Niets is zo lekker als een zachte korenwijn uit Schiedam.

Misschien niet het juiste moment om na de feestmaand december in Schiedam te gaan wandelen, een stadje dat toch associaties oproept van beste borrels en kroegen. Maar in de maanden januari en februari is niets zo lekker als een zachte op eikenhout gerijpte korenwijn, die na een wandeltocht door smalle tochtige steegjes, molens met veel wind en grachten je lichaam weldadig opwarmt.

Jan des Bouvrie heeft ook iets met Schiedam en/of jenever en heeft geprobeerd de plaats moderne allure te geven door een aantal jaren geleden een grootse woonwinkel in de voormalige korenbeurs op te zetten. Inmiddels staat het gebouw weer leeg. Wel zagen we bij de plaatselijke slijterij in een hoekje nog modern gestileerde flessen De Kuyperjenever waaraan de Bouvrie zijn naam heeft gegeven.

Waarom had in 1881 uitgerekend Schiedam 400 branderijen en stonden er 20 molens langs de ringkanalen? Oorzaak was Rotterdam, waar het door de vele branderijen in de binnenstad door de rook en stank niet meer te harden was. Men werd gedwongen zijn bedrijf naar elders te verplaatsen en Schiedam met zijn ligging was perfect. In 1594 werd hier de eerste jenever gestookt en kwamen er tientallen branderijen, molens en mouterijen langs de waterkanalen. Al gauw kwamen er glasblazerijen, kuiperijen en drukkerijen bij en vormde zich hier een hele industrietak. Dit zou tot 1900 zo blijven. Blijkbaar was het voor de arbeiders minder erg om tussen stank en rook te moeten wonen. Op een gegeven moment moet de binnenstad doordrenkt zijn geweest met de walm van alcohol en mout, kinderen speelden op de vaten die op straat stonden en vaders kwamen bezopen van hun werk thuis, want om ze aan de branderij te binden werden ze voor een deel met alcohol uitbetaald.

In de brandersbuurt ’Achter de Teerstoof en Verbrande Erven’ liggen de voormalige sloppensteegjes waar de arbeiders woonden. De schrijver F. Bordewijk heeft in zijn verhaal ’Verbrande Erven’ deze binnenstad beschreven en geeft Schiedam de bijnaam ’Zwart Nazareth’.

Inmiddels produceert men nog maar op zo’n vier plekken jenever, maar de oude gebouwen die dienst deden als mouterijen, branderijen en stokerijen staan er nog steeds. We beginnen bij Het Gedistilleerd Museum dat gevestigd is in een voormalige distilleerderij. Nu wordt er weer op de oude manier moutwijnjenever gestookt en er is een proeverij op zolder. Maar helemaal aan het begin van het proces was er de korenbeurs op de Lange Haven, waar 200 jaar geleden graanhandelaren op een chaotische manier handelden in gerst, rogge en maïs, de bestanddelen van moutwijn. De zakkendragers werden vervolgens opgetrommeld vanuit het zakkendragershuisje op Achter de Teerstoof, waar men er om dobbelde wie de zakken graan naar de mouterijen en de molens mocht dragen. Dat dobbelspel, dat ging onder strikte voorwaarden met een grote zandloper erbij, werd ’smakken’ genoemd.

De zakken gerst werden uitgestort op de grote vloeren van de mouterij, enorme panden zoals ’de Goudsbloem’. Na bevochtiging kreeg het de kans te ontkiemen, zodat het essentiële enzym kon ontstaan dat zetmeel omzet in suikers. Daar werd uiteindelijk alcohol van gestookt. Na het ontkiemen kwam het eesten ofwel branden, het mout moest drogen en werd uitgespreid over grote geperforeerde vloeren van waaruit onder warmte werd gestookt. De gerst ging naar een van de twintig molens die ooit in dienst stonden van deze industrie.

Nu staan er nog maar vijf hoge ranke molens, waarvan ’De Nieuwe Palmboom’ nog graan voor de jenever maalt en ook dienst doet als museum. Vervolgens werd er rogge, maïs en gist bijgedaan en na het gisten ontstond de moutwijn. Het restproduct, een bruine stinkende brij, heette spoeling en werd doorverkocht aan de boeren, want voor de varkens was dit een heerlijk maal. Aan de kade op het Noordvest ligt nog een oude spoelingschuit. Als er veel vraag was maakte men de spoeling dunner door het aan te lengen met water. De moutwijn ging nog drie keer door het distilleerapparaat om uiteindelijk heldere jenever te worden van 46 procent, met de toevoeging van geheime kruidenmelanges (onder andere de jeneverbes). Dit was de oude jenever.

Rond 1900 ontstond de jonge jenever, waarvoor veel minder moutwijn en meer alcohol op basis van suikerbieten werd gebruikt. Minder arbeidsintensief en dus goedkoper. Het gaat dan opeens veel slechter met deze ambachtsindustrie en veel familiebedrijven houden ermee op. Op vier bedrijven na, zoals UTO uit 1777 (’Unaniem tot Overeenstemming’). Hier komt de ambachtelijke ’Notaris’-jenever en korenwijn vandaan en op afspraak kun je branderij ’De Tweelingh’ bezoeken. Iets verderop ligt Dirkzwagerdorp, een handvol straten met gebouwen die toebehoren aan distillateur Dirkzwager van ’Floryn’. We zouden nog het jeneverpad kunnen lopen waar nog veel meer geschiedenis te vinden is en dat via Vlaardingen eindigt in Delfshaven, Rotterdam, maar we hebben het koud gekregen en besluiten naar tapperij ’Het Weeshuis’ te gaan, een café erkend door het prestigieuze ’Genevergenootschap’. Dit genootschap promoot de kwaliteitsjenever en heeft een aantal café’s in Nederland een soort van keurmerk gegeven. Het oogt rommelig en vol, maar de tientallen soorten kruiken en flessen achter de bar zijn erg uitnodigend en de kastelein weet met trefzekere hand het borrelglas tot precies op de rand te vullen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden