nieuwe poëzie

In Brassinga’s nieuwe bundel weerspiegelt een stormachtige natuur het dito innerlijk: razende luchten, een woeste zee. Zo’n zee roept bijvoorbeeld het titelgedicht op: „Naderen daar de merries / van het einde, op hun hoog opwaaiende / zomerkurken; ze kolderen van medelijden / om ons krank getij.”

Met onvermoeibaar engagement uit deze schrijver/dichter zijn zorgen over zijn land, België. Zo ook in zijn poëzie. Een passage uit ’Werkloosheid’: „De ochtenden zijn grijze wegen / naar nergens, nooit en niemandsland, / de middaguren lege huizen / de avonden vergooid, verzand.”

De veelzijdige Vlaming (ook essayist en romancier) liet zich hier inspireren door stilte, vrijheid, ruimte, kortom het moment dat het gejaagde leven even stilvalt. Het klooster San Jeronimo in Belém ontlokt hem bijvoorbeeld de volgende regels: „Je kunt je leven elk ogenblik / opnieuw beginnen door niets / meer te willen dan dit nu: (...)”

„Ik verklaar me niet nader want / ook ik omvatte de overige ander / in een offer & wat ik bewierookte / rookte mij ook.” Aldus Jacob Groot in zijn nieuwe bundel, die de tienertijd in retrospectief oproept. Jacob Groots werk staat bekend als moeilijk te doorgronden.

Na de dood van hun vader, jarenlang verbonden aan Trouw, vonden Thijs’ kinderen in een envelop met de tekst ’Probeersels, weggooien s.v.p’ deze gedichten. Daar hielden ze zich niet aan: deze liefdevolle bundel is het resultaat. Thijs dicht over de seizoenen, over kerkgang, en vaak ook over liefde: „Ik ben verliefd op bloemen en op regen, / op wolken, wind en rechte polderwegen / op bomen en op zon- maar nog veel meer / heb ik jouw zachte ogen lief gekregen.”

„Natuurlijk ben ik een figuur om voor altijd / te verdwijnen net als mijn overbuur met / zijn overgordijnen in de woning die hij huurde.” Zo begint dit 47 bladzijden lange gedicht, dat aldus toch iets wil vastleggen van dit zelf, zoals die naar kunst kijkt, naar de dokter gaat, een kastanje opraapt.

Met deze bundel hopen zijn biograaf Hans Werkman en Willem Jan Otten het werk van de wat verstofte De Mérode (1887-1939) opnieuw onder de aandacht te brengen. Een proeve uit een rouwgedicht: „God heeft u van mij afgeëist, / en nu de tedere avond grijst / buig ik, niet meer vermetel, bij uwe lege zetel.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden