NIET VOOR HERHALING VATBAAR

De eerste officiële Elfstedentocht, in 1909, zou een 'eenmalige, niet voor herhaling vatbare' schaatstocht worden. Vandaag wordt de vijftiende editie verreden van wat een Friese maar ook nationale folklore is geworden. Een barre tocht, 'alleen voor de zeer sterken'. Literatuur: 'De Elfstedentocht 1909-1985', Pieter de Groot, Henk van der Meulen en Willem Stegenga, uitg. Friese Pers Boekerij BV.

Het waren door de jaren heen vooral 'Hollanders' die het beter wisten. Acteur Manfred de Graaf was zo iemand. Toen het Elfstedenbestuur op zondag 20 januari 1985 een Elfstedentocht 'voorlopig' afgelastte omdat er dooi aan zat te komen, riep De Graaf op hoge toon: “Het is vreselijk. Ze durven geen tocht uit te schrijven.” Dinsdag 22 januari 1985 - de dag waarop die dertiende Elfstedentocht zou worden verreden - stond er twintig centimeter water op de Bonkevaart. De Hollanders dropen teleurgesteld af, de NOS treurde over het verlies van een ton aan voorbereidingskosten. Maar de Friezen hielden moed: “Dizze winter is noch lang net foarby. Fan de offisjele Alvestêdetochten sûnt 1909 binne der seis yn febrewaris holden. Der is dus noch hoop. Fryslân hat in slach ferlen mar net syn moed. Ienris sil it dochs echt heve”, schreef hoofdredacteur Jacob Noordmans van de Leeuwarder Courant daags na de bekendmaking in zijn commentaar.

Noordmans kreeg gelijk. Donderdag 21 februari 1985 werd de dertiende Elfstedentocht verreden. Het had 22 jaar geduurd, maar het was het wachten waard geweest. De tocht van 1985 - bij prachtig weer, lichte dooi en op redelijk ijs - werd een nationaal evenement.

Kritiek zal er altijd zijn, er is een natuurlijke spanning tussen de horden schaatsers die popelen de Elfstedentocht te mogen rijden en dat bestuur, dat zich verantwoordelijk voelt voor de veiligheid van de duizenden die het ijs opgaan. De route loopt tenslotte niet over ondergelopen weilanden. Dan ben je voorzichtig, soms te voorzichtig. Achteraf kan worden vastgesteld dat er de vorige winter misschien best een Elfstedentocht had kunnen worden gereden, maar het bestuur vond de risico's te groot.

Die afwegingen speelden ook een halve eeuw geleden, in de gemene winter van 1947. Sinds midden december 1946 had het Elfstedenbestuur verscheidene keren een datum vastgesteld, steeds moest op het laatste moment worden besloten dat de tocht niet doorging. Maar op 8 februari van dat jaar ging het dan toch gebeuren. Later bleek het de ongelukkigste datum van die winter. Het waaide hard, hier en daar met kracht 11, sneeuwstormen joegen over het Friese land, in de noordhoek werd laat die dag zelfs zand op het ijs geblazen. Het vroor dat het knerpte, min dertien graden was het 's ochtends vroeg. Het barre weer veroorzaakte een slachting onder de schaatsers. Van de 277 wedstrijdrijders kwamen er slechts 39 op tijd binnen, van de 1 791 toerrijders haalden maar 270 de eindstreep bij de Prinsentuin in Leeuwarden.

Bij het vallen van de duisternis werd vooral in het noordelijk deel van de route het uiterste gevergd van de schaatsers. Door de snoeiharde wind lag er op sommige plekken bijna een halve centimeter zand op het ijs. In Franeker, Wier en Bartlehiem probeerden EHBO'ers uitgeputte schaatsers te bewegen te stoppen. Maar velen wilden door. Vrijwilligers liepen de route af om schaatsers die in de walkanten waren gaan liggen, mee te nemen. In de zuivelfabriek van Bartlehiem lagen halverwege de avond meer dan 200 rijders bij te komen. Er was een groot aantal bevriezingsgevallen.

De hele maand februari regende het kritiek op het Elfstedenbestuur. Onder dit soort weersomstandigheden was het onverantwoord geweest de tocht te laten doorgaan, vonden velen. De bezwaren kwamen vooral van buiten de provinciegrenzen, van 'Hollanders'. Half februari vond een van de hoofdredacteuren van de Leeuwarder Courant, jhr. J. W. J. Witsen Elias, het welletjes. Hij rekende in een hoofdartikel af met de kritiek: “Het verwijt dat de tocht niet op het laatste oogenblik is afgelast, zal het bestuur der Elfstedenvereniging uit Frieschen mond weinig gehoord hebben. Hier weet men, wat de tocht kan zijn, wist men wat hij vermoedelijk van het jaar zou worden en wapende er zich zoo goed mogelijk tegen, of liet verstek gaan. Niemand zal willen ontkennen, dat ook de deelnemers van elders niet zooveel mogelijk gewaarschuwd zijn. Men wist dat het dit jaar extra 'tegen' zou zitten, maar de Elfstedentocht is erdoor gebracht op het plan waar hij behoort te staan: een onderneming voor de zeer sterken. Vaak hebben we, na 1942, toen het een pleziertochtje werd over schitterend ijs, betoogd dat de Elfstedentocht devalueerde; welnu, 1947 heeft voor een revaluatie gezorgd. Het blijven altijd 200 km, binnen 18 uur af te leggen; de grootste onderneming op het gebied van de schaatsensport welke men kent.”

De tocht van 1947 was in nog een opzicht bijzonder. Het is tot dusver de meest omstreden Elfstedentocht, omdat er door de wedstrijdrijders op grote schaal was gezondigd tegen de reglementen. Direct nadat Joop Bosman uit Breukelen en Klaas Schipper uit Steenwijkerwold als eersten over de finish waren gekomen, brak de pleuris uit. Er zou zijn gesjoemeld: rijders hadden zich laten trekken door fitte voorrijders, ze hadden stukken die gekluund hadden moeten worden, achterop de fiets of op een handkar afgelegd. Bosman en Schipper werden er door drie wedstrijdrijders van beschuldigd dat zij tussen Franeker en Bartlehiem een heel eind hadden geschaatst in het zog van een op het ijs rijdende jeep. Ook onder de tochtrijders zou er zijn gerommeld met de regels. Op plaatsen waar het ijs erg slecht was, zoals in Parrega, Harlingen en Vrouwbuurtstermolen, hadden velen hele stukken per auto afgelegd. Het verhaal ging dat een groep schaatsers uit Amsterdam zich zelfs om beurten per auto langs de route had laten vervoeren.

Het Elfstedenbestuur stelde een onderzoek in en Bosman en Schipper liepen hun prijzen mis, alsmede de anderen uit de kopgroep. Gevolg was dat de 23-jarige Jan van der Hoorn uit Ter Aar, die als vijfde was binnengekomen, een kwartier na Bosman, werd uitgeroepen tot winnaar van de negende Elfstedentocht.

In het op 14 februari 1947 verschenen nummer van het weekblad 'Sportief' beschreef een verslaggever uit eigen waarneming hoe de koprijders zich tijdens deze Elfstedentocht lieten helpen:

“In het dorpje Parrega zag ik bijvoorbeeld Bosman en Schipper vervoeren in een handkar en hun naaste concurrenten Van der Duim en Schueller namen plaats op de bagagedragers van een paar fietsen. Het ging over een stuk van ongeveer 500 meter. Ik neem aan dat de enthousiaste dorpelingen ook latere wedstrijdrijders op deze wijze hielpen hun dorp te passeren. Voordat Bosman en Schipper instapten, heb ik de mensen in Parrega er op gewezen dat het riskant was wat zij gingen doen. 'Jullie bewijzen ze er nu een dienst mee, maar neem maar aan dat de rijders straks zich de haren uit het hoofd trekken van spijt'. (...) Inderdaad is deze wijze van hulpverlening af te keuren. De rijders mogen geen hulp van anderen aanvaarden. Dat is buiten kijf. Máááár... het is altijd zo geweest. In alle gehouden Elfstedentochten zijn de rijders door de bevolking geholpen. In wat Bosman en Schipper in Parrega deden school geen boos opzet. De dorpelingen duwden hen bijkans in het wagentje; zij kregen amper de kans tegen te stribbelen. Zij dachten niet anders of het hoorde zo.”

In hetzelfde nummer van 'Sportief' vertelde Elfstedenwinnaar Joop Bosman aan Frits van der Molen zijn ervaringen. “U moet niet denken dat ik een geheelonthouder ben. Ik lust er best één en wel twee ook. Bovendien ben ik, zoals u ziet, een stevige roker.” Bosman was ten tijde van het gesprek nog onkundig van de maatregel die het bestuur tegen hem ging nemen. Hoe had hij zich voorbereid op de tocht? “Velen kleden zich niet goed”, aldus Bosman. “Zij besteden er te weinig aandacht aan. Ik had drie dunne truitjes over elkaar, een stevige onderbroek met daarboven een slip van konijnenhuid, een lange broek van tricot en één paar kousen. Kranten op je lichaam of een wind-jacket lijken mij uit den boze. Je moet vrijuit kunnen ademen. De voeding moet matig zijn. Klontjes suiker, een paar rozijnen of een stukje pure chocolade en soms een kop chocolademelk. Wanneer je te veel eet, krijg je steken in de zij en dan is het hek van de dam.”

Op 2 januari 1909 werd de eerste officiële Elfstedentocht gereden, uitgeschreven door de Nederlandsche bond voor lichamelijke opvoeding en georganiseerd door de Friesche IJsbond in Leeuwarden. Niet dat er daarvoor nooit tochten langs de elf Friese steden werden gemaakt. Al eeuwen gold het 200 kilometer lange traject als een uitdaging voor de geoefende schaatser.

In 1763 al maakte J. H. Knoop in zijn Historische Beschryvinghe van Friesland melding van de tocht langs de elf steden. In de winter van 1808 op 1809 maakten Pals Andries en Pals Geerts de tocht. Ze waren om half zes 's ochtends uit hun woonplaats Deersum vertrokken en om acht uur 's avonds waren ze weer thuis. Onderweg waren ze nog even aangeschoven aan de stamtafel in Hospes Bouwe in Sneek, waar ze boerenkoffie dronken, een cocktail van warm bruin bier, brandewijn, nootmuskaat en geklutste eieren.

Willem Mulier, een sportenthousiast uit Haarlem, geboren in Wonseradeel als zoon van de burgemeester, zou de aanzet geven tot het organiseren van de eerste Elfstedentocht. Op 25-jarige leeftijd had Mulier in december 1890 de Elfstedentocht in 12 uur en 55 minuten gereden. Hij haalde de Friesche IJsbond over om in 1909 de eerste tocht uit te schrijven. Het zou een 'eenmalige, niet voor herhaling vatbare' schaatstocht worden. Minne Hoekstra, zoon van een schaatsenfabrikant in Warga, werd winnaar, ondanks het feit dat hij bij Birdaard bij een valpartij zijn lorgnet had verloren. In het boekje 'De historische Elfstedentocht van 2 januari 1909' beschrijft Hoekstra meeslepend hoe hij de laatste kilometers aflegt: “Hoe ver zijn we nog van de stad? Daar fluit 'n locomotief, daar nog een; zwak dringt tot ons door 't gedrein van rangeerende wagens. Nu weet ik voldoende. Vierkante donkere massa's, zwak zich afteekenend tegen de zwak verlichte avondnevelen, blijken huizen en fabrieken te zijn. 't IJs is ook direct veel slechter geworden, overal schotsen; 'n harde duw in m'n rug behoedt me voor een val, want diep zit m'n linkervoet in een scheur. Maar voort vliegen we weer, alsof 't leven ermee gemoeid is. Vanaf de kaden heeft de menigte ons reeds opgemerkt, luid geroep van alle kanten begroet ons. 'Waar is de Amicitia?' (het toenmalige hotel aan de Wirdumerdijk in Leeuwarden van waaruit de wedstrijdrijders die ochtend kort na vijven waren vertrokken, JB). 'Nog twee bruggen!' Deze zijn gepasseerd; links golft de groote menigte van wachtenden, haar luid geschreeuw en gejuich maakt me enigszins van streek. Waar is de controlepaal met brandende lantaarn? Hier moet het wezen, ik stuur er op af... de menschen wijken uitéén, ik gevoel iets heel hards... en stort neer. Maar opstaan behoef ik nu niet meer, want sterke vuisten heffen m'n natte body op en dragen me, agenten maken ruim baan, 't schrille licht van gaslampen verblindt m'n moede oogen. Voor 't laatste wordt m'n boekje afgeteekend... 't Is tien minuten over zeven.”

Het is niet bij die ene, niet voor herhaling vatbare tocht gebleven. De ijsbond kreeg zoveel reacties te verwerken, dat ze onder de druk bezweek. Er zou vaker een Elfstedentocht worden uitgeschreven. Maar de tweede officiële tocht zou niet door de ijsbond en Bond voor lichamelijke opvoeding worden georganiseerd. De tocht mocht geen 'Hollands' initiatief blijven, vonden enkele notabelen. Daarom werd op 14 januari 1909 in Leeuwarden de vereniging De Friesche Elf Steden opgericht. Maar voorlopig was er geen zicht op de marathonrit. Het werd zelfs de Leeuwarder Courant te veel: “Friesland, wat zegt de naam al niet veel. Maar helaas, als wij hier in Friesland eens iets grootsch op touw zetten, waarbij onze provincie zijn naam als 'vriesland' moet ophouden, dan... dooit het.”

Uiteindelijk viel het wachten nog best mee, want op woensdag 7 februari 1912 kon de tweede Elfstedentocht worden verreden. Het regende dat het goot, maar de tocht ging door.

Eigenzinnigheid, misschien wat eigenwijzigheid, sommigen noemen het stugheid, is in de Elfstedengeschiedenis een betrekkelijke constante. Doe maar gewoon, is zowel het motto van menige (Frieze) schaatser als bestuurder. “Wij laten ons de kop niet op hol brengen”, zei (toen nog ijsmeester) Henk Kroes in 1985, toen de druk van de media op zijn toppunt was. Ook anno 1997 laten Kroes en de zijnen zich niet meeslepen in de schaatsgekte. Zelfs als Harmen Roeland, NOS-journaals eigen ijspegel, bij de bekendmaking van de Elfstedentocht 1997 in een rechtstreekse tv-uitzending gebiedend roept: 'Het woord is aan de heer Kroes', geeft de voorzitter geen krimp. Camera's snorren, een batterij microfoons staat reikhalzend op geluid te wachten, schaatsend Nederland houdt de adem in, maar Henk Kroes ordent eerst wat papieren, kijkt eens om zich heen, mompelt nog wat, rommelt met een mobiele telefoon en neemt - op een moment dat het hém past - het woord.

Zoiets flikte ook Karst Leemburg uit Leeuwarden, winnaar van de Elfstedentocht 1929, toen hij aan de Willemskade de finish bereikte. Het was in 1929 een barre tocht geweest bij temperaturen van -18 graden. Ook ditmaal veel bevriezingen. Bij Leemburg moest een paar dagen later een stukje van zijn grote teen worden afgezet. Aan de finish stond het zwart van de mensen. Een Fries die al sinds Workum voorop reed. De menigte was uitzinnig, nu eens niet een 'Hollander' als winnaar, maar een stadgenoot. Het Elfstedenbestuur stond Leemburg glimmend en in vol ornaat op te wachten, maar de schaatser ontwaarde op de kade zijn oude moeder. Zonder enige aarzeling baande hij zich een weg langs de verbouwereerde bestuurders: 'Earst myn âlde mem'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden