Niet op een briefje (2)

“Ik heb nog niet zolang geleden mijn vrouw verloren”, zei de man. “Een groot verdriet, ook voor mijn zoon. Gelukkig vind ik veel steun in mijn geloof. Het is alleen zo verdrietig dat mijn zoon niet gelooft. Eigenlijk zou u eens met hem moeten praten.”

“Wat gelooft uw zoon niet?” vroeg ik.

“Nu ja, hij gelooft wel iets, maar hij mist de zekerheid van het geloof. Hij heeft er Jezus niet voor nodig, zegt hij. Dat Jezus uit de doden is opgestaan, daar kan hij niets mee, zegt hij. En dat snijdt mij door mijn ziel, want dan is je geloof zonder inhoud, zoals de apostel zegt. Ik zou die jongen zo graag wat meer zekerheid gunnen. Kunt u niet eens met hem praten?”

Op dat moment kwam de jongen binnen.

“Ik zeg net tegen de dominee, je zou eens met hem moeten praten.”

“En nu moet je nog beleefd blijven ook”, zei ik om de spanning wat te breken. “Maar ik wil liever met jullie allebei praten. En wel nu. Je vader zegt dat je wel iets gelooft. Kun je daar iets over zeggen?”

“Ik geloof dat moeder bij God is, in de hemel, hoe zeg je dat. Misschien denk ik dat omdat ik het hoop. Maar ergens geloof ik het ook. Waarom? Om te beginnen geloofde moeder daar zelf in. Dat vond ik mooi. En dat geloof van haar was niet uit bangigheid of zo, het kwam van binnen uit. Ze was trouwens ook erg kwaad op God, en dat vond ik ook mooi.

Toen ze dood was, en daar zo heel stil lag, uitgevochten, toen dacht ik: zou ze zich nu vergist hebben? Zegt God nu: sliep uit, of zo? Nu ja, dat zegt God dan natuurlijk niet, want dan is er niets meer, dan is het over en uit. En dat zou ook best kunnen, dat het dan over en uit is.

Maar ik bedacht me dat het ook zo zou kunnen zijn dat mijn moeder niet alleen van God hield maar dat God ook van haar houdt. Ik denk eigenlijk van wel. En ook dat God daar dan mee doorgaat, met van haar te houden. Dat doe ik ook.''

“Maar het is voor jou geen zekerheid”, zei de vader. “Je gelooft niet in Jezus. En in de opstanding van Jezus. En indien Christus niet is opgewekt, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen, zoals Paulus zegt.”

“En daar kan jij weer geen chocola van maken”, zei ik tegen de jongen.

Hij beaamde het.

Ik besloot mij met hem te solidariseren, maar ik moest natuurlijk wel zo dicht mogelijk bij zijn vader in de buurt blijven.

“Uw geloof in een eeuwig leven ontleent u aan de opstanding van Jezus, dat hoor ik toch goed?”

“Ja, dat hoort u goed.”

“Maar waaraan ontleende Jezus zelf zijn geloof dat God hem uit de doden zou opwekken? Hoe kwam hij aan dat geloof, denkt u, als hij het om zo te zeggen niet uit het Nieuwe Testament kon halen?”

De vader bleek veel plooibaarder dan ik had gedacht, en al pratend sprokkelden we aardig wat bij elkaar. We bedachten dat Jezus dat geloof in ieder geval van zijn moeder had en van het geloof van zijn volk en van wat hij daar zelf mee had gedaan. (Het leek, kortom, veel op het geloof dat die jongen ontvangen en ontwikkeld had, maar het was natuurlijk niet het moment om dat te zeggen). We waren het er ook over eens dat Jezus dat geloof nergens op een briefje had.

Het slot van dat eerste gesprek vergeet ik nooit. De jongen was zichtbaar opgelucht. De vader was armer geworden en rijker. Dapper denkend en doordenkend was hij begonnen het hem overgeleverde geloof bij te stellen. Dat deed hem zichtbaar pijn, maar het bracht hem in ieder geval dichter bij zijn zoon, en dat deed hem goed.

“Maar de zekerheid van het geloof, waar haal je die dan vandaan?” vroeg hij tobberig.

Het was lang stil. Toen zei hij zachtjes, met angst in zijn stem, maar ook hoop: “Is geloven dan alleen maar vertrouwen?”

Al maanden loop ik rond met het plan dit verhaal te vertellen aan twee collega's uit de rechterflank van de kerk, die moeite hebben met mijn boek Het verhaal gaat...

Zo is er ds P. J. van Kampen die in het Nederlands Gereformeerde blad Opbouw schrijft: “Er zit geen goddelijke openbaring bij. Beste ds. ter Linden, wie is God eigenlijk, naar uw opvatting, en wat belooft Hij ons wel of niet, en met welke garantie?” (Cursivering van mij).

En er is mijn eveneens Nederlands Gereformeerde collega J. Mudde die in een allerhartelijkst stuk in deze krant schreef: “Eigenlijk zou ik Ter Linden willen vragen open te staan voor de mogelijkheid dat God werkelijk en niet maar 'bij wijze van spreken' contact met ons heeft gelegd.” (Cursivering van hem)

De twee vragen mij naar de diepste grond van mijn geloof, en dat is een legitieme vraag. Maar met mijn antwoord kan ik niet anders dan hen teleurstellen, omdat ik het antwoord dat zij zo graag willen horen niet kan geven. Zij willen meer horen dan ik in geloof kan zeggen. Het weten van de gelovige is anders dan het weten van de wetenschapper, het is een geheel eigensoortige categorie. De twee proberen een zekerheid te verkrijgen waarvan Calvijn bij hoog en laag volhield dat die zekerheid is voorbehouden aan de heilige Geest, om het in theologenjargon te zeggen.

Ik geloof dat God werkelijk heeft gesproken. Maar wat is hier werkelijk? Wat werkelijk is, wordt als het om geloven gaat niet bepaald door de wetenschap, noch de geschiedwetenschap, noch de biologie, noch de geologie. De werkelijkheid van het geloof ontstaat, namelijk zodra er verhalen verteld worden en als er gebeden wordt en mensen zich door het Woord laten begeesteren.

Kortom: het gaat in de openbaring niet om het meedelen van verifieerbare, historische waarheden. Het gaat om geloofswaarheden. Dat God sprak of spreekt, is geen wetenschappelijke uitspraak, het is een geloofsuitspraak, een belijdenis. 'Doe het licht eens aan', zei mijn vrouw gisteravond, toen het te donker werd. Zij zei dat werkelijk. Op die wijze heeft de Eeuwige niet werkelijk 'Er zij licht' gezegd, de woorden zijn hem door Israël in de mond gelegd. Die woorden zijn een belijdenis, zij beelden een geloofswaarheid uit, zij verwijzen naar een werkelijkheid die de onze overstijgt en waar niets met zekerheid over te zeggen valt. De zekerheid van het geloof is slechts in zichzelf gefundeerd.

De twee collega's vragen mij om een zekerheid die ik niet kan geven en die geen sterveling kan geven. Geloof draagt weten in zich, maar het is een ander weten dan een wetenschappelijk weten. Het is een innerlijk weten.

'Heer God, waaraan zal ik het wéten?' vraagt Abraham zich vertwijfeld af. Hem is een land beloofd en een zoon, maar hij ziet er nog steeds niets van.

Om met P. J. van Kampen te spreken: 'Wat belooft God nu wel of niet, en met welke garantie?' Ook Abraham wil er zo graag een bonnetie van hebben. Krijgt hij dat? Nee, dat krijgt hij niet. Als hij zich te rusten legt, krijgt hij wel een visioen. God verschijnt hem in de nacht, in rook en vuur. Met stille vreugde in het hart wordt Abraham wakker. Hij weet het weer.

Zit in mijn boek geen spoortje openbaring? Er zit geen spoortje van zeker weten in, maar het zit tjokvol openbaring. Tenminste, ik geloof van wel. Maar ik kan het niet garanderen.

De vrouw van die man, de moeder van die jongen, is die bij God? Zeker weten? Werkelijk? Gegarandeerd? Of is geloven alleen maar vertrouwen?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden