Nieuw overstapstation Duivendrecht is een eiland van licht en lucht

Vanaf maandag 24 mei is de spoorlijn tussen Weesp en Amsterdam-RAI in bedrijf. Zondag 23 mei is er van 11-17u open dag voor het publiek; op dit traject is de trein dan gratis en op de stations RAI, Duivendrecht en Diemen-Zuid zijn er activiteiten zoals optredens, exposities en (info)stands.

'Het nieuwe visitekaartje van de NS' wordt station Duivendrecht al trots genoemd, of nog trotser 'Crystal Palace', naar het Londense wereldtentoonstellingsgebouw uit 1850. Het heeft dan ook alles wat de NS wensen uit te stralen als hedendaags, dynamisch en klantgericht vervoersbedrijf. Het is licht, helder en functioneel, zonder gekunstelde of ingewikkelde toevoegingen. Het is transparant, overzichtelijk, van verre zichtbaar en duidelijk herkenbaar als station.

Architect Peter Kilsdonk was een van de drie architecten die zo'n vijftien jaar geleden bij de NS in dienst traden om het bedrijfsimago te vertalen in eigentijdse stations. Want hoe fraai ook, 19de-eeuwse toetersen-bellengebouwen van baksteen zoals het Amsterdamse CS pasten volgens de NS niet langer in het beeld van een hedendaags bedrijf. Daarvoor in de plaats kwam een nieuw type station met een hightech uiterlijk: zoveel mogelijk daglicht, signaalkleuren, zichtbare stalen (buis)frames en glas. Kilsdonk ontwierp ondermeer de stations van Zaandam (1983), Almere (1987) en Lelystad (1988); collega's Harry Reijnders en Rob Steenhuis maakten Amsterdam-Sloterdijk, -Lelylaan, RAI en Diemen-Zuid. Allemaal verschillend, maar door hun kermiskleuren en soms opdringerige, functionalistische stalen constructies herkenbaar als een soort huisstijl. Op den duur wordt die nogal vervelend, zeker als die vaak wordt toegepast, vooral in nieuwbouwomgevingen waar het gehalte staal, glas en glans toch al zo hoog is.

Licht en luchtig

Station Duivendrecht is weliswaar opnieuw een brok civiele techniek met veel staal en glas, maar zo licht en luchtig, dat het veel subtieler oogt dan zijn voorgangers. Het signaalrood, felgeel en ptt-groen zijn hier vervangen door veel wit en zachte grijstinten, en zware constructies door lichte. Felrood zijn alleen nog de enorme, rode driehoeken boven het viaduct naast de ingang, die het station herkenbaar moeten maken tussen de wirwar van viaducten er omheen - wat maar ten dele lukt.

In dit geval past het technische uiterlijk van het station wel goed bij de kale vlakte vol vervoerslijnen rondom. Het station vormt een eilandje als knooppunt tussen vier totaal verschillende gebieden: de Amsterdamse buitenwijk Venserpolder met de woonblokken van architect Carel Weeber, Ouder-Amstel met zijn rustieke kerk en oude huisjes en het groen van twee uitgestrekte golfvelden. Omdat het onmogelijk was alles aan elkaar te breien, werd besloten het station letterlijk een eilandje te laten zijn. De viaducten die erheen lopen, zijn extra lang gemaakt en de grond die niet gebruikt werd, is onder water gezet. Dat brengt licht, doorzicht en overzicht op het terrein. Het water kaatst daglicht tegen de vele betonconstructies en laat de zuilen onder de trein- en metrolijnen langer en dunner lijken. Bovendien voorkomt het dat engerds zich erachter verschuilen, wat het onderwereldgehalte van de omgeving verkleint en de sociale veiligheid opvijzelt. Direct rond het station gebeurt namelijk helemaal niets en pas na 1996 mag een stedebouwkundig plan voor de omgeving worden gemaakt.

Het station zelf is een en al licht en transparantie. Net als bij station Sloterdijk kruisen de treinen elkaar op verschillende niveaus. Door het eerste niveau loopt de nieuwe Zuidtak langs perrons die (net als bij Sloterdijk) overkapt zijn tot een transparante buis. Op de tweede verdieping stoppen de metro en de treinen van Utrecht naar Amsterdam; met dit overstapstation is de reis van Utrecht naar Schiphol nu 22 minuten korter dan voorheen via Amsterdam Centraal.

Station Duivendrecht is het laatste station dat Kilsdonk in dienst van de NS bouwde. Hij wist hierin alle ideeen die hij voor NS-stations ontwikkelde te combineren: een maximum aan daglicht, dynamiek, klantvriendelijkheid en sociale veiligheid. Anno 1993 mag een station geen onoverzichtelijk doolhof meer zijn, geen tochtgat of catacombe. Hoe minder onduidelijke hoekjes, hoe meer overzicht en veiligheid, maar het mag ook geen saai gebouw zijn.

Doorkijkjes

Net als bij de nieuwe terminal van Schiphol van zijn TU-studiegenoot Jan Benthem maken vides, glas en doorkijkjes overal duidelijk hoe het gebouw in elkaar zit en geven de glazen wanden van de perrons zicht op de omgeving. Daglicht doordringt het gehele station: van boven door de vides, van opzij door glazen wanden en van onder doordat de plafonds glanzend wit geschilderd zijn. De entreehal is net als de liften rond en van glas.

Het gevoel van licht, lucht en ruimte wordt echter ook veroorzaakt door een aantal constructieve ingrepen. Het aantal kolommen is minimaal en waar mogelijk in dun staal uitgevoerd; alleen op de begane grond zijn ze van een meter dik beton. Met zo weinig zuilen lijkt de ruimte vrijwel moeiteloos door te lopen, vooral op de tweede verdieping, waar enkel een paar schuine, stalen dragers de boven het dak bevestigde draagconstructie steunen. Geen kilo staal teveel is hier verwerkt.

Lampen en akoestische schermen hangen luchtig en elegant aan dunne draden staal en naar alle kanten is uitzicht. Voorbijdenderende treinen doen de perrons zacht trillen en laten de lampen licht bewegen. Het station is daardoor een merkwaardige combinatie van binnen- en buitenruimte, van beschutting, herrie en luchtdruk (ondanks akoestische maatregelen en windschermen) die wel past bij zijn functie. De sfeer ligt ergens tussen die van een vliegveld en van een modern warenhuis met vides, roltrappen en glazen balustrades.

De architectonische ongein, zoals de postmoderne timpaantjes boven de liftingangen, zijn in het ontwerp geslopen toen Kilsdonk al weg was. Zelf voerde hij eigen geintjes in. De dunne kolommen van de eerste verdieping hebben allen een andere kleur om ze als aparte objecten te laten overkomen in plaats van als rij. Kleuren als bruin en petrol (blauwgroen) zijn bedoeld als hommage aan de architecten Loos en Le Corbusier en illustreren tegelijk de definitieve breuk met de signaalkleuren van de NS, die hij zelf ooit introduceerde. Altijd een stukje ironie inbouwen, vindt Kilsdonk, al is die nog zo persoonlijk. Bouwen is al serieus genoeg.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden