Nieuwe glorie van de islamitische architectuur

De Agha Khan Prijs voor architectuur is 6 september uitgereikt in Lissabon. Vijf projecten, die de eisen van de moderne wereld verbinden met de creativiteit van de islamitische traditie, zijn bekroond.

TEKST LAURENCE D'HONDT VERTALING KLEIS JAGER

Islamitische architectuur is niet alleen voorbije glorie. Elke drie jaar raakt deze voor het grote publiek onbekende wereld in de ban van een ceremonie waarbij het draait om de beste architectonische projecten van de afgelopen tijd. Onder toezicht van de Agha Khan, de paus van de 25 miljoen sjiitische ismaelitische moslims, richt de prijs zich op bouwwerken die hun praktisch nut hebben bewezen. Het gaat dus niet alleen om esthetische kwaliteiten, maar vooral om de sociale, ecologische of economische waarde.

Het kan gaan om de restauratie van een monument, zoals een Iraanse bazaar of een innoverend plattelandsziekenhuis, gemaakt van gebruikte containers. Als de schoonheid van een gebouw maar in dienst staat van het welzijn en het ook, maar niet uitsluitend, gebruikt wordt door de islamitische gemeenschap.

De prijs zag het licht in 1977 toen de Agha Khan zijn Agha Khan Development Network oprichtte, een organisatie voor ontwikkelingswerk die een belangrijke plaats aan cultuur toekent. De Agha Kahn heeft altijd gevonden dat cultuur bijdraagt aan economische en sociale ontwikkeling en aan een positieve kijk op de islamitische identiteit.

Volgens de Agha Kahn is de islamitische wereld geconfronteerd met een culturele ramp. De kolonisatie is deels verantwoordelijk voor de 'culturele vervreemding' in de moslimwereld, maar in landen die nooit gekoloniseerd zijn geweest, zoals Iran en Afghanistan, is de toestand nauwelijks beter.

In de post-koloniale tijd droeg te snelle verstedelijking bij aan de vernietiging van de culturele kenmerken, en dat gold zeker ook voor de architectuur, die in de islamitische cultuur een prominente plaats inneemt. Van Teheran tot Beiroet, overal deden graafmachines hun sloopwerk, zonder enig besef van de waarde van het architectonische erfgoed. Moskeeën bleven gespaard, maar ontelbare bazaars, karavanserais (overnachtingsplaatsen voor karavanen), overdekte steegjes of huizen van particulieren die getuigden van 'islamitische broederschap' moesten eraan geloven.

De islam nodigt de gelovigen uit samen te leven en gemeenschappelijke ruimten te delen, maar privéruimten geheim te houden. Want persoonlijke rijkdom kan voor verdeeldheid zorgen. Dat betekent ook het uitwissen van wat mensen van elkaar scheidt en het niet definitief afsluiten van binnen- en buitenruimte. Vandaar de vele tussenruimten, zoals tuinen, pergola's, zuilengalerijen, winkels die aan de straatkant open zijn of een moucharabie als deuropening, een vlechtwerk van hout dat de blik en het licht filtert. In plaats van dat alles verrezen er betonnen appartementencomplexen, waarin families niet meer konden leven in een traditionele, horizontale omgeving waar goed over was nagedacht.

Sommige architecten probeerden aan te sluiten bij de traditie, maar zij misten de steun van regeringen bij het uitdenken van hun projecten. De Egyptenaar Hasan Fathy was een van de eersten die traditionele huizen van leem in ere probeerde te herstellen. Hij bouwde het dorp New Gourna, waar de plunderaars van graven van de Vallei der Koningen in Luxor werden gehuisvest. Het geldt sinds 1947 als begin van de bewustwording van de esthetische en ecologische kwaliteiten van 'arme' architectuur in de dorre aarde van de islam. Het systeem voor klimaatbeheersing was eenvoudig: wind die de huizen door openingen binnendrong, werd gekoeld door waterpartijen.

Op Hassan Fathy, erkend als een belangrijke vertegenwoordiger van de islamitische architectonische renaissance, volgden andere namen, zoals die van de Irakees Rifaat Chadirji die bijdroeg aan de herwaardering van lokaal vakmanschap, ontwikkeld in extreme klimaten. Uiteindelijk opende de nieuwe islamitische architectuur zich voor de moderniteit.

Sommige inventieve architecten uit Zuid- en Zuid-Oost Azië vonden de tussenruimte opnieuw uit. Zo zijn de ontwerpers van de Met Tower in Bangkok niet gezwicht voor de arrogantie om de grootste toren in de wereld te willen bouwen. Ze beperkten zich tot een gebouw van 66 verdiepingen, waarbij elke etage herinnert aan de stijl van tropische gebouwen in de horizontale traditie. Terrassen, boekhandels of hoeken met een barbecue stellen de bewoners in staat collectieve ruimten te creëren die gericht zijn op de buitenwereld. Een mooi voorbeeld dat laat zien hoe typisch islamitische en eigentijdse elementen kunnen samengaan.

Bazaar van Tabriz
Zoals veel bazaars, dreigde die van de Iraanse stad Tabriz te vervallen tot een ruïne. In het begin van de jaren negentig sloten de laatste winkels van dit oude winkelcentrum hun deuren, terwijl de rijke kooplieden al waren vertrokken naar appartementen aan de rand van het oude centrum. Deze overdekte markt uit de achttiende eeuw met koepels en zuilengalerijen zou alleen een herinnering zijn geweest als de directeur monumentenzorg in Iran het probleem niet uit de juiste invalshoek had benaderd. Seyyed Mohammed Beheshti wist dat het geen zin had de winkeliers in hun winkels te laten blijven met het argument dat het monument anders verloren zou gaan. Behesti, die geen bijzondere verantwoordelijkheid had voor het bouwwerk, besloot een eerste deel te restaureren. Dat werd een succes. Eerst kwamen nieuwsgierige klanten en in hun voetsporen keerden ook veel winkeliers weer terug. Omdat ze opeens overtuigd waren van de kansen op een doorstart van de bazaar, trokken ze hun eigen portemonnee om de rest stukje bij beetje te laten restaureren. In 2012 was het hele werk gedaan: 5500 winkels op 27 hectare. De waarde van hun winkelpanden schoot omhoog, nu duidelijk was dat deze niet alleen van historisch maar ook van economisch en esthetisch belang waren.

De winkeliers hebben comités opgericht die de generaties overstijgen en waarbij de kinderen ook meepraten. Op deze manier hebben ze de toekomst verzekerd van het oude centrum van Tabriz en beantwoord aan het essentiële criterium van de Agha Khan Prijs: een nieuwe waarde geven aan architecturale schoonheid.

Brug van Rabat
Een rivier scheidt de Marokkaanse hoofdstad Rabat van de wijk Salé. Traditioneel waren het twee werelden, zelfs taxichauffeurs wilden niet van de ene naar de andere kant rijden. De mensen van Rabat en Salé kenden elkaar niet; aan de ene kant leefden de inwoners van het administratieve centrum van Marokko, aan de andere kant 'de bedelaars van de haven van Salé', geminacht door Rabat.

Toch was deze muur niet bestand tegen de demografische ontwikkeling, toenadering was onvermijdelijk. En dus kwam het idee voor een brug op. "Maar een brug is allereerst een zaak van ingenieurs" vertelt Marc Mimram, chef van het project. "Ingenieurs zijn vooral geïnteresseerd in de technische uitdaging."

Het project van Mimram en zijn team was ambitieuzer: het was niet alleen de bedoeling auto's van de ene kant naar de andere kant te brengen, maar een omgeving te scheppen die twee groepen met elkaar in contact zou brengen die met de rug naar elkaar leefden.

In die geest werd de Hassan II-brug gebouwd.

Behalve voor auto's is er ook plaats voor een tram. Ook voetgangers kunnen er oversteken.

Om het horizontale karakter van een Marokkaanse stad te benadrukken, is de brug zo laag mogelijk gehouden. Alleen de Hassan-toren uit de twaalfde eeuw reikt naar de hemel. Om te voldoen aan een van de eisen van de Agha Khan-prijs, moest worden nagegaan of de brug ook daadwerkelijk werd gebruikt. Een enkele blik vanaf een van de oevers is genoeg om te zien dat dit ruimschoots het geval is.

Kerkhof in de Alpen
Wie aan islamitische architectuur denkt, ziet in de eerste plaats een moskee voor zich. Moskeeën tonen, net als kerken in de christelijke wereld, het beste wat elke tijd op technische gebied heeft te bieden.

Het bouwen van een moskee in Europa is vaak problematisch vanwege de zichtbaarheid. Maar over de aanleg van een islamitisch kerkhof in het Oostenrijkse Altach was snel overeenstemming. "Het is eenvoudiger om een islamitisch kerkhof aan te leggen dan een moskee te bouwen", aldus de chef van het project, Eva Grabherr.

Het begon met een eenvoudig verzoek van de islamitische gemeenschap van de provincie Vorarlberg, de provincie met de meeste moslims in Oostenrijk (10 procent van de bevolking). De moslims wilden hun doden kunnen begraven in het land waar zij hadden geleefd. Negen jaar lang is er overlegd voor er een akkoord lag over de eerste openbare islamitische begraafplaats. Die moest niet alleen beantwoorden aan een behoefte onder de bevolking, maar ook een echt architecturaal project zijn.

Architect Bernardo Bader maakte een plan dat tegelijk minimalistisch en monumentaal is: een serie betonnen muren die in grootte variëren, in overeenstemming met het Alpenlandschap in de omgeving van de begraafplaats.

De rituele ruimten, zoals de op Mekka georiënteerde was- en gebedsruimte, zijn voorzien van achthoekige sterren, een islamitisch symbool. In de geest van de Agha Khan is de begraafplaats van Altar een architecturaal kunstwerk geworden, in dienst van de lokale gemeenschap.

undefined

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden