Niet spelen met ’Auschwitz’

Bij gelegenheid van de kranslegging op 27 januari bij het Auschwitz-monument hield de Amsterdamse burgemeester Job Cohen een korte lezing die in de Volkskrant van 1 februari werd afgedrukt. Op de vraag die hij daarbij stelde: ’Gaan we terug naar de jaren dertig?’ gaf hij zelf het antwoord: ’Haat tegen de ander leidt tot Auschwitz’. Dat is ook de kop boven het stuk geworden.

Zoals te verwachten was, keerde hij zich ook deze keer fel tegen ’uitingen van haat jegens mensen die anders zijn, die een andere religie aanhangen, die niet tot dezelfde groep behoren’, een houding die naar zijn mening sinds de Tweede Wereldoorlog niet meer zo algemeen is geweest. Zelfs gaat hij zover aan de einder een nieuw ’Auschwitz’ te zien ontstaan.

In plaats van een andere, bezonnen tegenstem aan het woord te laten, wist de opinieredactie van de Volkskrant niets beters te bedenken dan een vertegenwoordiger van een Israëlische denktank het woord te geven, die meteen uit een heel ander vaatje tapte. De vergelijking tussen islamofobie en antisemitisme acht hij onzinnig: de eerste houding komt voort uit de terechte vrees voor moslimterrorisme, de tweede is het resultaat van eeuwenlange haatpropaganda die nergens op slaat. Met de politiek van Israël heeft het evenmin iets te maken: de Palestijnen hebben alle ellende aan zichzelf te wijten.

Er is geen betere manier om deze discussie op een hoger niveau te brengen dan de historicus Tony Judt heeft gedaan in het dezer dagen verschenen nummer van The New York Review of Books. Getuige zijn magistrale boek uit 2005, ’Postwar: A history of Europe since 1945’ is hij niet alleen feitelijk voortreffelijk op de hoogte maar als jood, met familieleden die in de vernietigingskampen omkwamen, heeft hij tevens een moreel recht zijn standpunt onomwonden te formuleren.

Aan de ene kant verzet hij zich tegen de veel voorkomende neiging de diabolische werkelijkheid van de holocaust te pas en te onpas in hedendaagse personen en voorvallen aan te wijzen. In het Midden-Oosten zijn inmiddels heel wat ’Hitlers’ geïdentificeerd en er kan in Frankrijk geen synagoge met antisemitische leuzen worden beklad, of we krijgen de boodschap weer in het jaar 1938 van de Kristallnacht te zijn teruggekeerd.

Judt acht dergelijke uitingen een bewijs van het onvermogen onderscheid te maken tussen incidentele dwaasheden en schoftenstreken en het unieke kwaad dat de twintigste eeuw kleurde: de systematische moord op een heel volk. Dat onvermogen, is zijn stelling, dreigt de ware betekenis aan de holocaust te ontnemen.

Dit verwijt richt zich niet alleen impliciet tegen Nederlandse islamhaters die van Islamofascisme spreken maar ook tegen Cohen die, de problematiek van de andere kant benaderend, de ontegenzeglijke haatcampagne tegen de Nederlandse moslims ziet eindigen in iets wat met ’Auschwitz’ te vergelijken zou zijn. Dat is niet alleen een onzinnige veronderstelling, het is bovendien een ondoordachte verwijzing naar een verleden dat te abject is om het in een politiek gelegenheidsbetoog te verwerken.

Tony Judt volgt nog een andere redenering. Vraag je eens af, zo suggereert hij, of je je welkom en veilig zou voelen als een moslim in Amerika, als een Algerijn in Frankrijk, een Marokkaan in Nederland of een zigeuner in welk Europees land ook. Zou je je als jood niet meer geaccepteerd en geïntegreerd voelen? Feit is immers dat de joodse minderheid in de meeste van die landen volledig gerespecteerd is alsook prominent vertegenwoordigd in het bedrijfsleven, de media en de cultuur. Aan de stigmatisering die momenteel zoveel andere minderheden betreft, staat zij niet bloot.

Judts derde punt betreft de gewoonte om elke kritiek op de misdragingen van Israël gelijk te stellen met antisemitisme, naar zijn mening een buitengewoon gevaarlijke redenering omdat juist daardoor antisemitisme wordt bevorderd. Wie eenmaal het vermoeden begint te koesteren, zoals Judt dat bij veel jongeren aantreft, dat hier een onterechte uitvlucht wordt gedebiteerd, moet zich niet beklagen over een toenemend cynisme met betrekking tot werkelijke antisemitische incidenten.

Misschien nog ernstiger is volgens Judt het gevaar dat de monopolisering van de herinnering aan de holocaust door een enkel land, ten dienste dus van lokale belangen, de uitzonderlijke historische en de universele morele betekenis aan die humanitaire catastrofe ontneemt. Reeds nu bespeurt Judt een geleidelijk wegebben van de interesse bij jongeren. Willen we er zeker van zijn dat deze ontoelaatbare vergeetachtigheid niet verder voortwoekert, dan zal er een einde moeten komen aan het opportunistisch manipuleren van het verleden om redenen van politiek profijt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden