Niet op een briefje (3)

'Mijn moeder kwam uit een stadje in Polen, mijn vader uit een stadje in Maine. Mijn moeder was een niet-gelovige jodin, mijn vader een niet-gelovig christen.'

Zo begint het boek Davita's harp van Chaim Potok. In dat boek vertelt Potok over de eerste twaalf levensjaren van het meisje Davita. Hoewel niet-religieus opgevoed gaat Davita, onder invloed van hun joodse buren en nieuwsgierig naar haar wortels, van tijd tot tijd naar de synagoge. Zij zit dan op de vrouwengalerij, achter een gordijn. Dat vindt ze niet prettig. 'Zo staat het in de Wet,' zegt David, de buurjongen.

'Dan moeten ze de Wet veranderen', zegt Davita.

'Dat kan niet. God heeft de Wet gemaakt.'

'Nee, dat deed hij niet. Mijn moeder zegt dat de wetten door mensen worden gemaakt en dat de mensen daarna zeggen dat God die wetten gemaakt heeft om te maken dat de mensen die wetten gehoorzamen.'

Wanneer haar vader vermoord wordt, gaat Davita iedere week naar de synagoge om voor haar vader kaddisj te zeggen, het gebed voor de gestorvenen. Helder klinkt haar meisjesstem dwars door het gordijn. 'Dat moet je niet doen,' zegt David, 'vrouwen zeggen geen kaddisj in de synagoge, dat doen alleen de mannen.'

'Ze kunnen me wat,' zegt Davita, en ze gaat er dapper mee door.

Na enige tijd belandt ze zelfs op de orthodox-joodse school waar David ook zit. Ze is intelligent en geniet met volle teugen.

Op een dag wordt in de klas het verhaal van Abraham besproken, zijn roeping om uit Haran op te trekken en naar Kanaün te gaan. 'De Kanaüniet was toen in het land.'

De klas buigt zich over de vraag wat dat toen kan betekenen, er wordt een ingewikkelde verklaring voor gevonden, die de kleine Davita niet bevredigt. Thuis bedenkt ze een andere, in haar ogen betere uitleg.

De volgende morgen steekt ze haar vinger op. 'Mag ik nog even terugkomen op het verhaal van gisteren? Ik heb iets anders bedacht.'

'Natuurlijk.'

'Dat toen zou ook kunnen betekenen dat op het moment dat dit verhaal werd geschreven er geen Kanaünieten meer in het land waren. De schrijver wil ons eraan herinneren dat er destijds wel Kanaünieten woonden.'

De leraar kijkt Davita verbijsterd aan en vraagt haar of ze die woorden even wil herhalen. Davita doet het.

'Wil jij soms beweren, Davita, dat een schrijver dit verhaal schreef?'

'Ja.'

'En wie was die schrijver dan wel?'

'Dat weet ik niet.'

'Dat weet je niet. En wanneer schreef die schrijver dit verhaal?'

'Toen er geen Kanaünieten meer in het land waren.'

De klas houdt zijn adem in, iedereen beseft dat Davita iets vreselijks heeft gezegd.

'God heeft de Wet geschreven, Davita. Niet een schrijver. God. De Wet, de Thora, is het heilig woord van God. Heb je dat goed begrepen? Als de Thora mensenwerk is, waarom zouden wij ons er dan druk om maken? Waarom zouden we ons er dan voor opofferen? Waarom zouden we bereid zijn ervoor te sterven? De Thora is niet maar een verhaal, Davita. Het is niet iets wat een Shakespeare bedacht heeft of James Joyce. De Thora is van God. Van God. De Waarheid van God.'

Wat Davita te horen kreeg, krijg ook ik steeds te horen. Ook ik word voortdurend op de vingers getikt door mensen die de heilige traditie bewaken en mij bezweren dat de bijbel niet 'maar een verhaal' is, maar het onfeilbaar Woord van God, de waarheid van God.

Andries Knevel van de EO heb ik er herhaaldelijk op betrapt. 'Is Jezus de Zoon van God?' vraagt hij dan aan lieden van wie hij een bevestigend antwoord verwacht. 'Is Jezus lichamelijk uit de doden opgestaan? Verifieerbaar? U bent het dus niet eens met Nico ter Linden die beweert dat het maar verhaaltjes zijn?'

Ook kardinaal Simonis heeft zich in deze zin uitgelaten, in een vraaggesprek met het maandblad voor katholieke schoolbesturen, waarin kort tevoren een interview met mij gestaan had. 'Als Ter Linden de maagdelijke ontvangenis van Jezus in de schoot van Maria ontmythologiseert, vrees ik dat hij dat ook met de verrijzenis doet en uiteindelijk met de godheid van Jezus. Dan blijft er bij wijze van spreken een sprookjesboek over en gaat de uniciteit van Jezus als enige middelaar, als de werkelijke Zoon van God verloren.'

Wat zou de kardinaal met dat 'werkelijk' bedoelen? Moet ik me daarbij voorstellen dat Jezus biologisch de Zoon van God is? Dat hij geen aardse vader had? Maar hoe zit dat dan met Israëls koningen die al sinds mensenheugenis Zoon van God werden genoemd, en met Israël zelf, in de Schriften ook Zoon van God genoemd? De evangelisten rijmen daar toch op?

De kardinaal doet het voorkomen alsof het van mij buitensporig is dat ik dat verhaal 'ontmythologiseer'. Terwijl er waarachtig geen katholiek of protestants nieuw-testamenticus aan enige universiteit in dit land te vinden is, die dat niet ook doet. We weten toch allang dat met deze beeldspraak de evangelisten hun geloof verwoorden dat Jezus een godsgeschenk is? Het is dus niet 'maar een verhaal', niet 'maar een mythe', niet 'maar een beeld', niet 'maar een sprookje', niet 'maar een gelijkenis'. Het is een belijdenis. Als ik tegen mijn geliefde zeg dat zij een engel is, zal ik raar opkijken en ook ernstig verstoord zijn wanneer zij zich uit mijn armen losmaakt omdat zij vindt dat dat engel 'maar een beeld' is en dat ik dus niet bedoel dat zij werkelijk een engel is.

Wanneer de heer Andries Knevel mij tot verhaaltjesverteller reduceert, verbaast mij dat niet en het deert mij evenmin. Hij moet dat doen, hij zit daar om zijn behoudende achterban te bedienen. Hij is directeur van een vereniging van mensen die zenuwachtig worden als een andere gelovige beweert dat geloof per definitie niet verifieerbaar is en dat het allemaal niet op een briefje staat. Hij is ingehuurd om die andere gelovige buiten de deur te houden.

Maar wanneer de kardinaal zegt dat ik van de bijbel een sprookjesboek maak, kijk ik daar wél raar van op en ik word er ook ernstig door verstoord. En dat zeg ik waarachtig niet voor mijzelf, maar voor de jongen over wie ik de vorige keer vertelde en voor al zijn medejongeren die de geheimtaal van de Schriften niet meer verstaan. Onverdragelijk vind ik het dat wij hun volstrekt onnodig een Jezusgestalte voorschotelen waar ze niets meer mee kunnen. En dat wij daarmee doorgaan.

De kardinaal is geen directeur van een vereniging van behoudende eensgezinden. Hij is de herder van een kudde schapen die her en der op zoek zijn naar grazige weiden. Hij is er voor hen die zich, net als hijzelf, thuis voelen bij de oude woorden en beelden, en hij is er voor wie zich daar niet meer bij thuis voelen, voor wie op zoek zijn naar nieuwe woorden en beelden, omdat voor hen de waarheid, Gods waarheid, nu eenmaal nergens op een briefje staat, maar steeds weer waar moet worden. Hij is hun aller herder. Dat is een deksels ingewikkeld karwei, dat begrijp ik zeer wel, maar met empathie, denkkracht en moed kan zo'n karwei toch worden geklaard. En er zijn genoeg mannen en vrouwen, even toegewijd als deskundig, die hem daarbij terzijde willen staan.

Chaim Potok laat zijn verhaal over Davita eindigen als het meisje twaalf jaar is geworden. Is zij later met David getrouwd? Is ze orthodox-joods geworden? Is ze echt gaan geloven dat de Thora woord voor woord door God aan Mozes is gedicteerd, tot en met de passage waarin geschreven staat waar, wanneer en hoe hij is gestorven en begraven?

Ik denk het niet. Davita is veel te veel vrouw om niet op een goed moment in de synagoge van achter het gordijn te voorschijn te komen. Zij is daarbij veel te intelligent om niet te beseffen dat ook een door mensenhand geschreven Thora ons de Eeuwige kan openbaren. En ze heeft te veel verbeeldingskracht en literair gevoel om toe te staan dat de woorden, de verhalen en de beelden van haar traditie verstarren tot een leer waar zij en haar kinderen niets meer bij kunnen denken en voelen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden