Nieuwe plannen voor gebruik van restwarmte in woonwijken

Er zit weer muziek in de stadsverwarming: Amsterdam en Rotterdam hebben grootse plannen uitgewerkt.

Als het aan de gemeentelijke ontwikkelingsbedrijven ligt zullen nieuwe wijken, of buurten die gerenoveerd worden, de restwarmte aftappen van elektriciteitscentrales, afvalverwerkers en industrie – warmte die anders gewoonweg met het koelwater wordt geloosd.

„Het is een goed idee van Amsterdam en Rotterdam. Zij hebben geschikte warmtebronnen”, zegt Teus van Eck, energie-expert en promotie-onderzoeker aan de Technische Universiteit Delft. „Ze durven hun nek uit te steken.” De twee grote steden hebben hun eigen publiek- private warmtebedrijven opgericht, waarin overheid en energiebedrijven gebroederlijk samenwerken. „Je ziet veelal dat energiebedrijven in hun eentje niet zoveel trek hebben in de aanleg van stadsverwarming: te veel gedoe en te weinig verdiensten.”

Het is goed verklaarbaar dat stadsverwarming – buizenstelsels waardoor warm water loopt, „in wezen een nutsvoorziening” – in Nederland nooit zo grootschalig is toegepast als in bijvoorbeeld Oost-Europa. „Nederland heeft een fijnmazige gasinfrastructuur en bovendien is het hier in de winters minder koud.” Gas was hier te goedkoop.

Door het groeiende belang van het milieu zit stadsverwarming echter in de lift: het is de kunst de restwarmte nuttig te gebruiken, zegt Van Eck. Per jaar wordt in Nederland voor 15 miljard m3 aardgas aan restwarmte geloosd. Uit de praktijk kent Van Eck trouwens genoeg voorbeelden van ’discutabele’ projecten waarbij het milieubelang wordt geschaad.

Het grootste bezwaar van de stadsverwarmingsprojecten – er zijn er 43 in Nederland, met 250000 aansluitingen – is vanuit de optiek van de energiebedrijven hun financieel povere presteren. „Daarover hoor je zelfs tot in de Tweede Kamer de grootste onzin beweren”, zegt Van Eck. „Energiebedrijven zouden woekerwinsten behalen met de stadsverwarming.” Feit is dat aanvangsinvesteringen voor een warmtenet in de tientallen miljoenen euro lopen, en dat de investeringen pas na vijf tot tien jaar terugkomen. „Het is gemiddeld genomen geen vetpot.”

Logisch dat energiebedrijven niet ’wild enthousiast’ zijn om te investeren. Van Eck wijst op het rapport van de Algemene Rekenkamer van 2005, waarin staat dat er weinig bekend is over de winst- of verliesgevendheid van stadsverwarmingsprojecten. De variabele kosten van een warmtenet zijn echter laag, erkent Van Eck. „Als de gasprijzen zo hoog blijven als ze nu zijn, moet er wel aan te verdienen zijn.”

De commissie Economische Zaken van de Tweede Kamer boog zich dit najaar over de Warmtewet. Dit initiatief-wetsvoorstel van CDA-kamerleden Ten Hoopen en Hessels – de behandeling is over de verkiezingen heengetild – neemt het op voor de consument, die sinds jaar en dag met onduidelijke warmtetarieven wordt geconfronteerd. Volgens de wet hoeft de afnemer van warmte straks niet meer dan de gasgebruiker betalen: het zogenaamde ’niet meer dan anders’-principe (NMDA). Van Eck: „De wet legt nu wel veel nadruk op de bescherming van de consument. Ik zou zeggen dat milieuprestaties een groter gewicht dienen te krijgen in de wet.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden