'NIET ZEUREN DOORLOPEN'

'Wat is er dan zo bijzonder aan de Shoa, dat de joden van zelfs de tweede en de derde generatie daar nog altijd naar zouden verwijzen? Is het inderdaad maar niet beter weer zonder omzien te gaan lernen , zoals Lea Dasberg voorstelt, of anders volledig te assimileren en verder je mond te houden?' Andreas Burnier was deze week aanwezig bij de driedaagse conferentie 'Het ondergedoken kind' en zag op weg daarheen meneer Cohen een slagerij binnengaan.

Sinds anderhalf jaar neem ik deel aan een kleine studiegroep van liberaal-joodse kunstenaars en academici. Regelmatig hebben wij bijeenkomsten, de laatste tijd over een boek van Robert M. Seltzer, Jewish People, Jewish Thought: The Jewish Experience in History (Macmillan, 1980). Vrijwel alle aspecten van het nu tussen de drie- en vierduizend jaar oude jodendom: religie, geschiedenis, filosofie, litteratuur, mystiek, politiek, worden door Seltzer voortreffelijk gedocumenteerd en in een uiterst leesbare stijl beschreven.

De procedure die wij volgen, is de gebruikelijke. Iedereen prepareert een van te voren afgesproken gedeelte uit het boek. De inleider maakt een uittreksel van de betreffende portie ten behoeve van de andere deelnemers en deelt dit voor of na de bijeenkomst uit. De inleider houdt op de avond zelf een verhaal daarbij. Na een pauze is er gelegenheid tot discussie en gesprek.

Op het eerste gezicht lijkt deze studiegroep zich in niets te onderscheiden van andere, soortgelijke leesclubs van uiteenlopend geschoolde mensen. Toch is er een immens verschil en dat verschil manifesteert zich, keer op keer, na de pauze. Onze groep bestaat uit een paar na de oorlog geborenen (joden van de zogenaamde 'tweede-generatie'), een paar ex-onderduikers, inmiddels van gevorderde middelbare leeftijd, maar kind tijdens de duitse terreur, en enige overlevenden van Auschwitz en andere duitse vernietigings- of concentratiekampen.

Het blijkt nu, dat waar het onderdeel dat wij uit ons studieboek hebben bestudeerd ook ook over gaat: bijbelse archeologie of Middeleeuwse joodse filosofie, het Oosteuropese chassidisme of de Westeuropese joodse Verlichting, joodse poezie of de Talmoed, de Kabbala of de opkomst van het socialistisch zionisme, altijd komt het gesprek ten slotte uit op 'de oorlog'. Inmiddels zijn er misschien wel twintig bijeenkomsten geweest, maar nog nooit heb ik meegemaakt dat niet uiteindelijk iemand ging praten over concentratiekampervaringen of onderduikervaringen, over moeilijke na-de-oorlog belevenissen of over problematische 'tweede-generatie' situaties.

De mensen die aan deze studiegroep deelnemen zijn in het algemeen maatschappelijk 'geslaagd' tot zeer geslaagd. Zij zijn doeners, geen klagers. Toch is er kennelijk de behoefte zich nu eens uit te spreken in een omgeving die ongewoon vertrouwd, veilig en begripvol blijkt. Dit is natuurlijk algemeen menselijk. Het opmerkelijke bij de joodse 'oorlogskinderen' en hun na de oorlog geboren kinderen is echter dat deze behoefte, als er eenmaal aan wordt toegegeven, in principe onverzadigbaar blijkt.

De ervaringen van de Shoa-tijd - ongeacht hoe men deze persoonlijk is doorgekomen, ongeacht hoe iemands ouders of pleegouders daar na de oorlog op hebben gereageerd, en ongeacht hoe men vervolgens heeft gepraat of juist gezwegen - waren zo onvoorstelbaar gruwelijk, het verdriet en het onvermogen te begrijpen wat er is gebeurd, zijn zo groot, dat noch jaren- en jarenlang zwijgen, noch altijd weer opnieuw erover praten uiteindelijk kan helpen. Je kunt, als overlevende van de Shoa, of als directe nakomeling van overlevenden, min of meer met de Shoa leren leven. Je kunt haar uiteindelijk niet verwerken.

Een van de diepste behoeften in een groep als de onze blijkt te zijn, via de kringloop der gesprekken over 'de oorlog' impliciet steeds weer bevestigd te krijgen van andere slachtoffers van de duitsers dat het allemaal echt is gebeurd. De gruwelen waarvan met name de overlevenden van de duitse vernietigingskampen directe getuigen waren, lijken inmiddels zo onvoorstelbaar, zo absurd, zo buitensporig demonisch, dat het gevaar dreigt dat zij irreeel gaan lijken: een boze droom. Maar de familieleden, de vrienden, de kinderen van de eigen generatie, bejaarden, zieken en baby's zijn wel degelijk echt door de duitsers uit alle hoeken van Europa naar Polen gesleept om daar door gasverstikking te worden gedood. Zij zijn echt door de handlangers en meelopers van het nationaal-socialisme verraden, gearresteerd, bewaakt, voor medische experimenten gebruikt en anderszins gemarteld. De eigen littekens, fysieke zowel als psychische, zijn echt. De vaak heel moeizame sociale heraanpassing na de oorlog was echt. De tot in de tweede generatie doorziekende kwalen en gebreken en de afwijkende gedragingen die men van de oorlog overhield, zijn echt.

Het zou immoreel en pieteitloos zijn jegens de door de duitsers vermoorden als men het gevoel van irrealiteit, van 'boze droom' dat met het verstrijken van de jaren sterker zou kunnen worden, de overhand zou laten krijgen. Het zou ook een vorm zijn van gebrek aan zelfrespect. Daarom komt in een studiegroep als de onze, ongeacht het onderwerp van de avond, soms al meteen, soms pas als wij al op het punt lijken te staan af te sluiten en naar huis te gaan, het gesprek toch altijd en altijd weer, kort of lang op 'de oorlog'.

Het intellect hoeft iets maar een keer te horen en dan weet men men het, in principe voorgoed. Maar het gevoel heeft een eindeloze herhaling nodig. Een van de belangrijkste gevoelens van de overlevenden uit zich in het onuitgesproken verzoek aan de mede-slachtoffers: help mij volledig te beseffen dat het allemaal echt is gebeurd, zoals het is gebeurd. De schaarse overlevenden zijn behalve dat zij 'geluk' hadden - vaak de mensen die hun bewustzijn voldoende konden vernauwen om niet onder de ook al ondraaglijke psychische last van de Shoa te bezwijken. Daardoor zijn zij tevens degenen die bij uitstek moeite hebben het realiteitsgevoel te behouden. Bovendien is er natuurlijk sprake van een, al dan niet bewuste, neiging de meest lugubere details van de Shoa toch maar liever wat weg te houden. Het evenwicht tussen enerzijds alles volledig willen toelaten en anderzijds, uit zelfbehoud, de ergste feiten enigszins verdringen of althans het gevoel daarover inkapselen, is uitermate delicaat.

De meeste joodse overlevenden van de duitse kampen zijn nu van gevorderde leeftijd. Er zijn vrijwel geen overlevende concentratiekamp-kinderen, omdat wie onder de zestien (of boven de vijfenveertig) was in elk geval meteen door de duitsers de gaskamers werd ingejaagd.

Voor de onderduik-kinderen, zoals ik, nu tussen de vijftig en zeventig jaar oud, zijn de directe eigen ervaringen uiteraard onvergelijkbaar anders dan die van de destijds jong-volwassenen die de kampen overleefden. Onderduikervaringen kunnen soms tamelijk prettig zijn (opvang in een harmonisch, liefdevol pleeggezin) of meer dan afschuwelijk (voortdurend opgejaagd door razzia's van het ene 'adres' naar het andere hebben moeten vluchten), en alles daar tussenin. Maar voor alle joodse onderduikers, van welke leeftijdsgroep ook, was er na de oorlog de kwellende vraag: 'Waarom ik? Waarom ben ik niet door de duitsers gedood, zoals miljoenen andere kinderen, volwassenen en bejaarden van mijn volk? Waarom heb ik niet geleden wat de andere overlevenden hebben moeten doorstaan in de duitse concentratiekampen? Maakt dit mij op een bepaalde manier 'schuldig'? Moet ik iets bijzonders doen om mijn overleving, al was het maar voor mijzelf, te rechtvaardigen?"

De onderduikkinderen die zeer ongelukkig waren, en ook dat waren er velen, voelen zich zelden geroepen hun kinder

trauma's breed uit te meten. Hoe erg het ook was (je eenzaamheid, je angst, je verlatenheid, het besef dat talloze volwassenen er gericht op uit waren jou en de jouwen te doden), het was immers niets vergeleken bij wat de anderen is overkomen.

Je moet je pleegouders, ook als die in enkele gevallen minder plezierig waren of zelfs misbruik maakten van de situatie, toch dankbaar zijn. Zij hebben immers hun leven voor jou gewaagd en in elk geval jouw leven gered. Met allerlei dubbele bindingen zit je sinds de oorlog opgescheept, waaronder vaak ook zeer tweeslachtige gevoelens jegens het soms opgedrongen christendom.

Als er een na-oorlogse joodse groep is die echt heeft leren zwijgen (ook innerlijk) dan is het wel die van de ex-onderduikkinderen. 'Niet zeuren, doorlopen,' lijkt mij - kort gezegd - het levensmotto van de meesten van ons.

Tijdens een recente discussie over weinig tactvolle en evident ondeskundige uitlatingen van professor Lea Dasberg (een extreme representante van het 'niet zeuren, doorlopen'-type), deelde ik de ergernis van haar critici, zoals professor David de Levita en de schrijver Gerard Durlacher. Dasberg vindt het onjuist en ongezond de Shoa-ervaringen als een belangrijk onderdeel van de (huidige) joodse identiteit te ervaren. Vooral de tweede of zelfs derde generatie van na de Shoa uit vervolgde joodse ouders geboren kinderen, moet niet doen alsof zij, indirect, ergens slachtoffer van zouden zijn. Dasberg vindt trouwens antisemitisme in het algemeen een probleem van 'de anderen', niet van de slachtoffers

'Is er bij jou ingebroken? Ben je verkracht? Dat is dan een probleem van de inbreker/verkrachter, niet van jou,' was een analogie die, terecht, al gauw bij haar critici opkwam.

Professor Dasberg wijst met nadruk op de vele mooie en interessante kanten van het jodendom: de Hebreeuwse taal, de zeer lange en gevarieerde joodse geschiedenis, de klassieke geschriften, zoals Torah en Talmoed en hun talloze commentaren, de liturgie, de huiselijke gebruiken, de litteratuur, de filosofie, de mystiek. Waarom zou je je met zoiets negatiefs als de Shoa bezighouden, als er zoveel buitengewoon positiefs te bestuderen en te doen valt?

Dasbergs gedachtengang is misschien nog het beste te begrijpen als een uiting van een persoonlijk reactiepatroon, dat door haar tot algemeen geldig en universeel heilzaam recept voor na-oorlogse joden wordt uitgeroepen. Wie de praktijk kent, als psychiater of psycholoog, als kamp- of als onderduikslachtoffer, als kind van ouders die zelf als kind werden vervolgd en wier familie door de duitsers werd uitgeroeid, of als bekende van naoorlogse joden, weet dat professor Dasbergs panacee voor het onverwerkbare verleden: 'Niet zeuren, doorlopen,' zeker op de wat langere duur niet goed is.

Voor de kinderen van de zogenaamde 'tweede generatie' zijn haar opmerkingen misschien wel het meest pijnlijk. Zij zijn opgevoed door mensen 'die er zelf bij waren'. Hoe onbeschrijflijk gruwelijk of ellendig dat ook mag zijn geweest, het was in elk geval iets waar die overlevenden zich blijkbaar uit hebben gered. De directe slachtoffers, hoe ziek of hoe gestoord soms ook in hun gevoelens en hun gedrag na de oorlog, zijn toch allemaal tot op zekere hoogte in psychologische en sociale zin fighters, of zijn dat althans geweest. Hun kinderen echter werden opgevoed door ouders wier eigen kindertijd en jeugd hen was ontnomen, op een manier die althans voor de duitse terreur ondenkbaar leek. Deze 'tweede generatie'-kinderen meenden - zelfs nog meer dan de onderduikkinderen - dat hun leed onbelangrijk en onbespreekbaar was. Zij voelden zich - onbewust - vaak al van jongsaf aan verantwoordelijk: de ouders van hun ouders. Deze ouders, die in eigen ogen misschien hun zaken goed onder controle hadden, zonden kennelijk toch signalen uit die door de kinderen op het onbewuste niveau werden opgevangen: 'Pas op. In mij schuilt een woede die geen grenzen kent als zij eenmaal zou worden ontketend. In mij schuilt een depressie die onstuitbaar en ongeneeslijk is als zij eenmaal zou worden toegelaten. Ik lijk misschien een volwassene, maar eigenlijk ben ik een voorgoed ontroostbaar, verdrietig, angstig en hulpeloos kind.'

De schade die dit bij de 'tweede generatie', die zwijgers in het kwadraat, heeft aangericht, komt nu steeds meer aan het licht. En zoals de overlevenden van de oorlog meteen daarna werden geconfronteerd met het onbegrip en de afweer van 'de anderen', zo krijgen de tweede generatie-slachtoffers er nu mee te maken dat men hun problemen niet als iets bijzonders of iets uitzonderlijks wil erkennen.

Dat laatste geldt trouwens steeds meer voor de hele joodse gemeenschap van na de tweede wereldoorlog. De mensheid is sindsdien al weer van talloze oorlogen van gewapende, machtige mannen tegen weerloze vrouwen, kinderen, bejaarden, zieken en gehandicapten getuige geweest. Zinneloze moordpartijen, martelingen, racisme, guerrilla's, terreur omderwille van de terreur zijn helaas nog steeds aan de orde van de dag. De stompzinnigheid en wreedheid die een van de polen van het genus 'mens' schijnt te zijn, is met het even wegvallen van de duitse terreur na 1945 bepaald niet van de aardbodem verdwenen. Wat is er dan zo bijzonder aan de Shoa, dat de joden van zelfs de tweede en de derde generatie daar nog altijd naar zouden verwijzen? Is het inderdaad maar niet beter weer zonder omzien te gaan lernen, zoals Lea Dasberg voorstelt, of anders volledig te assimileren en verder je mond te houden?

Ieder jaar rond de bevrijdingsherdenking op 4 mei wordt er in Nederland de vraag gesteld in de massamedia waarom deze herdenkingen eigenlijk nog nodig zijn. Dat de destijds jongste overlevenden van de Shoa nu amper vijftig jaar oud zijn, en dat de zogenaamde tweede generatie vaak 'joodser' voelend dan hun ouders - aan het begin van haar leven staat, verdringt men gemakshalve. Er lijkt een, misschien onbewuste, in elk geval impliciete doodswens te bestaan ten aanzien van de slachtoffers van wat - zelfs nu nog - toch wel een heel uitzonderlijke vorm van genocide is geweest.

De misdrijven tegen de mensheid zijn sindsdien in omvang en ernst inderdaad niet minder geworden. Maar dat een ogenschijnlijk hoog geciviliseerd volk, in de ban van een ordinaire volksmenner, zich zou laten gebruiken voor het uit alle hoeken van Europa joden naar de gaskamers van Polen slepen, blijft nog steeds iets aparts. Bovendien gaat het niet om de hierarchie van het lijden, de hierarchie van het verdriet, de hierarchie van de onverwerkbaarheid van wat iemand en haar of zijn familie is aangedaan.

Het gaat erom dat het in dit geval joden ongeacht wat er verder voor moois te doen en te leren valt in het inderdaad bijzonder rijke en veelzijdige jodendom - wordt toegestaan ook hun leed en hun verliezen te gedenken (wie daar nog niet, of niet meer aan toe is, hoeft niets), de Shoa als een onvervreemdbaar onderdeel van de na-oorlogse (westerse) joodse identiteit te beleven en zich, als zij daar behoefte aan hebben, daarover te uiten: desnoods zesmiljoen maal.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden