Review

Nieuwe 'Matthüus' van Harnoncourt culminatie van dertig jaar passie

Tegen de verwachting en hoop van velen in heeft de Oostenrijkse dirigent Nikolaus Harnoncourt zich bewezen als een blijvende, stuwende kracht in de wereld van de klassieke muziek. Vanaf de jaren zeventig schokte hij de ietwat ingeslapen concertpraktijk met 'authentieke' uitvoeringen van barokmuziek. Oude instrumenten of kopieën ervan deden piepend, knarsend en zuchtend hun intrede en in plaats van pronte concertzangeressen zongen frisgewassen knaapjes de sopraan-aria's in de passies van Johann Sebastian Bach; in de koren was evenmin een vrouwelijke stem te horen.

In Nederland begon Harnoncourt in 1973 met uitvoeringen van de passies in Den Haag bij het Residentie Orkest. Twee jaar later had het Concertgebouworkest Harnoncourt reeds gestrikt voor wat een hele reeks aan jaarlijkse passie-uitvoeringen zou worden -om en om de 'Johannes' en de 'Matthüus'. Daarvóór had Harnoncourt met zijn Weense ensemble Concentus Musicus Wien al ervaring met de Bach-passies opgedaan; uit 1965 stamt zijn eerste opname van de 'Johannes-Passion' en in 1970 nam hij zijn eerste 'Matthüus' op. Nu, dertig jaar later, ligt Harnoncourts derde opname van de 'Matthüus-Passion' in de winkel.

De eerste registratie was een samenwerking met het King's College Choir Cambridge, het Regensburger Domchor en jongenssolisten van de Wiener Süngerknaben; Harnoncourt speelde zelf nog mee op cello en viola da gamba. De tweede opname betrof een live-registratie uit 1985 in het Amsterdamse Concertgebouw, met het Concertgebouworkest en het toenmalige Koor van het Concertgebouworkest. Voor zijn nieuwste opname is Harnoncourt weer terug bij Concentus Musicus Wien, maar in vergelijking met 1970 hebben de jongens plaatsgemaakt voor vrouwelijke solisten en het Arnold Schönberg Chor is gemengd. De Wiener Süngerknaben doen alleen mee in het openingskoor.

De trits 'Matthüus'-opnamen vormt een symmetrie die Bach verwelkomd zou hebben: 1970-1985-2000. Met tussenpozen van steeds vijftien jaar heeft Harnoncourt zijn gedachten omtrent Bachs 'Matthüus' aangescherpt, herzien, ontwikkeld. Wat uit alle drie opnamen in ieder geval sterk naar voren komt, ongeacht of je het overal met zijn zienswijze eens bent, is de totale overgave waarmee Harnoncourt zijn geloof in het werk etaleert en hoe hij dat over weet te dragen op zijn musici.

Tenor Christoph Prégardien (Evangelist op de nieuwste opname) zei daarover dat Nikolaus Harnoncourt zich als dirigent werkelijk in elke maat voor honderdvijftig procent geeft en dat je daar als uitvoerder op ongelooflijke wijze door wordt meegesleept.

Op het eerste gehoor zijn de verschillen tussen de drie opnamen groot. Uiteraard klinken de instrumenten van Concentus Musicus Wien heel anders dan die van het Concertgebouworkest en is de kleur van een geheel uit mannen en jongens bestaand koor totaal verschillend van een gemengd koor. De ontwikkeling die de 'authentiek' musicerende instrumentalisten doorgemaakt hebben, is bovendien duidelijk te horen in het verschil tussen de eerste en de laatste opname: de musici van Concentus Musicus Wien hebben veel meer techniek in huis dan in 1970, waardoor een rijker palet ontstaat en waardoor Harnoncourt veel meer met frasering en accenten kan doen.

Ondanks deze verschillen ligt aan alle drie de opnamen een basisgevoel ten grondslag: Harnoncourts verbazing over, en eerbied voor de componist in wiens brein dit ongelooflijke meesterwerk ontstond.

Hoe je die verbazing en bewondering vervolgens verklankt is eigenlijk voor Harnoncourt niet eens zo belangrijk. Jongensstemmen betekenen meer een bepaalde kleur voor hem dan dat het 'authentiek' is. Naast die jongens plaatste Harnoncourt in zijn eerste opname bijvoorbeeld al de opera-bas Karl Ridderbusch (een eminent Wagner-zanger) als Christus. In de tweede opname kwamen we Arleen Augér, Jard van Nes, Sheri Greenawald en Neil Rosenshein tegen. En nu zingen veelzijdige zangtalenten als Christine Schüfer, Bernarda Fink, Dorothea Röschmann, Matthias Goerne en Dietrich Henschel de solistenpartijen met groot inlevingsvermogen en veelal schitterend stemmateriaal.

Nog meer dan vroeger heeft Harnoncourt de interpretatie van bepaalde gedeelten aangescherpt. De aria 'Sehet, Jesus hat die Hand' voor de altsolist uit koor I ziet Harnoncourt nu als de uiting van een vrouw die waanzinnig van verdriet Jezus aan het kruis ziet hangen en gelooft dat hij zijn handen ter omarming heeft uitgesterkt. Countertenor Paul Esswood houdt zich op de eerste opname aan de oppervlakte en zingt alleen maar mooi. In de tweede opname wist Jadwiga Rappé Harnoncourts interpretatie van deze aria al enigszins aan te stippen, maar het is Bernarda Fink op de nieuwe opname die met haar unieke stem de onrust en het grillige van deze muziek weet te realiseren in perfecte samenwerking met twee hobo's da caccia.

De tweede opname heeft Teldec uit de catalogus genomen. Naar verluidt was Harnoncourt niet zo tevreden over het kooraandeel. En toch heeft het openingskoor hier een serene kalmte waarin de schitterend geblazen fluitpartij van Paul Verhey magnifiek komt bovendrijven. Er zijn meer glorieuze momenten op deze opname, nog afgezien van de gerijpte en uiterst dramatische Evangelist van Kurt Equiluz. Hoogtepunt en onvergetelijk voor iedereen die erbij was, is de aria 'Aus Liebe will mein Heiland sterben' zoals die gezongen werd door wijlen Arleen Augér. Ook hierin speelde Paul Verhey een belangrijke rol in het creëren van de sfeer. Augér wist met haar diepdoorleefde en etherische interpretatie de tijd vijf minuten stil te zetten. De jongenssopraan uit de eerste opname is (hoe knap ook) geen partij voor haar en Christine Schüfer op de nieuwe opname evenmin. Schüfer zingt prachtig, maar trekt niet die onnavolgbare lijnen van Augér, die als in het niets (het woord 'nichts' is hier heel belangrijk) lijken op te lossen. Augérs adembeheersing is subliem: live en in een beduidend langzamer tempo dan Schüfer krijgt zij de langgerekte reeks tonen op het woord 'sterben' onder één ademboog. Schüfer doet het haar in de opnamestudio niet na.

Daar staat tegenover dat Schüfer in de aria 'Ich will dir mein Herze schenken' met een gelukzalige vastberadenheid het woord 'will' uitzingt. Op enkele punten na is de nieuwste opname te prefereren boven de eerdere twee. Het blijft natuurlijk heerlijk om Max van Egmond in 1970 zijn aria's te horen zingen en de opname met Augér is dan wel uit de handel gehaald, maar haar 'Aus Liebe' is te horen op de cd die bij het 'Matthüus'-boek van het Concertgebouworkest gevoegd is.

Met zijn nieuwe opname heeft Harnoncourt zijn bijna levenslange bezigheid met Bachs 'Matthüus' optimaal vastgelegd. Het is de sublieme culminatie van meer dan dertig jaar passie voor deze muziek.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden