Nieuwe priesterkaste die nog nooit kerk van binnen heeft gezien

De auteur is studiesecretaris bij de Christelijke Vereniging van Zorginstellingen (CVZ) en onderzoeker bij het Centrum voor Bio-ethiek en Gezondheidsrecht te Utrecht. Hij schreef het document 'Ambtelijkheid: toekomst of verleden?' voor de Sterrenbergconferentie.

Daarover ging de recente Sterrenbergconferentie, waar vertegenwoordigers van zorginstellingen, de beroepsgroep, zorggebruikers en kerken en levensbeschouwelijke genootschappen bijeen waren. En zij bleken het vergaand eens.

Wanneer mensen oog in oog staan met afhankelijkheid, ziekte of de dood, komen er dikwijls indringende vragen rond godsdienst en zingeving op hen af. Wie in een instelling wordt opgenomen, wordt daarom doorgaans gevraagd of hij prijs stelt op bezoek van een geestelijk verzorger. Wie bevestigend antwoordt, heeft binnen vierentwintig uur een geestelijke aan het bed of op de afdeling, betaald door de instelling. Een verworvenheid als vrucht van een jarenlange strijd, die onlangs met een wettelijke regeling werd bekroond. Deze wet stelt dat de zorginstelling verplicht is om in het zorgpakket een geestelijke verzorging op te nemen die aansluit bij de overtuiging van de zorgvrager.

Nu is de ene godsdienstige beleving de andere niet. Omdat verschillende mensen behoefte hebben aan verschillende soorten geestelijke verzorging, stellen zorginstellingen dan ook geestelijk verzorgers uit allerlei stromingen aan: rooms-katholieke, protestants-christelijke, humanistische, en in de nabije toekomst ook islamitische en hindoeïstische.

Er zijn echter mensen die vragen stellen bij deze opdeling: is er bij godsdiensten en levensbeschouwingen niet meer wat ze bindt dan verdeelt? Heeft niet elk mens dezelfde zingevingsvragen? Bovendien: als we straks voor iedere stroming een geestelijk verzorger moeten aanstellen, wordt het voor de overige behandelaars dan geen onoverzichtelijk komen en gaan van geestelijken?

Om al deze redenen pleiten sommigen voor een ongebonden, all round geestelijk verzorger die pastoraat 'op maat' kan leveren. Iemand die geen antwoorden geeft, maar de betrokkene professioneel helpt om zèlf antwoorden te vinden. Als het moet, heeft zo'n geestelijk verzorger een woord uit de Koran voor de islamiet, bidt hij de rozenkrans met de rooms-katholiek, zingt een psalm met de protestant en leest een gedicht voor de humanist. Maar de echte antwoorden moeten toch door de hulpvrager zelf gegeven worden.

Op zo'n visie is heel wat af te dingen. Ten eerste vergeet men dat zulke schapen met vijf poten maar nauwelijks bestaan. Immers: om te kunnen helpen moet je je wel eerst verdiepen in de godsdienstige leefwereld van vijf religies en twintig modaliteiten, en dat is niet makkelijker dan het leren verstaan van evenzovele talen en dialecten. Het is al knap als een vrijzinnig hervormde weet wat er in een gereformeerde bonder omgaat, laat staan dat je van een christen kunt verwachten dat hij de lijdenservaring van een boeddhist kan doorgronden. Het lijkt onbegonnen werk.

Ten tweede kun je je afvragen of er zoiets bestaat als 'levensbeschouwelijke neutraliteit'. Elke geestelijk verzorger heeft impliciet immers wel een overtuiging. De veronderstelde flexibiliteit van de geestelijk verzorger zal in de ontmoeting met (in zijn ogen) intolerante of fundamentalistische hulpvragers danig op de proef worden gesteld. Zo'n geestelijk verzorger zal al snel een soort levensbeschouwelijke schizofrenie gaan ontwikkelen. En afgezien van de vraag of dit praktisch of psychologisch mogelijk is, kun je je afvragen in hoeverre de hulpvragers die flexibiliteit, deze zelfgekozen schizofrenie, waarderen. De meeste mensen stellen eerlijke scepsis vermoedelijk meer op prijs dan woorden van troost die mogelijk niet gemeend zijn.

Een derde bezwaar. De visie dat tradities en levensbeschouwingen niet echt verschillen, is alleen maar plausibel voor wie haar delen. Alle anderen zullen zo'n visie herkennen als de eeuwenoude traditie van het universalisme. Die allrounders staan daarmee niet, zoals zij zo graag willen, boven de tradities, maar zij zijn gewoon de zoveelste zuil in het pluriforme westerse bestel. Met een belangrijk verschil: anders dan christenen, humanisten, moslims en hindoes hebben zij geen achterban. Al deze laatsten zijn immers stevig verankerd in een sociale gemeenschap.

Nu werpt zich een groep geestelijken op die zo'n binding niet meer wil. Zij worden betaald uit algemene middelen, zoals ziektekostenverzekeringen en rijksbijdragen. Wat hun eigen godsdienstige overtuiging is, gaat niemand meer iets aan, zolang zij maar beschikken over een breed spectrum van professionele kennis, kunde en vaardigheden.

Maar de voordelen van dit soort allround geestelijke verzorging dan? Immers: veel twijfels, angsten en vragen in het aangezicht van ziekte en dood zijn voor alle mensen hetzelfde. Een christen is heus niet de enige die vraagt naar de zin van ziekte, naar een leven na de dood, of naar de goedheid van God. Maar al komen veel vragen wel overeen, de antwoorden kunnen hemelsbreed verschillen. Het gevolg zal zijn dat de geestelijk verzorger op de vraag van een stervende patiënt: “Waar ga ik na mijn dood naar toe?” zal moeten antwoorden: “Dat hangt ervan af welke godsdienst u aanhangt!” Of erger nog: “Wat had u zelf gedacht?”

Vervolgens horen we het praktische argument: in een ziekenhuis met een toenemend pluralistisch patiëntenbestand zou het, als je niet oppast, een in- en uitlopen van deeltijdse geestelijk verzorgers worden. Maar ook dit argument moeten we niet overschatten. Met wat inventiviteit - bijvoorbeeld door samenwerking met andere zorginstellingen, door goede afspraken over tijden en plaatsen, en met behulp van een goed uitgerust secretariaat - is dit bezwaar voldoende te ondervangen.

Het kabinet vindt dat zorginstellingen verplicht zijn om aan patiënten en bewoners geestelijke verzorging te bieden die aansluit bij hun eigen overtuiging. Nu zijn de voorgestelde wetsartikelen op zichzelf voor meerderlei uitleg vatbaar. Leggen we ze echter naast de profielschetsen van twee belangrijke organisaties, dan kan er geen twijfel over bestaan: zorgvragers zijn er het meest bij gebaat wanneer een geestelijk verzorger een duidelijk mandaat heeft vanuit een kerk of een levensbeschouwelijk genootschap. De Vereniging van geestelijk verzorgers in zorginstellingen (VGVZ) en de Nederlandse Zorgfederatie (NZf) stellen uitdrukkelijk dat geestelijk verzorgers een ambtelijke status moeten hebben. Daarmee wordt bedoeld dat een geestelijk verzorger een officiële erkenning of zending heeft van een kerk of levensbeschouwelijk genootschap.

Maar, vragen sommigen die problemen hebben met een ambtelijke status, waarom zo gewichtig doen? Je hoeft toch niet meteen een ambtelijke binding te hebben om toch een herkenbare identiteit te hebben? De meeste spelers in het veld van de gezondheids- en ouderenzorg zijn echter van mening dat een ambtelijke status voor zo'n identiteit de beste garantie is. Iedereen kan zich wel 'humanist' of 'rooms-katholiek' noemen, maar alleen een ambtelijke zending garandeert dat je niet met een beunhaas te maken hebt.

En zo zijn er andere voordelen van een ambtelijke binding: de betrokken geestelijk verzorger kan beschikken over een 'thuisfront' dat inspiratie geeft bij het vervullen van zo'n moeilijke taak; hij of zij heeft, door die ambtelijke binding, een 'vrijplaats' in de soms massieve wereld van de zorg; en tenslotte is iemand door een ambtelijke binding bevoegd tot het verrichten van ambtshandelingen (zoals het geven van de zegen en het bedienen van avondmaal of eucharistie), zaken die een belangrijke functie hebben bij het verwerken van leed.

Helaas is er, ondanks de evidente voordelen van ambtelijkheid, toch reden voor ongerustheid. Het aantal niet-ambtelijke geestelijk verzorgers neemt de laatste jaren toe. Her en der ontstaan opleidingen tot geestelijk verzorger waarbij ambtelijkheid niet of nauwelijks een rol speelt. Van de beroepsvereniging VGVZ mogen deze geestelijk verzorgers nog steeds geen lid worden. Omdat het wachten ze te lang duurt, is inmiddels door de ongebonden geestelijken een eigen beroepsvereniging opgericht. Een vereniging met als adagium: weg met de scheidsmuren, de tradities hebben afgedaan. Zij gooien met het badwater van de ambtelijkheid en passant ook maar even het kind van de identiteit weg.

Maar als zorginstellingen de richtlijnen van hun koepels en van de beroepsgroep respecteren, dan is er voor ongebonden geestelijk verzorgers toch geen emplooi? Helaas tekenen zich hier verschuivingen af. Ziekenhuisdirecties zien door de bomen het bos niet meer; staat er iemand met een diploma 'Geestelijke verzorging' op de stoep, dan moet je wel van goeden huize komen om te vragen: “Pardon, maar heeft u wel een ambtelijke status?” Bovendien: door hun vaak lagere opleiding zijn velen van hen goedkoper dan ambtelijk verzorgers, die doorgaans universitair geschoold zijn.

Wanneer de ambtelijkheids-vereiste niet adequaat wordt gehanteerd, is te voorzien dat straks een groot deel van de ongeveer duizend geestelijk verzorgers in zorginstellingen zal bestaan uit zingevingsexperts zonder ambtelijke binding. Wie ziek wordt, valt ten prooi aan een nieuwe priesterkaste die psychologie, geestelijke stromingen, communicatieleer en gezondheidsmanagement heeft gestudeerd, maar die nog nooit een kerk van binnen heeft gezien. Het kerkelijk pastoraat zal in toenemende mate weer worden verleend vanuit plaatselijke gemeenten. De dominee die bij een patiënt op bezoek wil, zal te horen krijgen: “Wat doet u hier? Wij hebben hier een professional die kan bidden met moslims, christenen èn humanisten. Maar als u aandringt, komt u op het bezoekuur dan maar terug.”

Zover is het nog niet. Organisaties van zorginstellingen, beroepsbeoefenaars, zorggebruikers, en levensbeschouwelijke genootschappen lopen nog steeds warm voor de ambtelijkheid. Iets beters is er niet. Het is van groot belang dat zorginstellingen daar in hun aanstellingsbeleid rekening mee houden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden