Niets is nog waar

’De veronderstelling dat brede participatie in het onderwijs onverenigbaar is met de handhaving van de allerhoogste normen, trek ik in twijfel. Participatie zonder behoud van normen komt neer op de misleiding van miljoenen mensen en berooft de samenleving van de mogelijkheid haar potentieel te verwezenlijken.’ De Engelse socioloog Frank Furedi over de funeste consequenties van de minachting voor de waarheid.

De huidige culturele elite beschouwt het leiden van een strikt intellectueel leven als iets wat collectieve minachting verdient. Intussen wordt het gedrag van deze elite gedicteerd door instrumentalisme: door een ethos dat kunst, cultuur en onderwijs alleen waardeert als instrumenten in dienst van een breder, praktisch doel.

Individuele wetenschappers die zich bezighouden met een onderwerp dat hun hartstochtelijke interesse heeft, lopen het risico als ’irrelevant’, ’elitair’, ’wereldvreemd’ en ’marginaal’ te worden bestempeld. Geleerdheid, het streven naar het uitmuntende en naar waarheid, wordt dikwijls als een bizar en genotzuchtig streven voorgesteld. Charles Clarke, de Britse minister van onderwijs, verklaarde dat zijn regering geen belang stelt in de ondersteuning van ’het middeleeuwse concept van een gemeenschap van geleerden die op zoek zijn naar waarheid’. Clarke’s beschrijving van de zucht naar kennis geeft blijk van het bekrompen ethos waarvan veel van het huidige onderwijs- en cultuurbeleid doortrokken is.

Die houding beperkt zich niet tot de Britse samenleving of tot politici van een bepaalde partij. Ook Clarke’s conservatieve voorgangers waren ervan overtuigd dat het voornaamste doel van onderwijs is om te fungeren als motor voor economische groei. Zelfs in de gunstigste periode was het zich bezighouden met ideeën als doel op zichzelf een ideaal dat zelden in de praktijk werd verwezenlijkt. Maar in elk geval werd dit ideaal van belang geacht. Tegenwoordig strookt het steeds minder met het instrumentalistische ethos van de mondiale cultuur. ’In toenemende mate leeft, zowel onder de studenten als aan de universiteit, het idee dat de humaniora en de talen overbodige luxe zijn’, constateerde Vrinda Nabar van de Indiase universiteit van Mumbai. In de Verenigde Staten is het niet anders. Tussen 1970 en 1995 nam het aantal studenten dat daar aan een universiteit een vreemde taal als hoofdvak studeerde met 37 procent af.

Bekrompen opvattingen over onderwijs, kunst en cultuur berusten niet speciaal op nieuwe ontwikkelingen. Sommige grote negentiende-eeuwse denkers hadden al oog voor de invloed die de onpersoonlijke kracht van de markt had op de ontwikkeling van kunst en cultuur. Tegenwoordig is de invloed van het filisterdom echter niet afhankelijk van de economische realiteit. Die invloed is op het hoogste niveau van de beleidsbepaling geïnstitutionaliseerd. Er bestaat een nieuw type universitaire bestuurders, museumdirecteuren, galeriehouders en ’kennisondernemers’ die onverschillig staan tegenover de inhoud van cultuur en ideeën. Zij zijn eropuit cultuur te gebruiken voor een doel dat volledig losstaat van de inhoud.

De minachting jegens het denkbeeld van ’geleerden die op zoek zijn naar waarheid’, is een uiting van de geest van onze tijd. Dergelijke cynische opvattingen worden geschraagd door een consensus die de mogelijkheid de waarheid te ontdekken met scepsis beziet. Vroeger verhulde de bewering dat men de waarheid najoeg vaak allerlei wandaden. Soms gingen ideologieën die waren bedacht om gevestigde belangen te dienen voor waarheid door. Maar in elk geval werd waarheid als doel op zichzelf van belang geacht. Volgens Aristoteles was waarheid het doel van de wetenschap: ’De filosofie is de wetenschap die de waarheid in ogenschouw neemt.’ Volgens Albert Einstein was ’het zoeken naar waarheid kostbaarder dan het bezit ervan’. Het hartstochtelijk zoeken naar waarheid heeft in de moderne periode generaties denkers geïnspireerd.

Helaas beschouwt de hedendaagse cultuur de waarheid als een onderwerp voor fictie, in plaats van voor intellectuele activiteit. Vaak wordt betoogd dat er niet zoiets als de waarheid bestaat. We worden opgeroepen om verschillende meningen te accepteren, die vele waarheden zouden representeren. De invloed van Michel Foucaults bewering dat er ’geen werkelijk universele waarheid’ bestaat, is in academische kringen wijdverbreid. De waarheid wordt zelden als een objectief feit voorgesteld; vaak wordt ze afgeschilderd als product van subjectieve inzichten, die met andere, even steekhoudende zienswijzen moeten wedijveren. Het relativisme – dat stelt dat de waarheid en morele waarden niet absoluut zijn, maar gerelateerd aan de personen of groepen die ze aanhangen – heeft een dwingende invloed op het culturele leven verkregen.

Deze visie heeft een belangrijke uitwerking op het functioneren van onderwijs- en cultuurinstellingen gehad. Als de waarheid wordt gedegradeerd tot iets wat afhankelijk is van subjectieve opvattingen, is ze niet langer van fundamenteel belang. Ze is zeker geen zaak van leven of dood meer. Evenmin kan het vinden van de waarheid nog als de voornaamste rechtvaardiging voor een belangrijke institutie dienen. Als de waarheid eenmaal wordt opgevat als een dubieuze aanspraak die met vele andere aanspraken moet wedijveren, houdt ze op een sleutelrol in het culturele leven te spelen.

Klassieke opvattingen over de status van de kunst – ’schoonheid is waarheid en waarheid is schoonheid’ – lijken onverenigbaar met een ethos dat zich waarheid alleen in het meervoud kan voorstellen. Ook het intellectuele leven moet ernstige aanpassingen ondergaan. In een studie over de rol van de universiteit wordt opgemerkt dat ’het hoger onderwijs heeft berust op de aanname dat objectieve kennis en waarheid bereikbaar zijn’, maar dat ’deze aanname door moderne ontwikkelingen in de filosofie, zoals het relativisme, de kritische theorie en het poststructuralisme, onlangs twijfelachtig is geworden’.

De nonchalante opstelling tegenover de waarheid beïnvloedt ook de bredere manifestaties van het culturele leven. Wat het beste is wat de samenleving te bieden heeft, is thans verre van evident. De Cultuur met een grote C heeft het veld geruimd voor vele culturen, en alle aanspraken op gezag of een speciale status worden op hoon onthaald. Het conventionele onderscheid tussen hoge en lage cultuur heeft weinig betekenis meer in een milieu waarin de waarheid zoiets ongrijpbaars is geworden. Chris Smith, de voormalige Britse minister van cultuur, gaf uiting aan dit sentiment toen hij verklaarde dat het onderscheid tussen ’hoge cultuur’ en ’lage cultuur’ misleidend is, en dat ’George Benjamin en Noel Gallagher beiden eersterangs musici zijn’.

Cultureel gezag heeft altijd berust op de claim de waarheid te representeren. Tegenwoordig worden dergelijke aanspraken vaak als elitair gehekeld, en het streven naar uitmuntendheid en naar strenge normen wordt afgedaan als dwaas gejammer over betere tijden. Elitarisme is geherdefinieerd als het toekennen van een hogere waarde aan bepaalde aspecten van de cultuur vergeleken met andere. Het is frappant dat dergelijke opvattingen bijna het gehele spectrum van de publieke opinie beïnvloeden. Het is niet simpelweg zo dat de zogenoemde cultureel progressieven de objectieve kennis verwerpen – de culturele elites zélf zijn terughoudend in het bevestigen van transcendente culturele waarden en waarheden. In plaats van hun gezag te bevestigen, stellen de culturele elites er meer belang in relevant en toegankelijk te lijken en voeling met de populaire opinievorming te houden.

Het is paradoxaal dat cynisme over objectieve kennis samenvalt met de opvatting dat we leven in een kennismaatschappij, waarin vaak de uitspraak ’kennis is macht’ kan worden gehoord. Commentatoren spreken veelvuldig over de noodzaak te reageren op de eisen van een kenniseconomie. Uitgerekend nu het intellectuele gezag van kennis in brede kring in twijfel wordt getrokken, hebben onderwijs en scholing een nooit eerder vertoond belang gekregen. De mensen worden voortdurend geprikkeld om hun leven lang te blijven doorleren en nieuwe kennis te verwerven. Helaas kent de hedendaagse verbeelding kennis een oppervlakkig, bijna banaal karakter toe. Vaak wordt kennis voorgesteld als een geprefabriceerd, hapklaar product dat ’geleverd’, ’overgedragen’, ’op de markt gebracht’ en ’geconsumeerd’ kan worden. Mary Evans beschrijft de academische instelling als een cateringbedrijf waar studenten de juiste ’portie’ ontvangen. De kennis die door de kooplui van de kenniseconomie wordt uitgevent, is een platvloerse karikatuur van zichzelf. Waarom? Omdat kennis zonder relatie met de waarheid geen intrinsieke betekenis heeft. Ze wordt een abstracte visie die in haar meest platvloerse vorm kan worden hergebruikt.

Het verminderde belang dat aan kennis wordt gehecht, heeft ingrijpende implicaties voor de manier waarop tegen intellectuelen wordt aangekeken en waarop ze tegen zichzelf aankijken. In het verleden werd het heroïsche zelfbeeld van de intellectueel met zijn extravagante pretenties terecht bespot. George Orwell bekritiseerde zijn intellectuele tijdgenoten bijvoorbeeld scherp. Maar desondanks behield hij de overtuiging dat ideeën het vermogen hadden om aan de schepping van een betere wereld bij te dragen. De hevigheid van de kritiek die op intellectuelen werd gericht, hield vaak juist een erkenning van de kracht van ideeën in. Maar in de beeldvorming van de eenentwintigste eeuw heeft de klassieke intellectueel plaatsgemaakt voor een pragmatischer persoon, wiens werk niet bijzonder belangrijk is.

Het klassieke, met de intellectueel verbonden ideaal van de speurtocht naar de waarheid heeft plaatsgemaakt voor een voorstelling waarin het najagen van ideeën van ieder verheven doel is ontdaan. Een sceptische houding tegenover de rol van de intellectueel blijft niet beperkt tot de stereotiepe, anti-intellectualistische, populistische filister. Veel intellectuelen beklemtonen dat ze door niets speciaals worden gekenmerkt.

Er bestaat weinig twijfel over dat intellectuelen opgeblazen, aanmatigende windbuilen kunnen zijn. Daarom zijn hun pretenties zo vaak het mikpunt van humor en misprijzen geweest. Toch is de arbeid van intellectuelen wel degelijk erg belangrijk. Zonder missie, project of verlangen om de Kennis met een grote K hoog te houden en te stimuleren voelen intellectuelen zich uiteraard ongemakkelijk en onbeholpen; en onder zulke omstandigheden moet het verlies van gezag, dat werd gewaarborgd door de verplichting de waarheid na te streven, wel een grote uitwerking op het intellectuele leven hebben. Helaas dragen deze omstandigheden alleen maar bij aan het aankweken van nog meer zelfgenoegzaamheid en conformisme.

De eeuwenoude spanning tussen calculerend economisch denken en een vasthouden aan onpersoonlijke en niet-instrumentele waarden als de vooruitgang van wetenschap en kennis, betekende dat de intellectueel en de kunstenaar in een staat van creatief conflict met de rest van de samenleving verkeerden. Artistieke en intellectuele activiteit werden juist geapprecieerd om het feit dat ze niet rechtstreeks door een instrumenteel ethos werden geregeerd. Kunstenaars en intellectuelen waren er niet op uit te produceren wat de klant wilde, maar streefden de verwezenlijking van een verhevener doel na. In de praktijk werd de scheidslijn tussen eigenbelang en het belangeloze najagen van kennis vaak doorbroken, maar desondanks was het streven van de intellectueel doortrokken van de retoriek van het najagen van ideeën als doel op zichzelf.

Het is opmerkelijk dat zelfs samenlevingen die de deugden van de markt volledig onderschreven, zoals de Amerikaanse en de Britse, de intellectuele en artistieke waarden toch bleven erkennen. Men gaf toe dat dergelijke inspanningen waarde hadden als doel op zichzelf, en niet omdat er een duur prijskaartje aan kleefde. De kunstenaars en intellectuelen zelf verdedigden hun bezigheden omdat ze ervan overtuigd waren dat die als doel op zichzelf van waarde waren.

Pas recent is het instrumentalistische ethos de wijze waarop de samenleving tegen haar artistieke en intellectuele activiteiten aankijkt, gaan domineren. Een van de oorzaken van deze ontwikkeling is de cumulatieve uitwerking van de ontgoocheling over het erfgoed van de Verlichting, die in westerse samenlevingen heerst. Wanneer de speciale status die de Verlichting voor kennis reserveerde in diskrediet raakt, wordt het moeilijk intellectuele en artistieke activiteiten een bijzondere betekenis toe te kennen. Dergelijke activiteiten worden voorgesteld als carrières die in kwalitatief opzicht niet van andere betrekkingen verschillen. Onder dergelijke omstandigheden zullen kennis en kunst niet als doel op zichzelf, maar om hun nut voor de samenleving van belang worden geacht. Kennis en kunst fungeren dan als instrumenten voor economische vooruitgang, verschaffen gemeenschappen een identiteit of hebben een therapeutische functie voor het individu.

Waarom leidt de triomf van het instrumentalisme tot verdomming? Terwijl we nog altijd goede kunst en goede boeken voortbrengen, valt het ons zwaar ze op hun eigen voorwaarden te appreciëren en daardoor wordt het moeilijk onderscheid tussen hen te maken. Aanspraken op uitmuntende kwaliteit doen zelfzuchtig, zo niet leugenachtig aan, en worden dikwijls afgedaan als verachtelijke pogingen van een elite om zijn privileges te beschermen. Daarom hebben begrippen als ’norm’ en ’standaard’ een bijbetekenis van bevoorrechting en elitarisme gekregen – in zo’n mate dat het nadrukkelijk willen handhaven van een bepaalde norm menigmaal als een vorm van geïnstitutionaliseerde discriminatie wordt voorgesteld.

Debatten over normen in het onderwijs worden onveranderlijk beslecht met het argument dat zij die handhaving van praktijken uit het verleden eisen onverschillig staan tegenover de behoeften van de huidige studenten. De culturele elite verlangt niet zozeer de afschaffing van kwaliteitsnormen, maar maakt de handhaving van die normen ondergeschikt aan de eis van maatschappelijk nut. Juist de prioriteit die aan het nut van kunst en onderwijs in plaats van aan hun inhoud wordt gegeven, voedt voortdurend de tendens tot verdomming. Op het Cheltenham Literature Festival stelde barones Tessa Blackstone, de Britse staatssecretaris van Kunst, de vraag: ’Kunnen de kunsten meer dan alleen frivool, triviaal en irrelevant zijn?’ Haar antwoord luidde bevestigend, maar alleen als ze voor andere dan esthetische doeleinden kunnen worden gebruikt. Volgens Blackstone zijn de kunsten belangrijk omdat ze mensen werk blijken te verschaffen, een einde maken aan ongelijkheid, bijdragen aan de preventie van criminaliteit en ’aan de verbetering van de gezondheid’.

Volgens de klasssieke opvatting was de verdomming van de cultuur in het verleden het resultaat van de invloed van de markt op het intellectuele leven. In de jaren dertig wees F.R. Leavis met de beschuldigende vinger naar de commerciële dwang tot massaficatie van de cultuur. De dwang van de commercie is tegenwoordig niet minder significant aanwezig dan vroeger, maar ze is niet de hoofdverantwoordelijke voor het proces van verdomming. Dit proces is een rechtstreeks gevolg van een overheidsbeleid dat sociale integratie voorstaat: de opname van iedereen in het culturele proces, en wel tegen elke prijs.

In de vele controversen rond normen verlangt zelfs de vulgairste ondernemer in het onderwijs, de kunst of de politiek niet dat kwalitatieve normen worden afgeschaft. Hij gelooft juist dat er vele verschillende manieren bestaan om uitmuntende kwaliteit te erkennen. Een Norm met een grote N is onverenigbaar met het klimaat in de hedendaagse cultuur. Elke claim die een bepaalde kunstvorm, een bepaald soort taalgebruik of een bepaalde onderwijsvorm privilegieert, wordt van de hand gewezen met als argument dat ze geen bijzondere verdiensten bezitten vergeleken met wat door anderen en in andere culturen tot stand is gebracht. Bovendien wordt het handhaven van een norm met de bedoeling waardeoordelen uit te spreken soms afgeschilderd als een daad van symbolisch geweld tegen mensen met een andere culturele achtergrond.

De scepsis ten aanzien van normen komt het sterkst naar voren in discussies over de beoordeling van prestaties. Het is geen zeldzaamheid om leden van de gevestigde orde in het Britse onderwijs te horen verklaren dat het examensysteem elitair is en een discriminerende werking heeft op de intellectuele vaardigheden van mensen uit de arbeidersklasse. Ook musea en zelfs bibliotheken zijn bekritiseerd omdat ze de vaardigheden van mensen met verschillende achtergronden niet zouden appreciëren. Vanuit een relativistisch gezichtspunt zal alleen al de poging om prestaties op grond van gangbare normen te beoordelen als discriminatoir, zo niet onderdrukkend gelden.

Vijandigheid jegens een Norm met een grote N wordt vaak gevoed door de overtuiging dat de inspanning en verwachting die erdoor worden belichaamd de vermogens van de meeste mensen te boven gaan. Dit sentiment is in het onderwijs het meest frappant. Daar onderneemt men wanhopige pogingen om te garanderen dat mensen een of ander diploma behalen. Als gevolg daarvan worden normen voortdurend bijgesteld om te garanderen dat de leerlingen zullen slagen. Door nivellering en de devaluatie van diploma’s en kwalificaties neemt de lust om de wijze van beoordelen verder aan te passen alleen maar toe. Beleidsmakers pretenderen niet langer normen enig objectief bestaansrecht mee te geven – ze zijn eenvoudigweg werktuigen van het sociale beleid geworden. Sommige pleitbezorgers van deze benadering gaan zelfs zover een dergelijk ’inclusief’ beleid als optimaal te kwalificeren. Zij betogen dat sociale integratie een kwaliteitsnorm in het onderwijs is.

De huidige manipulatieve houding tegenover normen is deels voortgekomen uit teleurstelling over de ervaringen met de hervorming van het onderwijs en het sociale beleid. Pogingen om mensen uit alle geledingen van de samenleving gelijke kansen te bieden hebben er niet toe geleid dat een geprivilegieerde positie niet langer als nuttig hulpmiddel voor succes fungeert. Als gevolg daarvan heerst in brede kring onvrede over de verhouding tussen inspanning en resultaat. In plaats van te onderzoeken waarom op verdienste gebaseerde sociale mobiliteit slechts beperkt succesvol is geweest, heeft men de neiging het meritocratische ideaal volledig af te schrijven. Dat ideaal wordt wel veroordeeld als een apologie voor het succes van diegenen die in veel opzichten geprivilegieerd zijn, terwijl anderen tot een leven van mislukking zijn veroordeeld.

Er bestaat een groeiende neiging om het meritocratische ideaal af te doen als iets onmogelijks, als een oplichterstruc. Het meritocratische ideaal claimde dat door het creëren van gelijke kansen de bekwaamste mensen naar de bovenste lagen van de samenleving zouden kunnen opklimmen. Het beginsel van verdienste zou in de plaats komen van het vertrouwen op erfenissen en familiebanden als voornaamste instrument van maatschappelijke stijging. Het meritocratische ideaal bood niet zomaar een verband tussen individuele inspanning en succes, het kwam tevens met de belofte van cumulatieve ontwikkeling doordat het de schepping van gelijke kansen zou gebruiken ter verwezenlijking van de hoogste normen. Als zodanig kan het worden beschouwd als een poging om de hoogst mogelijke culturele normen te verwezenlijken door de verdienste in alle vrijheid te laten opbloeien.

Wanneer mensen met verschillende achtergronden de kans moeten krijgen hun talenten te benutten, stuit dit op aanzienlijke obstakels. Privileges en rijkdom bieden de nieuwe generatie oneerlijke voordelen en maken het anderen lastig de top te bereiken. Maar ondanks alle obstakels meende men dat het meritocratische ideaal de moeite van het bevechten waard was. Maar tegenwoordig is het enthousiasme voor het beginsel dat men mensen moet stimuleren door verdienste iets te bereiken sterk afgenomen. Het ideaal van verdienste wordt, net als als dat van een norm, vaak afgeschilderd als een vorm van misleiding die door een onoprechte elite is ontwikkeld om de mensen een rad voor ogen te draaien.

Degenen die welwillend stonden tegenover traditionele elitaire idealen, hebben altijd geloofd dat de democratisering van het onderwijs en de cultuur niet verenigbaar was met de handhaving van uitmuntendheid in het intellectuele leven. Deze opinie geldt nog steeds, maar wordt zelden openlijk geuit. In het huidige politieke klimaat wordt de democratisering van het onderwijs en de cultuur zelden betwist. Bijna elke institutie beschikt over een beginselverklaring waarin verbreding van de participatie als een van de voornaamste doelstellingen wordt omschreven.

Niet de democratisering van de cultuur wordt in twijfel getrokken, maar het streven om normen in het onderwijs en de cultuur te behouden of aan te scherpen. De pleitbezorgers van bredere participatie plaatsen hun vraagtekens bij de wenselijkheid van normhandhaving omdat ze, net als de traditionele elitaire denkers, oprecht menen dat de democratisering van het culturele leven zich niet met de allerhoogste normen laat verzoenen.

Indirect accepteren de toonaangevende figuren in de huidige cultuur de traditionele elitaire diagnose, maar ze baseren er radicaal andere conclusies op. Ze willen democratie, maar zijn bereid tot een flexibele houding ten aanzien van het behoud van normen. Ook al komen ze daar niet openlijk voor uit, ze geloven dat het handhaven van hoge normen elitair en inherent antidemocratisch is. Daarom worden argumenten ter stimulering van uitmuntendheid in kunst, cultuur en onderwijs dikwijls afgedaan als een elitaire poging om de klok terug te draaien naar de tijd waarin cultuurgoed alleen voor een kleine minderheid toegankelijk was.

Deze pessimistische aanname, dat brede participatie onverenigbaar is met de handhaving van de allerhoogste normen, wil ik in twijfel trekken. Ik poneer de stelling dat het zich eigen maken van deze zienswijze door de huidige culturele elite heeft geleid tot een bloei van het filisterdom en een fnuikende instrumentele benadering van het intellectuele leven; bovendien beweer ik dat participatie zonder behoud van normen neerkomt op de misleiding van miljoenen mensen, en de samenleving berooft van de mogelijkheid de komende eeuw haar potentieel te verwezenlijken.

Een argument dat tegen het behoud van de allerhoogste normen wordt ingebracht, is dat dit een elitair streven is dat de overgrote meerderheid van participatie aan culturele instituties zal uitsluiten. Deze pessimistische conclusie is gebaseerd op de premisse dat het publiek niet de middelen bezit om profijt te trekken van veeleisende vormen van cultuur en onderwijs. Men betoogt dat als gevolg daarvan de normen en verwachtingen zullen moeten veranderen om bredere participatie te vergemakkelijken. Deze sceptische inschatting van de capaciteiten van mensen heeft ertoe bijgedragen dat er een vijandig klimaat is ontstaan jegens het idee mensen overeenkomstig hun verdienste te belonen. Daarom worden voorstellen om mensen op grond van verdienste te selecteren, om kinderen en volwassenen aan toetsen te onderwerpen of waardeoordelen over kunst uit te spreken vaak bekritiseerd omdat ze oneerlijk en elitair zouden zijn.

In het economisch leven staat de antimeritocratische consensus vooral in het teken van de angst voor een vergroting van economische ongelijkheid. In het bredere culturele leven spitst het zich toe op een preoccupatie met mislukking en de noodzaak mensen minder vatbaar te maken voor het gevoel dat ze mislukt zijn. Het publiek afschermen van het gevoel te zijn afgewezen staat bovenaan in het beginselprogramma van de antimeritocratische beweging.

Uiteraard wordt het meritocratische ideaal in de praktijk zelden verwezenlijkt. Het intellectuele en culturele leven is vol discriminatie en ongelijkheid. Hoewel veel uiterlijke vormen van discriminatie zijn geëlimineerd, is de wereld nog lang niet zover dat individuen er als gelijken met elkaar kunnen wedijveren. Het toevallige feit van iemands geboorte speelt nog altijd een doorslaggevende rol in de bepaling van zijn kansen in het leven. Maar vormt het feit dat het niet gelukt is het meritocratische ideaal te verwezenlijken een argument tegen dit ideaal? Of vormt het, wat ik denk, een argument voor een onderzoek naar wat er is misgegaan, zodat beleid kan worden geformuleerd dat obstakels voor de ontplooiing van kwaliteiten van individuen kan wegnemen? Critici van de meritocratie houden zich niet serieus met deze kwestie bezig. Hun voornaamste zorg is dat wordt voorkomen dat mensen zichzelf als mislukt beschouwen. De huidige afwijzing van de meritocratie wordt niet zozeer gevoed door een democratische impuls, als wel door de therapeutische overweging gevoelens van afwijzing bij het publiek te vermijden.

Cru geformuleerd menen veel critici dat meritocratie tot geestesziekte leidt. Men zegt dat toetsen en selecteren gevoelens van mislukking en afwijzing voortbrengt, en stelt die op hun beurt verantwoordelijk voor de verlaging van het gevoel van eigenwaarde van mensen. Er bestaat weinig twijfel over dat een klimaat van mislukking tot de bloei van nieuwe therapieën heeft geleid. De manier waarop individuen over zichzelf denken en de manier waarop ze met teleurstelling en de spanningen van het alledaagse bestaan omgaan, vallen echter niet tot de werking van de meritocratie te herleiden. Dergelijke gevoelens zijn het product van bredere sociale en culturele invloeden.

Als mensen zich afgewezen voelen of een gebrek aan zelfrespect hebben, kan dat komen doordat ze zich enigszins ontheemd voelen of hun bestaan niet goed zin kunnen geven. Ze hoeven niet tegen het gevoel van mislukt zijn te worden beschermd, maar moeten de gelegenheid krijgen inzicht in hun bestaan te verwerven aan de hand van het beste wat onze cultuur te bieden heeft. Het belonen van verdienste impliceert dat mensen als volwassenen worden behandeld, terwijl het wegmoffelen van het gevoel van mislukt zijn voortkomt uit het verlangen hen als kinderen te behandelen.

Frank Furedi

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden