Niet zo somberen, literatoren!

Krijgt échte literatuur dezer dagen nog een kans? Of wordt die verdrongen door daverende bestsellers, kille marketing-strategieën en oppervlakkige internetters, zoals menigeen de laatste jaren roept? Xandra Schutte, uitgever, erkent dat er veel verandert in het vak, maar ziet geen reden tot paniek. De zwartkijkers negeren de feiten en de cijfers, stelt zij. Kaskrakers had de uitgeverij altijd al nodig, er wordt meer uitgebracht dan ooit - ook kwaliteit- en internet biedt juíst nieuwe kansen tot verdieping. Er is alle reden tot optimisme.

Xandra Schutte

De literatuur gaat ten onder. De diagnose is de laatste jaren vaak gesteld en de patiënt wordt volgens de diagnostici alleen maar zieker. Sinds de jaren zeventig heeft zich een revolutie in de literatuur, en de cultuur in het algemeen voltrokken, een sluipende revolutie die geen einde lijkt te kennen.

De lijst kwalen is imposant. De uitgever, ooit een erudiete heer met smaak, is een manager geworden en literair succes wordt eerder afgemeten aan een notering op de bestsellerlijsten dan aan lovende kritieken. Uitgeverijen doen er dan ook alles aan om hun auteurs met gelikte publiciteitscampagnes in de schijnwerpers te brengen – bij voorkeur die van de televisie.

Natuurlijk leent niet alle literatuur zich voor uitbundige media-aandacht: vooral schrijvers van echt gebeurde verhalen mogen aanschuiven in een van de praatprogramma’s. Lezers zijn steeds meer op zoek naar persoonlijke ervaringen, naar herkenning en dus bevestiging, en veel successchrijvers bieden die op een presenteerblaadje. Zo is er sprake van de cultus van het persoonlijke in de literatuur, van een ‘narcistische samenzwering’ (P.F. Thomése), waarin uitgevers, schrijvers, media, lezers en boekhandelaren enthousiast de handen ineen hebben geslagen.

De commercialisering van de literatuur is ook allang doorgedrongen in de boekhandel: de literaire meesterwerken zijn verdrongen door grote stapels kaskrakers. De levensduur van boeken – in jargon: de ‘omloopsnelheid’ - wordt ook almaar korter: als ze in een paar maanden niet over de toonbank gaan worden ze genadeloos de boekwinkel uitgezet. Zoals de baas van een grote boekhandelsketen het treffend uitdrukte: ‘De boekenplank is niet van elastiek.’ Misschien dat ze dan bij een modern antiquariaat eindigen, maar er zijn zoveel boeken die het niet redden dat de ramsjfabriek het zich kan permitteren kieskeurig te zijn.

Dat is nog niet alles. De commerciële literaire prijzen hebben de traditionele overvleugeld als het om geld en publiciteit gaat. Op school is het literatuuronderwijs nagenoeg verdwenen – kennis van de schone letteren, van de canon wordt niet meer als iets nastrevenswaardigs gebracht. En ook de criticus draagt niet meer uit dat het domein van de Literatuur met een hoofdletter L bewaakt moet worden. Van opinieleider is hij steeds meer consumentenvoorlichter geworden. Hij lijkt, net als het lezerspubliek, vooral nog oog te hebben voor het actuele en het incident; in zijn keuze voor te bespreken boeken laat hij zich sterk leiden door, zoals het heet, de nieuwswaarde van het boek.

,,Inmiddels'', stelde Rob Schouten een jaar geleden in deze krant, ,,houdt niemand de veranderingen in het literaire klimaat tegen. Het ziet ernaar uit dat al die oude kwaliteitsbewakers, de uitgevers, de critici, de prijsverleners, de schrijvers zelf hun posten hebben verlaten. Hun posities zijn ingenomen door de managers, de media, de top tien pluggers en de nieuwkomers die helemaal geen moeite hebben met de gewoonwording en trivialisering van de voormalige ‘haute littérature’.''

Een ding is zeker: als de veranderingen tegengehouden konden worden met cultuurpessimistische litanieën was dat al gebeurd. Al een jaar of twintig wordt in literaire lezingen, in literaire tijdschriften en manifesten, in de culturele supplementen of op de opiniepagina’s van kranten min of meer dezelfde riedel afgestoken, wat maar weer bewijst dat cultuurpessimisme het meest weg heeft van blaffen tegen de maan: je kunt het al somberend fijn met elkaar eens zijn, maar je schiet er niet zoveel mee op. Niet dat de diagnose volkomen bezijden de waarheid is, maar het is de vraag of de verandering van het literaire klimaat alleen in termen van verlies besproken moet worden.

VERVOLG OP PAGINA 11

VERVOLG VAN PAGINA 9

Veel van de zwartkijkers lijken ervan uit te gaan dat er ooit een Arcadië heeft bestaan, een idyllisch literair landschap waarin uitgevers, critici en schrijvers niets anders deden dan op de bres staan voor kwaliteit. Terwijl de werkelijkheid is dat uitgevers altijd op de markt hebben moeten opereren. Manager of niet, ze moesten wel degelijk zorgen dat de boekhouding klopte.

Bekend voorbeeld: de Bezige Bij kon zich het uitgeven van de poëzie van de Vijftigers permitteren door de bestsellers van Willy Corsari.

Ook schrijvers zijn al meer dan een eeuw lang culturele ondernemers. Ze gaven lezingen, trokken met hun werk onder de arm het land door en verschenen al vroeg, in de jaren zestig, op tv in een spelletjesprogramma als ‘Hou je aan je woord’, omdat vrijwel geen van hen graag als arme poëet zijn dagen wilde slijten.

De geschiedenis van de literaire kritiek leert dat die in de vorige eeuw lang in het teken stond van de verzuiling en dus de kwaliteit moest bewaken volgens katholieke, protestantse of politieke richtlijnen. Ook toen kregen inmiddels vergeten succesauteurs vaak voorrang boven later gecanoniseerde schrijvers.

Bovendien laden de cultuurpessimisten de verdenking op zich dat ze zich niet alleen verzetten tegen de vervlakking en commercialisering van de literatuur, maar dat ze vooral ook de rijen gesloten willen houden. Om nog een keer Rob Schouten aan te halen: ,,Schrijvers zelf zijn van de Helicon afgedaald en mengen zich met evenveel gemak tussen het gewone volk als tussen de tv-sterren. De grens tussen literatuur, mediacultuur en massacultuur is vervaagd. Er is kortom sprake van een massieve democratisering van de Nederlandse literatuur. Literatuur is geen gesloten bolwerk meer maar vrij toegankelijk voor iedereen.’’ Hoe licht Schoutens toon ook is, uit die laatste zin spreekt nauw verholen heimwee naar de tijd dat de eredienst in de tempel van de letteren alleen beleden werd door een kleine groep ingewijden. Democratisering lijkt voor hem een vies woord te zijn.

,,Het is tijd voor verzet tegen de massamediale bejubeling van inferioriteit’’ stelde schrijver Herman Franke in 1999. Maar een jaar later laat Joost Zwagerman in een verfrissend essay in ’Pornotheek Arcadië’ zien dat Frankes verzet al meer dan een eeuw plaatsvindt. Lodewijk van Deyssel, Marcellus Emants, J.C. Bloem, Menno ter Braak, Adriaan Morriën en W.F. Hermans, ze keerden zich allemaal in polemische stukken tegen de media en het lezerspubliek die de middelmaat zouden omhelzen.

Zwagerman haalt Umberto Eco aan die constateerde dat een van de merkwaardigste en meest emotionele uitvloeisels van het verschijnsel cultuurindustrie de kritiek op de cultuurindustrie zelf is. Sinds de opkomst van de burgerlijke cultuur in de 18de eeuw distantiëren pessimisten zich van de verafschuwde ‘massamens’ door breed uit te meten dat hun esthetische maatstaven door pulp overwoekerd worden.

Dat neemt niet weg dat het culturele klimaat de laatste decennia rigoureus is veranderd en dat veel van die veranderingen onder het woordje democratisering zijn te scharen. De opsomming is al vaak gegeven: de deelname aan het middelbaar en hoger onderwijs steeg explosief; de hoeveelheid vrije tijd nam toe, net als de welvaart, waardoor mensen meer geld aan cultuur konden besteden. Het einde van de verzuiling maakte dat Nederlanders de morele veren van zich afschudden en zich ongebonden op alle mogelijke cultuuruitingen konden storten. Het aanbod van betaalbare literaire paperbacks en pockets groeide, de boekhandel werd laagdrempeliger, onder meer door de opkomst van inloopwinkels als Ako en Bruna, en de boekenclubs beleefden een revival. Vanaf de jaren zeventig nemen meer mensen dan ooit aan de literatuur, de cultuur deel en dat is zonder meer winst.

De media, en dan met name de kranten en weekbladen, sprongen op de toegenomen belangstelling voor cultuur in. Uit recent onderzoek van Susanne Janssen, hoogleraar cultuursociologie aan de Erasmus Universiteit, blijkt dat de aandacht voor literatuur in de krant tussen 1965 en 1990 bijna verdrievoudigd is. De kwaliteitskranten hebben hun boekenbijlagen, waar in kleine hoekjes weliswaar wordt ingegaan op thrillers en kinderboeken, maar 95 procent van de fictierecensies betreft literatuur voor grote mensen. De verkoop van literaire boeken is sinds de jaren zeventig alleen maar gestegen: in 1970 nam literatuur nog geen tien procent van de boekenmarkt in beslag; dertig jaar later was dat percentage verdriedubbeld.

VERVOLG OP PAGINA 13

VERVOLG VAN PAGINA 11

Natuurlijk zeggen cijfers niet alles. Natuurlijk kan er gemopperd worden op wat de socioloog Johan Goudsblom met een mooi woord de ‘teveligheid’ noemde: de toename van recensies, de toename van het aantal uitgegeven titels leidt vooral tot een hoger niveau van de middelmatigheid.

Maar wat de cultuurpessimisten altijd lijken te vergeten: naast de overstelpende hoeveelheid heel behoorlijke middelmaat worden er tegenwoordig ook meer meesterlijke boeken uitgegeven dan ooit. Literatuur uit de antieke oudheid, vuistdikke klassieke meesterwerken in splinternieuwe vertalingen (Dante! Tolstoj! Joyce! Tsjechov!), en ook het beste uit de hedendaagse wereldliteratuur is in vertaling beschikbaar, net als trouwens hun eigen verfijnde romans en poëziebundels. In de global village waar we tegenwoordig in leven, is de literatuur kosmopolitischer dan ooit.

Het heeft iets ironisch, dat wel, dat op het moment dat zoveel mensen toegang tot de literatuur hebben gekregen, het literaire landschap in toenemende mate onoverzichtelijk is. Het onderwijs vormt geen gids meer en het titelaanbod is de afgelopen decennia gigantisch gegroeid: in de jaren zestig verschenen een kleine achtduizend algemene boeken per jaar, de laatste jaren zijn dat zo’n zeventienduizend. De ‘teveligheid’ leidt er ook toe dat veel lezers door de bomen het bos niet meer zien, en zich daarom maar verlaten op de toptienen, de prijsboeken en de bestsellers die onontkoombaar in de winkel liggen opgestapeld. Zoveel moois voorhanden en toch de bekende weg bewandeld.

Toch blijft de vraag of de verandering van het literaire klimaat slechts verlies betekent. De hiërarchie tussen de verschillende kunsten, tussen hoge en lage cultuur is afgebrokkeld, grenzen vervagen – er is, als het gaat om de kunst die nu wordt gemaakt, steeds minder sprake van universaliteit. Dat geldt ook voor de literatuur, zoals Hugo Brems in zijn dit jaar gepubliceerde literatuurgeschiedenis ’Altijd weer vogels die nesten beginnen’ aantoont. Er bestaat niet meer één literatuur, niet meer één circuit dat de andere de maat neemt en marginaliseert. Eerder is er sprake van een veelheid aan circuits, aan, hip gezegd, communities.

Het publiek is versplinterd in deelpublieken, in termen van marketing: in ‘special interest’-groepen, of in die van sociologen: in smaakculturen. Zelfs de hoogst opgeleiden richten zich niet meer eensgezind op dezelfde culturele hoogtepunten, omdat er, domweg, te veel te kiezen valt. Niet alleen de televisie heeft inmiddels zoveel netten dat er nauwelijks collectieve kijkervaringen meer zijn – het avondje Avro op zaterdag waarop zoveel Nederlandse families voor de buis zaten gekluisterd en naar dezelfde programma’s keken, is voorgoed voorbij. Ook in de cultuur is de concurrentie zo groot, dat de gedeelde ervaring lijkt te verdwijnen.

Zeker, het is verlies als we geen weet meer hebben van onze culturele ijkpunten, als we niet meer op de hoogte zijn van de Nederlandse en Europese literaire traditie. Zoals de eerder genoemde Susanne Janssen schreef: ,,Vóór de jaren zestig werd middelbare scholieren en zeker studenten in het wetenschappelijk onderwijs, respect voor de als hoger beschouwde cultuur bijgebracht. Eruditie en kennis van de klassieke en eigentijdse schone kunsten werden gepresenteerd als nastrevenswaardige zaken, waar men zich blijvend voor diende in te spannen. Het gedemocratiseerde middelbaar en hoger onderwijs heeft dit Bildungsideaal echter niet kunnen en willen overdragen. Het streven naar een alomvattende culturele vorming van individu en volk sneuvelde paradoxaal genoeg in het massaonderwijs.''

Sinds het einde van de 18de eeuw zijn generaties opgevoed met dit Bildungsideaal en het is nauwelijks te overzien wat het betekent als de gedeelde kennis over het culturele verleden, de canon, verdwijnt. Of die van staatswege weer kan worden opgelegd, is twijfelachtig – dat heeft veel van een gevecht tegen windmolens.

Maar is het hoe dan ook niet veel te eenvoudig om al die leden van deel-publieken als dom en ongeïnteresseerd af te schilderen? De veelheid aan keuzemogelijkheden, ook als het gaat om wat je wil lezen, kan evengoed tot heel gerichte, geprononceerde belangstellingen leiden. Voor performancepoëzie of Europese klassiekers, voor de nieuwste boeken van jonge Amerikaanse schrijvers of bekentenisproza, voor reisliteratuur of experimentele romans. We zijn veelal hoogopgeleid, mondig en ontvoogd en laten ons niet meer van hogerhand voorschrijven wat we moeten lezen. We kunnen ons, met weinig fantasie, laten leiden door de toptienen, waarmee we bij voorbaat buigen voor de teveligheid, maar er zijn ook onnoemelijk veel mogelijkheden om koppig onze eigen weg te zoeken in de jungle.

VERVOLG OP PAGINA 15

VERVOLG VAN PAGINA 13

’Jij’, dat wil zeggen: wij, de internetgebruikers, zijn zojuist door Time uitgeroepen tot de persoon van het jaar. Juist internet is een geweldig middel voor communities: dankzij bijvoorbeeld Google, Amazon en Wikipedia kun je permanent je specifieke belangstelling voeden.

In zijn baanbrekende boek ’ The Long Tail. Why the Future of Business is Selling Less of More’ voorspelt Chris Anderson, hoofdredacteur van het Amerikaanse internetblad Wired, het einde van de gedeelde cultuur. Of het nu om de elitecultuur of de massacultuur gaat: vroeger keken we naar dezelfde tv-programma’s en films en lazen we dezelfde boeken, simpelweg omdat we niet zo veel te kiezen hadden. De plank in de boekwinkel is niet van elastiek – een boekhandel kan, uit ruimtegebrek, maar een beperkt aantal titels bevatten. De ruimte van het wereldwijde web is oneindig. Alles is er opbergbaar, vindbaar en snel leverbaar. Vandaar dat Anderson voorziet dat de mainstream zal vergruizelen tot ontelbaar veel culturele scherven.

Anderson ziet de ‘teveligheid’ niet als probleem. De ‘tirannie van de hit’, de bestseller zal volgens hem verdwijnen. De massale aandacht voor de kop zal volgens hem plaatsmaken voor de lange staart: iedereen kan op hoog niveau zijn hyperindividueelste smaak najagen. Toegegeven, het optimisme van Anderson heeft iets utopisch, want blockbuster en bestseller zijn niet zomaar weg en je moet, om maar iets te noemen, wel een eigen smaak, voorliefde hebben om vruchtbaar te kunnen zoeken.

Het is ook maar de vraag of de gedeelde literaire ervaring echt verdwenen is. Thomas Vaessens, hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, hield begin dit jaar in zijn oratie een interessant betoog, waarin hij constateert dat de kloof tussen de maatschappij en literatuur alleen maar groter wordt.

Dat komt volgens hem doordat schrijvers en critici steeds nadrukkelijker de autonomie van de literatuur zijn gaan verdedigen, het idee dat literatuur een eigen universum vormt, dat eigen wetten kent en los moet worden gezien van de werkelijkheid.

De autonomiegedachte, opgekomen in de 19de eeuw, werkte aanvankelijk verruimend: schrijvers waren geen verantwoording meer verschuldigd aan godsdienst, vorst en staat. Maar diezelfde gedachte is meer en meer een excuus geworden voor vrijblijvendheid, voor een angstvallige vlucht in het estheticisme. De schrijvers die hun neus ophalen voor het alledaagse en de werkelijkheid, die in hun literatuur vooral naar andere literatuur verwijzen, hebben zichzelf opgesloten in de spreekwoordelijke ivoren toren. Het probleem is dat niemand daar meer aanstoot aan neemt, waardoor de verliteratuurde schrijver vooral zichzelf in zijn toren gevangen houdt. Dat is ook precies wat de cultuurpessimisten doen: in reactie op de democratisering van de cultuur trekken ze zich terug in het dogma van de autonomie.

Vaessens oratie is te lezen als een pleidooi voor de verkleining van de afstand tussen literatuur en wereld. Het goede nieuws is dat die ‘verkleining’ al volop plaatsvindt. Vaessens is bijziend, als hij het over de kloof tussen maatschappij en letteren heeft. Althans, hij lijkt zich te beperken tot de literatuur die het aloude l’art pour l’art-principe omhelst. De literatuur die, in de woorden van Ilja Leonard Pfeiffer, slechts wil ‘spelevaren in de oceaan van andere literatuur die haar element is en zichzelf verbluffen met de virtuositeit van haar spel.’

Maar als er in deze veranderende tijd een tendens is te signaleren is, dan is het dat met name romanschrijvers zich opnieuw tot de werkelijkheid willen verhouden.

Vaak gebeurt dat primitief, in het zo vaak verguisde bekentenissenproza, waarin de schrijver zichzelf op naïef realistische wijze etaleert zonder zijn geschiedenis en de wereld om hem heen te problematiseren.

Maar vaak genoeg worden ook pogingen gedaan om met al het raffinement dat de autonome literatuur heeft opgeleverd midden in de wereld te staan. Schrijvers als Philip Roth, Michael Cunningham, Jonathan Safran Foer, Ian McEwan, Marja Brouwers, A.F.Th. van der Heijden, Marcel Möring, Michel Houellebecq, Jens Christian Grondahl en J.M. Coetzee proberen in hun romans de werkelijkheid te vatten zonder dat ze vergeten hoe onkenbaar en complex die is.

Het bemoedigende is dat juist deze schrijvers zo breed gelezen en bediscussieerd worden dat je zonder overdrijving kunt zeggen dat zich een nieuwe, kosmopolitische canon begint af te tekenen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden