Niet zo bang voor de islam

In Duitsland verloopt het debat over moslims, integratie en terrorisme minder heftig dan in Nederland, schrijft terrorismedeskundige Beatrice de Graaf. Ligt dit echt alleen aan het uitblijven van een grote djihadistische aanslag?

Als de kofferbommen van twee djihadistische terroristen op 31 juli 2006 in de treinen naar Hamm en Koblenz inderdaad waren ontploft, dan zou het Duitse debat over moslims, integratie en terrorisme heel anders zijn verlopen. Maar nu worden die drie thema’s nauwelijks met elkaar verbonden, zoals in Nederland wel het geval is.

Ogenschijnlijk zijn Duitsers niet erg bang voor terrorisme, voor een ’radicale’ Islam of voor de vermeende ontsporingen van integratie en immigratie. Ligt dat echt alleen aan het uitblijven van een grote djihadistische aanslag?

Natuurlijk, dit speelt een rol, maar het is niet het hele verhaal. In Nederland is één dode gevallen door een terroristische aanslag en zijn drie grote netwerken van djihadistische terroristen opgerold, waarbij het nog steeds afwachten is of de Hofstadgroep uiteindelijk ook als terroristische organisatie veroordeeld zal worden (het proces loopt nog).

De moord op Theo van Gogh van 2 november 2004 was en is verschrikkelijk. Maar de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, politie en justitie lijken de terroristische dreiging vanuit eigen land aardig onder controle te hebben. De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb) heeft het dreigingsniveau afgelopen jaar al naar ’beperkt’ teruggebracht. De angst voor een terroristische dreiging onder de bevolking is teruggelopen van meer dan vijftig procent in 2005 tot tien procent in 2009 (Terrorismemonitor, NCTb). Het onbehagen over immigratie & integratie en over ’de Islam’ is ondertussen nauwelijks minder geworden. De link tussen djellaba’s, Marokkaanse hangjongeren en radicalisering wordt nog altijd snel gelegd. Zijn dat echt alleen de naweeën van de schok na Mohammed Bouyeri’s terroristische daad? Met andere woorden: zijn we bang voor moslims vanwege die aanslag, of ligt er meer aan ten grondslag?

Terug naar Duitsland. Hier is nog geen bom ontploft, maar het land is er niet veiliger op geworden. In 2001 maakte Al-Kaida nog gebruik van Duitsland als operationele basis om de aanslagen in New York en Washington voor te bereiden. Maar het land speelde als doelwit nauwelijks een rol in de strategie van de internationale terroristen. Sindsdien is zowel de internationale als de binnenlandse dreiging toegenomen. Jonge moslims uit Duitsland, meestal met een Turkse of Arabische achtergrond, reizen naar Pakistan om daar in trainingskampen klaargestoomd te worden voor de strijd in Afghanistan óf in eigen land.

Duitsland fungeert ook vaker als zondebok in djihadistische filmpjes en verklaringen op het internet. Begin 2010 waarschuwde Bekkay Harach, een Duitser van Marokkaanse komaf, zijn landgenoten met een Rijnlands accent en een hoofd vol gel dat Al-Kaida de Duitsers in het vizier had. En op 4 mei 2010 werd bekend dat Eric Breininger, de meest gezochte Duitse djihadist, door Pakistaanse militairen in het Pakistaans-Afghaanse grensgebied was gedood.

Er is dus van alles aan de hand. En de informatie erover ligt op straat. Verijdelde aanslagen, arrestaties en processen worden keurig in de media opgesomd; na de mislukte aanslag van juli 2006 kopte de Berlijnse krant taz doodleuk: ’Bombenstimmung in Deutschland’. Maar terrorisme wordt niet meteen aan de islam of aan etnische bevolkingsgroepen gekoppeld. In parlementaire en publieke discussies zijn woorden als ’straatterroristen’ en ’seksterroristen’ (in Nederland al gebruikt om Marokkaanse hangjongeren of loverboys aan te duiden) echt taboe. Op het ministerie van Binnenlandse Zaken aan de Berlijnse Spree is geen actieplan ’Polarisatie en radicalisering’ te vinden, laat staan dat Duitse ambtenaren durven voorstellen om samen met imams, jongerenwerkers en politieagenten de strijd tegen radicalisering aan te gaan en elkaar informatie door te spelen. Voor hen riekt elke vorm van niet-gereguleerde of rechtstatelijk ingekaderde informatievoorziening over mogelijke dreigingen en misstappen van burgers aan de overheid al snel naar ’informelle Mitarbeiter’ of naar ’Denunzieren’ (verklikken), termen die uit de stasi- en nazitijd afkomstig zijn.

In Duitsland wordt ook wel over hoofddoekjes, gevaren van radicalisering en moskeeën met dubieuze connecties gesproken. Maar de intensiteit van de debatten is minder heftig. Het gaat dan niet in de eerste plaats om angst voor terrorisme, maar om bescherming van de politieke en publieke vrede tegen ondermijningen daarvan – of dat nu ondermijningen door (religieuze) extremisten zijn of ondermijningen door een teveel aan overheidsmaatregelen.

Het grote verschil tussen de Duitse en Nederlandse debatten over de dreiging van radicale moslims en terrorisme zit vooral in de waardering van vrijheid. Voor Duitsers lijkt vrijheid als politieke waarde op dit moment belangrijker dan voor Nederlanders. In Nederland loopt er een duidelijk scheidslijn tussen nationalistische, anti-immigratie partijen enerzijds en op openheid en internationale samenwerking gerichte partijen anderzijds. In Duitsland bevindt de kloof zich meer tussen een ’veiligheids’- en een ’vrijheidskamp’.

De conservatieve CDU/CSU behoort tot het veiligheidskamp, met de huidige minister van Financiën en voormalig minister van Binnenlandse Zaken Wolfgang Schüuble als voortrekker. Het internationale terrorisme wordt hier beschouwd als de grootste bedreiging voor Duitsland, de verwachting is dat deze terroristen op korte termijn de hand op massavernietigingswapens weten te leggen. De vraag is niet of, maar wanneer er een aanslag plaatsvindt. Duitse islamcritici beschouwen de islam als geheel als groot gevaar voor de toekomst van het Westen. Een publicist als Henryk Broder verwijt het Westen regelmatig – onder meer in het in 2006 verschenen essay ’Hurra, wir kapitulieren’ dat het ziende blind is en met zijn multiculturele en liberale ideologie potentiële terroristen aan de borst drukt. Maar hij lijkt een eenling. Zo hard als hij, schreeuwt verder geen publicist, laat staan dat politici dit luidkeels roepen.

Het ’vrijheidskamp’ – een coalitie, die uiteenloopt van de Groenen en de socialisten van ’die Linke’ tot de liberale FDP en de Piratenpartei in Berlijn – betwijfelt openlijk of er wel sprake is van een djihadistische dreiging, ja, of Al-Kaida überhaupt bestaat. Zij maken zich vooral zorgen om een nieuwe wet van het Bundeskriminalamt (de federale recherche): een gemeenschappelijke antiterrorismedatabase waarin gegevens van 38 instanties zijn opgeslagen. Schüuble is voor hen een groter gevaar dan Bin Laden.

Zowel de terroristische dreiging als de integratieproblematiek manifesteert zich in Duitsland heel anders dan hier in Nederland. In de eerste plaats heeft Duitsland geen ’Marokkanenprobleem’, maar baart de gebrekkige integratie van de Turkse minderheid de overheid zorgen. De Turkse minderheid – 4 miljoen op een bevolking van 82 miljoen en de op één na grootste etnische minderheid na de immigranten uit Oost-Europa en de voormalige Sovjetgebieden – zit weggestopt in Berlijnse wijken als Kreuzberg, Neukölln of Wedding. De problemen die uit mislukte integratie, sociaal-economische achterstand of cultureel onbegrip voortkwamen, waren lange tijd niet zichtbaar in de rest van de samenleving. Duitsland heeft meer miljoenensteden dan Nederland, waar nieuwkomers ongestoord met tienduizenden gelijk hun enclaves kunnen oprichten.

Dat lijkt op de Nederlandse situatie, zij het dat de omvang van het probleem groter is, dat het hier een falende integratie van de Turkse minderheid betrof én – dit is cruciaal – dat de politieke partijen niet pas tot na ’9/11’ wachtten totdat ze de integratieproblematiek op de politieke agenda zetten, zoals in Nederland gebeurde. In Duitsland woedde het debat over inburgering van tweede en derde generatie Turken of andere buitenlanders reeds in de jaren negentig.

In 1999 spraken Duitse rechtbanken al een oordeel over een hoofddoekjesverbod uit (ja, een verbod mag in sommige deelstaten). Duitsland liep lange tijd achter bij de rest van Europa op het gebied van immigratie- en integratiewetgeving. Het ius sanguinis dicteerde dat nakomelingen van Wolgaduitsers (Russen die via hun achttiende-eeuwse voorouders één druppeltje Duits bloed konden aantonen) meteen werden genaturaliseerd, terwijl volmaakt geassimileerde kleinkinderen van Turkse gastarbeiders daar nauwelijks uitzicht op hadden. Die schrijnende toestanden werden in 2000 na verhitte debatten eindelijk opgelost. Daarmee was de hele, hoogst omstreden kwestie van integratie, assimilatie en dubbele loyaliteiten achter de rug voordat het internationale terrorisme in Europa de kop opstak. Het ’tolerante’ Nederland kreeg die problemen pas in 2002 op zijn bord.

Ook in Duitsland was de afgelopen tien jaar wel degelijk sprake van gewelddadige radicalisering vanuit islamitische immigrantengemeenschappen. Maar hierbij ging het vooral om (veelal) Turkse gevallen van eerwraak, die zich niet tegen de ’autochtone’ Duitse bevolking richtten, maar tegen de eigen vrouwen of dochters. Turks geweld werd dus niet in het terrorismediscours getrokken. Radicalisering uitmondend in terrorisme was (tot 2006 tenminste) op het buitenland gericht. Het ging om Duitsers die of élders aanslagen wilden plegen, of die Amerikaanse doelwitten in Duitsland op het oog hadden. Ook betrof het veelal studenten uit Pakistan, Saoedi-Arabië of Egypte die tijdelijk in Duitsland verbleven. Netwerken van Duitse ’zelfontbranders’ waren er (nog) niet.

Dat veranderde na de verijdelde aanslag van juli 2006. Die zou tientallen, zo niet honderden Duitse burgerslachtoffers tot gevolg hebben gehad. In 2007 luidden de veiligheidsdiensten voor het eerst de alarmklok over de trend dat Duitse Turken, maar ook ’gewone’ Duitse bekeerlingen in eigen land aan het radicaliseren waren geslagen. Het beruchtste voorbeeld daarvan is de ’Sauerlandgruppe’. Sinds 1999 zijn 180 Duitsers naar Pakistan gereisd om tot terrorist te worden opgeleid. Alleen al in 2009 waren dat er veertig, en het worden er meer, zo waarschuwen de Duitse veiligheidsdiensten.

Het blijft gezien die nieuwe trends niettemin opmerkelijk dat de onthullingen in de media, maar ook het proces tegen de leden van de Sauerlandgruppe niet tot grootschalige debatten over de aantrekkingskracht van de islam of over radicalisering via internet hebben geleid. De angst voor etnische minderheden is in Duitsland ongeveer even hoog als in Nederland: 45 procent van de bevolking was in 2009 gevoelig voor een ’etnische dreiging’. Maar anders dan in Nederland wordt het terrorisme- en radicaliseringsdebat niet zo nadrukkelijk aan de islam gekoppeld. Duitsland kent immers meerdere vormen van terrorisme (linksextremisme van de RAF, anarchistisch en rechtsextremistisch geweld). Bovendien zijn veel van de tot nog toe geïdentificeerde djihadisten geen ’allochtone’ moslims, maar bekeerde, blanke Duitsers. Waarbij het nog maar de vraag is hoe groot de rol van de islam als specifieke godsdienst in hun radicaliseringsproces is geweest. Verder zijn er in Duitsland nog geen populistische partijen opgestaan die munt proberen te slaan uit een anti-islamstandpunt.

Aan het debat over nationale veiligheid en nationale angst is te zien hoe diep historische reflexen geworteld zijn. In Duitsland is de angst voor een politie- en loerdersstaat veel dieper en existentiëler geworteld dan in Nederland. Met het Derde Rijk en een communistische dictatuur als jongste geschiedenis, discussieert het toch een beetje anders over het opgeven van persoons- en vrijheidsrechten. De angst voor en het wantrouwen tegen de staat zit diep.

Ook het kamp van veiligheid en de democratische rechtsorde vreest niet in eerste plaats de islam, maar eerder de wanorde, anarchie en straatgeweld die met terrorisme gepaard gaan. De conservatieve angst – die niet alleen traditionele aanhangers van de CDU/CSU in de greep heeft, maar ook sommige leden van de generatie van ’68 zoals Joschka Fischer of Oskar Schily – wordt opgeroepen door de historische herinneringen aan revolutie, chaos en terreur.

Angst voor de staat bestaat in Nederland niet of nauwelijks. Opslag van persoonsgegevens? Toegang tot particuliere computers? Scanners op Schiphol? Geen enkele politieke partij maakt daar een echt probleem van. Ook onder de bevolking keert de rust na wat oprispingen in de talkshows en fora over deze thema’s doorgaans snel weer. Nee, voor het opgeven van vrijheid zijn wij in Nederland niet bang. We hebben toch niets te verbergen of te vrezen? Hier slaat Orwell nog steeds niet echt aan. Op welke historische reflexen de angst voor Marokkanen, voor buitenlanders, voor immigratie en mislukte integratie dan wel is terug te voeren?

Wat doorwerkt in de Nederlandse debatten over terrorisme, islam en immigratie is niet de collectieve herinnering aan een breuk of crisis, maar juist een stille en ongemerkte ontwikkeling: die van de secularisatie en ontkerkelijking. Het verdwijnen van religie uit het publieke domein is in Nederland veel sneller voortgeschreden dan in Duitsland. Het christendom bepaalt in Duitsland nog veel sterker de cultuur.

Nu het grootste deel van de Nederlanders zonder kerk of geloof leeft, komen de manifestaties van religie in het publieke domein steeds feller onder druk te staan. En daar wringt de schoen. Want immigranten, met name moslims (maar overigens ook evangelische Antillianen of Surinamers), katapulteren hun actieve en zichtbare geloofsengagement weer midden in de publieke ruimte. De geseculariseerde meerderheid wordt daardoor geconfronteerd met ’vreemde ogen die dwingen’. Hoofddoekjes, djellaba’s en waarheidsclaims leggen een historische ontwikkeling bloot: dat Nederlanders daaraan niet meer gewend zijn en ook niet langer van gediend zijn. Heftige reacties van politici als Femke Halsema, Mark Rutte of voormalig minister van wonen, wijken en integratie Eberhard van der Laan op mogelijke vermengingen van ’kerk en staat’ duiden daarop. Een loket van de gemeente in een moskee? Gescheiden inburgeringscursussen? Een partij die vrouwen van de kieslijst weert? Ondenkbaar!

Dit ’religieuze’ debat heeft een aanzuigende werking: sociaal-economische achterstand van etnische minderheden, pedagogisch falen in immigrantengezinnen, strafrechtelijke problemen van Marokkaanse jongeren: alles wordt in termen van religie en cultuur geduid. Vanuit onbekendheid en aversie tegen religie en met name tegen de superioriteitsgevoelens en waarheidsclaims van gelovigen, is de link naar religieuze radicalisering, djihadisme en terrorisme snel gelegd.

Het antireligieuze onbehagen biedt een extra verklaring voor het feit dat Duitsers in vergelijking met Nederlanders minder bang zijn voor de islam. De Duitse cultuur is religieuzer. Civic religion speelt in Duitsland een belangrijkere rol in publieke bijeenkomsten en debatten. Een discussie over de scheiding tussen kerk en staat word wel gevoerd, maar zonder dat het gelijkheidsbeginsel leidend is. Het gaat om de ’politieke vrede’.

Op grond van deze ’politieke vrede’ heeft de deelstaat Beieren in 2007 het dragen van islamitische hoofddoekjes verboden. Berlijn heeft als enige deelstaat het dragen van álle religieuze symbolen voor ambtenaren verboden. Hessen zit er tussen in. Ook hier is het dragen van religieuze kleding die de ’politieke vrede’ verstoort verboden, maar de wet specificeert niet welke confessie als ondermijnend geldt. Andere deelstaten zijn nog aan het nadenken. De ene keer staat de religieuze kleding van islamitische snit ter discussie, de andere keer stelt de nieuwe minister van Sociale Zaken in Nedersaksen, de Turks-Duitse Aygül üzkan (CDU) voor om niet alleen het dragen van hoofddoekjes, maar ook de aanwezigheid van crucifixen in schoolklassen te verbieden. Die opmerking kwam haar meteen op zware kritiek vanuit haar eigen partij te staan. Hoe dan ook, hoofddoekjes staan wel ter discussie, maar slechts in een paar deelstaten. De discussie wordt bovendien langs andere lijnen gevoerd, van een algeheel antireligieuze impuls in het Duitse publieke debat is geen sprake.

Dat Duitsers minder bang lijken te zijn voor de radicale islam is geen situatie waarover de Duitsers zich op de borst kunnen kloppen. Het is een labiel evenwicht. Tientallen Turkse en Arabische jongeren en Duitse bekeerlingen zijn blijkbaar zover geradicaliseerd en vervreemd van hun samenleving dat ze bereid zijn aanslagen in Duitsland te plegen. Guido Steinberg, als terrorisme-expert verbonden aan de grootse denktank van Duitsland, de Stiftung Wissenschaft und Politik in Berlijn, voorziet grote problemen wanneer de Duitse regering met haar uitsluitend op repressie gerichte beleid doorgaat, geen kritiek op Israël durft te geven en zonder problemen samenwerkt met landen als Oezbekistan, Syrië of Algerije. Radicalisering van Duitse jongeren ligt dan voor de hand, aldus Steinberg.

Historische reflexen zijn niet statisch. Ze ontwikkelen zich. Uit het reservoir van de geschiedenis kunnen steeds weer nieuwe angsten of reflexen worden opgediept. Het is niet gezegd dat de Duitse focus op de tegenstelling vrijheid-veiligheid niet ook plaats zal maken voor een vergelijkbare anti-godsdienstige reflex zoals die in Nederland. Of dat de nadruk op veiligheid een verbond met een oprukkende vreemdelingenhaat zal aangaan. Xenofobie heeft in Duitsland goede historische kaarten. Rechtsextremisme zet door naar het politieke midden.

Een kwart van de Duitsers houdt er extreem-rechtse opvattingen op na. Rechts-extremisten hebben sinds 1993 in totaal 140 mensen (vooral Duitsers met een buitenlands voorkomen en asielzoekers) om het leven gebracht – een onvoorstelbaar aantal voor Nederlandse begrippen. Dit gevaar dreigt in Nederland veel minder. Hier lijkt zich eerder een diffuse anti-overheidsbeweging te ontwikkelen, gevoed door wantrouwen jegens alle vormen van gezag. In dat geval doemt een nieuwe dreiging op: de djihadisten van Marokkaanse afkomst worden overvleugeld door autochtone ’systeemhaters’ (een nieuw begrip in veiligheidskringen) à la Karst Tates.

De pointe van dit vergelijkende verhaal is dat aanslagen niet plaatsvinden in een sociaal-cultureel vacuüm. De impact van aanslagen hangt af van de sociale weerbaarheid van een bevolking, haar culturele en bestuurlijke elites. Sociale weerbaarheid heeft te maken met de hierboven geschetste politieke, culturele en sociale breuklijnen in de samenleving en in het debat. Die leiden ertoe dat dezelfde soort dreiging tot volstrekt verschillende vormen en niveaus van angst leiden, zoals blijkt uit de vergelijking van de Nederlandse en de Duitse reactie op de radicale Islam. Historische reflexen zijn moeilijk af of aan te leren. Maar een blik over de grens kan wellicht helpen nationale angsten of te simpele gevolgtrekkingen te relativeren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden