Niets gemist

Horendol van het nieuws, zette filosoof Karin Melis zichzelf in de afgelopen vastentijd op mediadieet. Veertig dagen lang probeerde ze geen dagbladen te lezen, niet naar het Journaal te kijken, Nova over te slaan. „Bij het krantenrek in de supermarkt hield ik onwillekeurig mijn pas in. In verre exotische landen verbranden ze de Nederlandse vlag. Hoe is dit nu mogelijk?”

De extra bestelde mayonaise spoot aan weerskanten uit het broodje gehakt en deed dat met net zoveel plezier als de klei die ik vroeger bij handenarbeid op school tussen mijn vingers uitkneep. Het tentdak van de uitbater klepperde onder de wind. Ik zei tegen mijn wandelvriend: „Schuif eens een eindje op. Wat staat daar?”

Zijn fronsend ’Ik dacht dat jij op mediadieet was?’, schoof ik achteloos terzijde om me op De Telegraaf te storten. Het gevaar spatte van de pagina’s. De belastingdienst lag, zonder dat ik dat gemerkt had, plat. Alarmfase blauw. Duizenden slachtoffers betekent dat, zo meende ik me te herinneren. Vervolgens werd ik pagina’s achtereen geïnformeerd over moord, doodslag en andere ellende.

Informeren is het juiste woord niet. Al hing ik geheel vrijwillig met het hoofd boven de krant, toch had ik het gevoel dat ik van alles en nog wat opgedrongen kreeg. Er werd mij geen keuze gelaten uit het weelderige palet. Je moet nu eenmaal eerst zien voordat je je blik kunt afwenden. Wat dat betreft ben je bij De Telegraaf altijd een seconde te laat. Je kunt niet meer niet weten.

Maar daar op dat bankje wist ik weer waarom ik mezelf op een mediadieet had gezet: omdat ik me zo opgejaagd voelde door die niet aflatende stroom incidenten die zonder verschil in toonhoogte bij mij naar binnen kwam. Met één ondubbelzinnige boodschap: wees alert, want de wereld is in rep en roer. En, laten we wel wezen, was mijn belastingaangifte eigenlijk wel aangekomen? Al zie je het niet meteen zo om je heen: het einde der tijden moet wel nabij zijn. Doodmoe werd ik ervan.

En toch. Het heeft even geduurd eer ik besefte dat ik simpelweg verslaafd was aan die cliffhangers waarmee radio, televisie en gedrukte woorden mij achterlieten. Op een goed moment kon ik het niet meer verteren. Ik voelde me permanent opgejaagd. Maar wie de jager was, dat ontging me. Sterker, die vraag kwam niet eens in me op.

Wat de aanleiding precies was om er een streep onder te zetten, ik weet het niet meer. Wel weet ik dat ik als grootgebruiker van de media dacht: is er nog één oorspronkelijke gedachte in mijn hoofd of ben ik volkomen geformatteerd teneinde de informatiestromen op gepaste wijze te ontvangen? En ik dacht ook: is er wel een werkelijkheid achter de media? Of, en dat benauwde me, is de werkelijkheid beeld en het beeld werkelijkheid geworden? Een beeld waarachter niets dan leegte schuilt?

Zo ging het mes in mijn informatieconsumptie. Het weekend werd radicaal aangepakt: geen NRC Handelsblad, geen Volkskrant, geen Buitenhof. Rondom tien mocht om onnavolgbare reden weer wel en Idols ook, dat was ik aan mijn dochter verplicht. Evenals Goede Tijden, Slechte Tijden overigens. En Letter & Geest, want die artikelen waren, zo vertelde ik mezelf, tijdoverstijgend. Op werkdagen mocht alleen een enkel artikel uit de Verdieping. Zonder actualiteitswaarde. Het Journaal of aanverwante nieuwsprogramma’s: helemaal uit den boze.

Dat mijn mediadieet samenviel met de vastentijd kwam mooi uit: het gaf mijn ontslakking alleen maar diepgang. Als een onvervalste mystica ging ik, mezelf ontledigend, Pasen tegemoet.

Mensen in mijn omgeving bekeken mijn actie meewarig en soms zelfs ronduit moraliserend. Ik moest op de hoogte blijven, zo zeiden ze mij. Waarvan eigenlijk? Ik moest mee kunnen praten. Zeker na die uitzending over Joran van der Sloot, of hoe heet die jongeman. Even vergeten te vragen waarover ik moest meepraten. Had ik iets te zeggen over die jongen? Kon ik het tij – maar welk tij – keren? Ik vroeg me af waarom al die miljoenen mensen hadden gekeken. Waren het dezelfde miljoenen die ook naar Boer zoekt vrouw keken?

Vreemd, hoe de uitverkiezing, van oudsher een bijbels motief, zo’n furore maakt in de media. Maar, zo peinsde ik, terwijl ik onledig op de bank zat, gaat het nu om die vrouw of man die uitverkoren wordt, of gaat het om al die genadeloos afgewezenen? Op de zaterdagavonden dat ik me met mijn dochter aan de televisie laafde, identificeerde ik me met Idol in spe Nathalie op wie ik al mijn hoop had gevestigd. Eén bonk energie met een kapsel als een hoofdkussen. Geweldig. Maar zij werd geslachtofferd opdat Nikki bekroond kon worden. Samen met Nathalie en de rest van televisiekijkend Nederland was ik, en dit al voor de zoveelste keer, een zwarte koe in de nacht. Op de bank. Zonder mij had Nikki nooit kunnen schitteren.

Bij Idols heb ik grote jongens hartverscheurend zien huilen. Ik dacht: stel, dat er iets ergs gebeurt, wat dan? Is er nog een emotie voorradig die groot verdriet tot uitdrukking kan brengen? Misschien is ons arsenaal van emoties hoognodig toe aan een update.

In In Afrika, de serie van Adriaan van Dis, ook die mocht weer wel, zag ik de overlevingsstrijd van mensen gepaard gaan met destructieve ondergang. Wat een narigheid, dacht ik bedompt. Ook Van Dis zelf werd het te veel. Voor de camera trok hij kermend de dekens over het hoofd. Zoveel ellende kon hij niet verwerken. Ziek werd hij ervan.

Curieus, de man gebruikte het medium waarvoor het oorspronkelijk bestemd is: hij deed verslag van de stand van zaken in een werelddeel. Maar Van Dis rapporteerde ook zijn eigen reactie daarop. En maakte mij en vele anderen daarvan deelgenoot. Duizelingwekkend is het wel, als het verslagleggende subject ook nog eens zelf onderdeel van het beelddocument is. Het medium zelf wordt tot onderwerp gemaakt.

Iets dergelijks was aan de hand met de serie van Geert Mak, In Europa. De berichtgeving over de wereld is in hoge, zo niet extreme mate gepersonifieerd. Je beleeft de wereld door de ogen van de ander die die wereld ook nog eens volkomen gesubjectiveerd heeft. En het gekke is dat vermoedelijk precies dit mijn verslaving uitmaakte.

Tijdens de eerste week van mijn mediadieet deed ik mijn zaterdagse boodschappen in onze lokale supermarkt. Bij het krantenrek hield ik onwillekeurig mijn pas in en betrapte ik mezelf op het lezen van alle voorpagina’s. In verre, exotische landen werd de Nederlandse vlag verbrand. Hoe is dit nu mogelijk?

Onmiddellijk werd een register in mijn hoofd geopend van alle mogelijke columnisten en opiniemakers. Wat zouden zij daar wel niet van vinden? Wie gaat wat en hoe zeggen? Platter kon mijn nieuwsgierigheid niet zijn. Want een nieuwsgierigheid die zich richt op wat anderen ervan vinden kan per definitie niet bevredigd worden.

Dat moet wel de fundamentele wet van verslaving zijn: de bevrediging die een nieuwe behoefte tot bevrediging oproept. Niet alleen ben ik verslaafd, de mediamakers zijn dat evenzeer. Eén verkeerd opgevat woord en het leed is niet te overzien.

Het is een soort perpetuum mobile die alle betrokkenen, toeschouwers zoals ik incluis, geketend houdt. Of het nu gaat om de oorlog in Irak, een pastoor die overstuur is omdat een gemeentebestuur op Goede Vrijdag verhuist, de echtscheiding van Paul McCartney – alles wordt op een zelfde wijze uitgemeten en becommentarieerd. En dus getrivialiseerd.

De suggestie is dat er morgen, maar morgen dan ook echt, iets gaat gebeuren. Maar morgen is gewoon weer een nieuwe dag.

Mijn grootvader heeft zijn hele leven het Handelsblad gelezen. Een ingewikkelde, serieuze krant waarvoor je moest gaan zitten. In deze krant werden destijds hoofd- en bijzaken van elkaar gescheiden. Dat was belangrijk, dat begreep ik als kind al. Ook wel prettig natuurlijk, als zo’n extern instituut dat onderscheid voor je maakte.

Nu moet je dat zelf doen, en dat is waarlijk geen sinecure. Soms denk ik dat alles bijzaak is geworden en slaat de verveling toe. Toch vind ik dat ook geen optie. Ik wil niet te boek staan als een onverschillige, ongeïnteresseerde burger die de gordijnen stijf dicht houdt – al heeft mijn 21-jarige kapper daar naar eigen zeggen helemaal geen moeite mee. Lachend knipt hij weer een lok weg. Die onbezorgdheid is voor mij niet weggelegd. Ik moet me engageren. Erbij horen. Meepraten. Een mening hebben.

Een mening hebben? Als ik de afgelopen veertig dagen iets heb geleerd dan is het wel dat ik geen mening heb. Die hele vrijheid van meningsuiting is aan mij niet besteed. Voortdurend sta ik met de mond vol tanden. Hoe meer ik geïnformeerd ben, des te onzekerder ik word omtrent een mogelijk standpunt. Gelukkig hebben anderen wel een mening. Daarover lees ik weer in de krant.

Achteraf besef ik dat ik me niet eerder zo intens met de media heb beziggehouden als in mijn vastentijd. Net zoals een alcoholist die probeert af te kicken, dacht ik bijna nergens anders aan. Waarvan acte.

Daarbij ben ik net als die milieuactivist die voortdurend in het vliegtuig zit en zodoende medeplichtig is aan de vervuiling. Eerst ga ik op mediadieet omdat ik verschoond wil blijven van allerlei particuliere percepties die mij het zicht op de werkelijkheid ontnemen. En vervolgens etaleer ik mijn hoogstpersoonlijke beleving in diezelfde media. De lezer moet zich wel afvragen: ’Hoe laat begint het hier eigenlijk?’

Ik zou het niet weten. Wel weet ik inmiddels dat de werkelijkheid één grote voorstelling is.

En het fijne is: ik heb gemerkt dat er in deze veertig dagen niets is gebeurd. Het is net als het overslaan van een paar afleveringen Goede Tijden, Slechte Tijden. De cliffhangers ten spijt, heb je niets gemist.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden