woordenboek is nu eenmaal een afspiegeling van de taalwerkelijkheid. Via de taal kun je de werkelijkheid goed waarnemen, die zelfs leren kennen. Je kunt de werkelijkheid niet veranderen door de taal, door het woordenboek te veranderen. Hoewel, de werkelijkheid verander je wel degelijk wanneer je bij de burgerlijke stand het ja-woord geeft. Door 'ja' te zeggen heb je je beminde in echtgenoot/echtgenote veranderd. Maar door woorden te schrappen verdwijnt discriminatie of ongelijkheid niet. Als dat wel zo zou zijn, maak je een utopie. De samenstelling van een utopisch woordenboek - een prachtig onderwerp voor een roman!''

Klopt het dat een woord nooit iets aan zichzelf kan doen? Een garnaal kan het toch niet helpen dat hij het ijkpunt ('zo stoned als') van een roesgehalte werd, terwijl hij hoogstwaarschijnlijk nog nooit van z'n leven een stickie zag laat staan rookte. Den Boon: ,,'Klootzak' is een directe belediging omdat de taalgemeenschap dat als scheldwoord gebruikt. Met het woord 'konijn' kun je een geliefde kwalificeren, en tevens kun je het voor iemand met een geprononceerd gebit als scheldwoord gebruiken. Maar wij zullen niet beschrijven dat 'konijn ook in kwetsende zin te gebruiken' valt.''

,,Een voorbeeld van een 'indirecte belediging'? Stel, ik noem u: jezuïet. Dan beledig ik u, maar ook 'de jezuïeten', dan buit ik het vooroordeel van een jezuïet als intrigant uit.''

En wat als de aangesprokene een jezuïet blijkt te zijn, en dat dus even feitelijk als onbewogen beaamt?

Den Boon laat zich niet uit het veld slaan: ,,Dan wordt het een dialoog uit 'Herenleed'.''

,,Als je een hond wilt slaan, vind je altijd wel een knuppel. Milosevic wordt ook de Slager van de Balkan genoemd. Ik kan me voorstellen dat mensen uit de slagersbranche bij het Algemeen Nederlandsch Persbureau bezwaar tegen die typering zouden maken: wij oefenen immers een edel beroep uit en hebben niets met oorlogs(mis)daden van doen. Of een koekenbakker die doorgaans koeken bakt, en tegelijkertijd iemand is die zijn vak niet verstaat, een slecht zeeman, stumper en knoeier is. Een chirurg wordt ook slager genoemd, iemand die lelijke littekens veroorzaakt. Desgewenst kun je ook aanstoot nemen aan de eigennaam Van der Molen of Molenaar. Daar zal ook wel een negatieve bijbetekenis bij horen. (Tikt even op het toetsenbord.) Kijk: 'met molentjes lopen' -gek zijn, traagheid van ambtelijke molens, 'alle molenaars zijn geen dieven', daar is wat in de molen'- (ook) daar wordt iets kwaads gebrouwen'. Zelf ben ik ooit eens voor 'heilig boontje' uitgescholden. Nee, tegen die woorden heb ik niets, wel werd ik vreselijk kwaad omdat de bewering niet terecht was.''

Bestaan er naast scheldwoorden en kooswoorden ook lelijke of 'gehavende' woorden die hoofdredacteur Den Boon nooit zal gebruiken? En hanteert hij andersom lievelingswoorden vanwege klankritme, letterbeeld of trefzekere/doeltreffende en (in klippe-tie-klop-galop) onomatoperende betekenis?

,,Het allermooiste woord in de Nederlandse taal vind ik nog steeds 'lankmoedig', vooral dankzij de betekenis maar ook doordat het zo mooi allitereert met 'liefde', zoals in een bijbelcitaat dat me uit mijn jeugd is bijgebleven ('de liefde is lankmoedig'). Voor een kind is lankmoedig natuurlijk een volstrekt ondoorzichtig woord, maar dat maakt het juist zo mysterieus en dus intrigerend. Het is typisch zo'n woord waarover je (als kind) kunt fantaseren: wat betekent het, waar komt het vandaan? Die prikkel tot speculeren over betekenis en herkomst werd alleen maar versterkt doordat lankmoedig in de geciteerde bijbelpassage als 'verklaring' werd gebruikt van een begrip dat ik als kind in elk geval herkende en associeerde met iets waar een gunstige bijklank aan kleefde, namelijk: liefde. Als zo'n schijnbaar vanzelfsprekend verschijnsel als liefde wordt 'verklaard' met behulp van een volstrekt ondoorzichtig woord, lankmoedig dus, wordt ook dat bekende woord liefde opeens iets mysterieus.''

,,Inmiddels ken ik de herkomst van lankmoedig - het is een leenvertaling van een Latijns woord, longanimus, en betekent heel letterlijk 'een lang gemoed, een lange ziel hebbend'. Maar met de verklaring heeft het woord niet ingeboet aan mysterie; het blijft een intrigerend woord. Er zijn veel woorden van grote schoonheid. Toverhazelaar, humbug, oerwoud, doolhof, het werkwoord talmen, het adjectief lijzig. Als je 'lijzig' -dat ook 'langzaam' betekent- langzaam uitspreekt, heeft het ook in het zinsverband al een vertragend effect. 'Lichtvoetig' is ook zo'n perfecte vorm-inhoudcombinatie.''

,,Lelijke of onprettige woorden zijn er natuurlijk ook, of woorden die je kunnen tegenstaan. Lang geleden, toen het woordenboek nog alfabetisch bewerkt werd, moest ik eens een paar bladzijden uit de S redigeren. Ik herinner me woorden als schedelboor en schedelboring, schedellichting en schedelverweking - na een uurtje werken stonden die woorden me zo tegen dat ik er fysiek onpasselijk van werd.''

,,Echt lelijk vind ik sommige begroetingen en aanspreekvormen, maar dat is sterk contextafhankelijk. Ik vind tutoyeren onder familieleden, bekenden en collega's doodgewoon, maar als de winkeljuffrouw in de supermarkt 'je' tegen me zegt -'Heb je een bonuskaart?'- stoort die aanspreekvorm me per definitie. We verkeren wat mij betreft niet op voet van tutoyeren en ik spreek haar dan ook steevast aan met 'u'. Als ze in reactie op mijn 'goedemiddag' of 'prettig weekeinde' ook nog 'houdoe' zegt, voel ik mij opeens heel oud.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden