'Nieuwbouw moet de laatste optie zijn'

Oud en nieuw, traditie en innovatie, ze horen bij elkaar, vindt architect Hubert-Jan Henket. In september opent het Fries Museum zijn deuren. Het is het derde museum, onder handen genomen door Henket, dat dit jaar klaar is.

Goeie genade, wat overkomt me nu...?' Hubert-Jan Henket reed in het voorjaar van 2002 op de A2, toen hij het meest wonderlijke telefoontje van zijn leven kreeg. Of hij bereid was de laatste wens te respecteren van de overleden Friese architect Abe Bonnema. Deze had een legaat van ruim 18 miljoen euro nagelaten, te besteden aan een nieuw Fries Museum dat ontworpen moest worden door architect Hubert-Jan Henket, op het Zaailand in Leeuwarden.

Henket: "Ik heb een parkeerplaats gezocht en de penningmeester van de Abe Bonnema Stichting gevraagd of hij dat verzoek nog eens wilde herhalen." Toen hij hoorde dat het legaat zou vervallen aan een goed doel als hij de opdracht zou weigeren, zei Henket ter plekke 'ja'. "Normaal neem ik 24 uur de tijd voor een belangrijke beslissing."

Spijt heeft hij er nooit van gehad, maar wat een heisa bracht Bonnema's testament teweeg in Leeuwarden. "Het heeft niet voor niks elf jaar geduurd voordat het museum er stond."

Als koningin Máxima op 13 september het nieuwe Fries Museum opent, is dat al het derde museum van Henket dat dit jaar gereed is gekomen. Het nieuwe Museumkwartier in Den Bosch en de uitbreiding van Museum de Fundatie in Zwolle werden dit voorjaar geopend. Hubert-Jan Henket (73) stond al bekend als de architect die de nodige musea onder handen heeft genomen. Maar met dit trio erbij is hij de onbetwiste koploper als het gaat om het (ver)bouwen, restaureren en uitbreiden van musea in Nederland in de afgelopen twintig jaar. Het begon allemaal met het winnen van de prijsvraag in 1990 voor de verbouwing van het Teylers Museum in Haarlem, het oudste museum van Nederland. Daarmee vestigde hij zijn reputatie van de bouwmeester die als geen ander oud met nieuw kan verbinden.

Zo'n indrukwekkende staat van dienst... Maar wat hangt er pontificiaal in de entreehal van zijn kantoor? Een grote foto van het Rijksmuseum in Amsterdam. Een impressie van hoe het Rijks eruit had gezien als Henket het had mogen verbouwen.

Het zit kennelijk diep, heel diep. Het is inderdaad zijn grootste frustratie, erkent Henket, dat de verbouwing van het Rijksmuseum aan zijn neus voorbijging. Eigenlijk wil hij daar niet meer over praten, zegt hij, aan het begin van het interview. Om vervolgens toch uit te barsten in een heftig betoog dat zijn plan voor het Rijksmuseum 'veel beter' was dan dat van de Spaanse architecten Cruz en Ortiz. Het grootste verschil met het uitgevoerde ontwerp van Cruz en Ortiz is dat Henket de onderdoorgang voor fietsers ongemoeid wilde laten. "Geen enkel museum wil een onderdoorgang door het gebouw, omdat dat onhandig is. Maar die doorgang hóórt bij het Rijks, dat hebben we te respecteren."

Henket wilde de fietsers en museumbezoekers in twee stromen scheiden door een nieuwe hoofdingang te maken aan de Stadhouderskade. Aan die kant was voldoende ruimte om bezoekers aan weerszijden van de fietsroute via brede trappen te laten afdalen naar de centrale entreehal onder de onderdoorgang. Niet alleen een logischer route dan nu het geval is - in de onderdoorgang - meent de architect. "Jaren trammelant over dat fietspad hadden ze ermee kunnen voorkomen." Het fietspad dat nu overigens als proef is opengesteld.

Het zit u nog steeds hoog?

"Ja, maar ik moet het gewoon accepteren. Toen wij ons plan voor het Rijksmuseum maakten, heb ik vooraf op het bureau gezegd dat er twee uitkomsten mogelijk waren. 1. We verliezen als we de onderdoorgang ongemoeid laten als fiets- en wandelroute. 2. We maken kans om te winnen als we een andere keuze maken. Maar in onze visie was dat wel de verkeerde keuze."

Hoe wist u dat zo zeker?

"Het was bekend hoe Ronald de Leeuw (de toenmalige directeur van het Rijksmuseum, red.) dacht over de fietsonderdoorgang. Maar dat druiste zo in tegen hoe wij hier werken. We luisteren en kijken altijd intens naar wat gebouwen ons vertellen. De essentie van het Rijksmuseum is dat je erdoorheen kunt fietsen. Architect Pierre Cuypers heeft het bewust als een poortgebouw ontworpen, omdat hij de scheiding die deze grote kunsttempel teweegbracht tussen twee stadsdelen te rigoureus vond. Als je dat respecteert, wordt de erfenis van Cuypers niet een noodzakelijk kwaad, maar een inspiratiebron voor het zoeken naar nieuwe oplossingen. Overigens vind ik dat Cruz en Ortiz afgezien van de entree het museum wel formidabel hebben gerestaureerd en ingericht. Dat is van wereldklasse."

Had een Nederlandse architect dat ook gekund?

"We hebben hier uitstekende architecten. Je kunt je afvragen waarom we buitenlanders het belangrijkste museum van Nederland laten verbouwen. Voor het ontwerp van het Nederlands Architectuurinstituut vroegen ze destijds ook buitenlandse architecten. Ralph Erskine (een Brits-Zweedse architect, 1914-2005, red.) heeft toen afgezegd. Hij zei: Jullie hebben zulke goede architecten. Het kan toch niet zo zijn dat een buitenlander het Nederlands Architectuurinstituut gaat bouwen. Uiteindelijk werd het Jo Coenen. Bij het Rijksmuseum had de keuze voor een buitenlands bureau misschien ook met status te maken. Twee architecten uit Sevilla, dat vonden ze waarschijnlijk beter klinken dan een Brabants bureau. Maar het was zo'n grote teleurstelling, ook omdat ons plan beter was. En nu houd ik er echt over op. Kon je de weg makkelijk vinden, had ik het goed uitgelegd?"

'Bij de twee palen moet je afslaan, de onverharde oprijlaan op. Aan het eind staat een oude stal en daar zit ons bureau', aldus de beschrijving van Henket. Met zijn twaalf medewerkers - "meer dan zestien mensen heb ik nooit willen hebben, anders kan ik ze niet meer aansturen" - zit hij in een verbouwde koeienstal op landgoed Den Eikenhorst in Esch bij Vught. De architect heeft in de vroege ochtend al de rododendrons staan snoeien. Hij verontschuldigt zich dat hij nog in zijn vuile kleren loopt.

De buitenplaats Den Eikenhorst wordt al ruim een eeuw bewoond door de Henkets. In 1906 kocht Henkets overgrootvader Nicolaas Hubertus, die van 1866 tot 1901 hoogleraar weg- en waterbouw was in Delft, de buitenplaats aan. Hubert-Jan Henket, de vierde generatie van in Delft opgeleide ingenieurs, vestigde in 1976 zijn bureau op het landgoed. Daarvoor werkte hij op architectenbureaus in Helsinki en Londen. Zijn zonen hebben gebroken met de familietraditie en niet in Delft gestudeerd. Een is bankier, de ander fotograaf. Henket hoopt dat te zijner tijd een van hen op het landgoed komt wonen en die familietraditie wel voortzet. Zelf gaat hij er nooit meer weg. "Ze moeten mij hier in een kist wegdragen."

U bent 73. Hoe lang gaat u nog door?

"Ik heb afgesproken dat ik tot 2015 bij het bureau blijf. In 2005 heb ik de leiding overgedragen aan Janneke Bierman, met de afspraak dat ik nog een tijd zou blijven. Ik doe nu bijvoorbeeld nog de supervisie over de verbouwing van de Beurs van Berlage in Amsterdam en van de voormalige Pastoe Fabriek in Utrecht. Ik laat het bureau straks met een gerust hart aan Janneke over. Ze kwam in 2000 bij ons werken. Ik heb haar gevraagd als opvolger, omdat ze mijn beste afstudeerder was in Eindhoven. Ze wilde ook graag in het zuiden blijven wonen."

U zit hier prachtig, maar heeft het nadelen gehad om niet in de Randstad te zitten?

"Beslist. De Randstad is op alle mogelijke manieren dominant. In het begin had ik veel moeite om aan goede mensen te komen. Niemand wilde in Brabant wonen. Nu is dat niet meer zo, hoor. Ik heb 22 jaar studenten opgeleid, op de TU Eindhoven en op de TU Delft. Als er in Brabant een lezing was van een beroemde architect zaten er 150 mensen in de zaal, in Delft 700. Het zuiden gaat wel naar de Randstad, maar de Randstad komt niet naar het zuiden. Dat is helaas nog steeds de praktijk."

Henket is gespecialiseerd in het op ingetogen wijze verbinden van oud met nieuw. Het renoveren en herbestemmen van gebouwen is nu door de economische crisis aan de orde van de dag. Maar Henket was daar al mee bezig in de jaren negentig, toen zijn collega's nog sterk gericht waren op het bouwen van iconen.

U was uw tijd vooruit.

"In Nederland zijn we gewend om oud al snel te vervangen door nieuw. Nieuw wordt als vooruitgang gezien. Dat is een logisch uitvloeisel van het kapitalisme, want de machines moeten blijven draaien en de verkoper in de winkel moet aan het werk blijven. Ik denk vanuit de levenscyclus van een gebouw. Gebruik eerst wat je hebt. Nieuwbouw moet de laatste optie zijn. Natuurlijk moet je vernieuwen. Het zou dwaas zijn om moderne gebouwen in oude binnensteden te verbieden. Oud en nieuw, traditie en innovatie horen bij elkaar. Het is én én, niet of of. Zelfs de grootste revolutionair heeft traditie nodig om bij een gemeenschap te horen. Net zoals de conservatief vernieuwing nodig heeft, omdat verandering de enige constante in het bestaan is."

Is het wonen en werken op een oud familielandgoed van invloed geweest?

"Dat zou kunnen. Dit landgoed dateert uit 1760. Het is aangelegd als een traditionele Europese buitenplaats met lange rechte lanen. Waarschijnlijk rond 1823 hebben ze er de landschapsarchitect Zocher bij gehaald om het lanensysteem aan te vullen met een organische Engelse landschapstuin. Dat was toen in de mode. Die twee stijlen lopen hier nog steeds door elkaar heen en laten zien dat vernieuwing kan samengaan met waardering en respect voor het traditionele en bestaande. Dat loopt ook als een rode draad door mijn werk. Ik zoek een balans tussen het tijdelijke en het tijdsongebondene. Vernieuwen moet, maar de eigen tijd moet niet zo dominant zijn dat het vervelend wordt voor je opvolgers."

Is die balans er wel bij Museum de Fundatie in Zwolle, waar u een futuristisch paviljoen op het dak van het neoclassicistische gebouw hebt gezet?

"Zeker, en dat zal ik uitleggen. Een aanbouw zou de hele symmetrie van het gebouw hebben aangetast. Ondergronds bouwen kon ook niet, dus we moesten het dak op. Dan heb je twee keuzes: een eigen vorm kiezen of een rechthoekige doos, maar die gaat concurreren met het bestaande gebouw. Zo zijn we bij die vloeiende vorm gekomen, die ook past bij de vloeiende Engelse landschapsstijl van het aangrenzende park. We hebben hem laten bekleden met 55.000 geglazuurde wit-blauwe tegels om er een grote luchtige, lichte wolk van te maken, die een twee-eenheid vormt met de klassieke statische onderbouw."

Ziet die glinsterende wolk er over een paar jaar ook nog zo mooi uit?

"Als architect moet je ook vijf of tien jaar later langs je gebouwen kunnen rijden zonder dat je je schaamt, omdat ze zo vuil zijn geworden. We hebben lang nagedacht hoe we kunnen voorkomen dat die wolk er uit gaat zien als het Evoluon in Eindhoven met die vuile strepen van het regenwater. Dat hebben we opgelost door de tegeltjes de vorm te geven van een ongelijkvormige afgeknotte piramide die in vier verschillende richtingen kan worden bevestigd. Daardoor spat het regenwater alle kanten op en krijg je geen vieze sporen. De wolk was voor ons ook een groot avontuur, maar het resultaat is boven verwachting. Met dank aan het vakmanschap van tegelzetter Andries Planting uit Lemmer. In Zwolle is zo liefdevol meegewerkt. Een groot contrast met Leeuwarden."

Hoezo? Daar kregen ze toch zomaar een nieuw Fries Museum in de schoot geworpen dankzij het legaat van Abe Bonnema?

"Dat zou je denken, maar het was een uiterst moeizaam proces. Toen ik de laatste wil van Bonnema had aanvaard, brak meteen de pleuris uit in Friesland. 'Wie denkt Bonnema wel dat hij is?' 'Waarom moeten we een nieuw museum hebben?' Via zijn legaat heeft Bonnema willen realiseren wat hem tijdens zijn leven niet is gelukt. Hij had nooit een museum gebouwd. Hij had een prijsvraag verloren voor het Zaailand, waar het museum moest komen. En hij wilde als architect terug naar het handwerk. Zijn bureau bouwde vooral grote kantoorgebouwen en ziekenhuizen. Hij was gecharmeerd van mijn werk en heeft me ooit gevraagd of ik zijn bureau wilde overnemen als hij zich terugtrok. Maar dat wilde ik niet, omdat ik geen goede manager ben voor zo'n groot bureau. Maar die koppige en eigenzinnige Abe zou Abe niet zijn als hij niet over zijn graf heen regeerde. Uit sympathie voor wie hij was, heb ik hem geholpen. Met het Fries Museum heb ik fantastisch samengewerkt. Voor de rest is het niet gelopen zoals wij wilden. Wij zouden ook de strook winkels en woningen naast het museum ontwerpen. Door een deal van de gemeente met een projectontwikkelaar is het niet verder dan het voorlopige ontwerp gekomen. Het plein is daardoor niet geworden wat wij bedacht hadden. Er is daar zonder inzet en betrokkenheid gewerkt. Liefdeloos, dat is het goede woord. Maar het museum is wel zoals ons voor ogen stond: een grote huiskamer voor de stad, een sober en helder gebouw, net zoals de architectuur van Abe Bonnema."

Wie is Hubert-Jan Henket?
Hubert Jan Henket (1940) studeerde in 1969 af aan de toenmalige Technische Hogeschool (nu TU) in Delft. Na gewerkt te hebben in Helsinki en Londen richtte hij in 1976 zijn eigen bureau op in het Brabantse Esch.

Zijn doorbraak kwam in 1990, toen hij de prijsvraag won voor de uitbreiding van het Teylers Museum in Haarlem. Ook de renovatie van Sanatorium Zonnestraal, samen met architect Wessel de Jonge, wordt als een hoogtepunt in zijn oeuvre gezien.

Andere projecten van Henket, die sinds 2000 samenwerkt met zijn opvolger Janneke Bierman:

De Vriese Paviljoen van museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, Instituut voor Doven Sint Michielsgestel, Singer Museum Laren, luchtbrug Hogeschool voor de Kunsten Arnhem, Mariakapel Sint-Janskathedraal 's-Hertogenbosch, Kunstencentrum De Verkadefabriek 's-Hertogenbosch, Museum Catharijneconvent Utrecht, Wintertuin Hortus Botanicus Leiden, MECC Maastricht, Nederlandse ambassade Bangkok, Thailand.

BiermanHenketarchitecten werkt momenteel aan de Beurs van Berlage in Amsterdam, het nieuwe Nationaal Onderwijsmuseum in Dordrecht en de Pastoe Fabriek in Utrecht. Een imposant oeuvre, maar Henket kan het niet laten om ook de musea te noemen die hij níet heeft mogen verbouwen. Naast het Rijksmuseum waren dat het Stedelijk Museum Amsterdam en het Dordrechts Museum.

Onlangs verscheen het boek 'Waar nieuw en oud raken. Een pleidooi voor houdbare moderniteit in architectuur' van Hubert-Jan Henket, uitg. Lecturis.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden