Niet onnozel noch achterdochtig

'Wij waarderen de argeloosheid in anderen, vooral in kinderen en in verre volkeren, maar wij cultiveren haar gewoonlijk niet voor eigen gebruik en in eigen huis. Daarvoor is zij in onze ogen te onnozel en te wereldvreemd.'

`Argeloos' is een woord dat wij waarschijnlijk al heel lang niet meer argeloos kunnen gebruiken, en al helemaal niet wanneer het te maken heeft met iets wat voor ons alleen van binnenuit toegankelijk is, namelijk ons eigen gedrag en de motieven daarvoor. Het woord heeft betrekking op een eigenschap die zichzelf lijkt op te heffen zodra zij naar buiten wordt gestulpt en aan allerlei maatschappelijke regels onderworpen, of wanneer zij wordt benoemd vanuit degene die haar aan zichzelf toeschrijft, en die onherroepelijk in een dubbelzinnig licht komt wanneer we haar, altijd van buitenaf, aan anderen toeschrijven. Zo ongeveer kunnen we ook alleen maar op momenten waarop wij wakker zijn zeggen dat wij slapen.

Het is met 'argeloos' niet anders gesteld dan met 'eenvoudig'. Wanneer ik die kwalificatie gebruik ten opzichte van iemand anders, geef ik te kennen dat ik allerlei mogelijke vormen van gecompliceerdheid aardig overzie en ontken ik van mijzelf daarmee impliciet dat ik tot de eenvoudigen of de simpele zielen behoor; en wanneer iemand het wel van zichzelf zegt, wekt hij de indruk te koketteren en is hij ongeloofwaardig, misschien niet eens zozeer omdat hij zichzelf een bepaalde verdienste toeschrijft, iets wat maar moeilijk te verbinden is met een oprechte eenvoud des harten, maar alleen al omdat hij dan zichzelf beoordeelt, alsof hij een ander was en daarmee iets onmogelijks op zich neemt. Wie zich 'een simpele ziel' noemt, heeft niet de bedoeling de waarheid te spreken.

Hooguit kan hij hetzelfde zeggen over de persoon die hij niet meer is en van wie hij zich, na een ontwikkeling waarvan hij de verschillende fasen kan overzien, juist met deze kwalificatie dan ook wil distantiëren. Zo kan ik zeggen dat ik vroeger een argeloos kind was of dat ik mij later argeloos heb begeven in een situatie waarvan ik de verdere, eventueel betreurenswaardige ontwikkeling op dat ogenblik nog niet ko voorzien. Zo'n argeloosheid is dan eerder onderdeel van een ontwikkeling waarvan het een vroegere fase vertegenwoordigt, dan het eindpunt daarvan waarnaar we doelbewust zouden kunnen streven. En wanneer we het over een deugd hebben, moet ons toch zo'n eindpunt voor ogen staan, niet iets dat wordt achterhaald en weer uitgewist of dat wij, alsof het een interessante folklore was, elders lokaliseren.

Het woord 'argeloos' blijkt intussen, als we het serieus nemen en het niet buiten ons eigen centrum plaatsen, toch betrekking te hebben op een positieve kwaliteit, omdat het immers expliciet de ontkenning inhoudt van een negatieve kwaliteit. Het woord bevat nadrukkelijk het element 'arg' dat wij ook uit 'arglist' en 'argwaan' kennen. En 'arg' of 'erg' is een woord voor 'slecht', en nog wel in de specifiek morele betekenis van een echte ondeugd. Het heeft betrekking op wat 'doordacht verkeerd' is, niet op 'per ongeluk fout gegaan'. 'Arglist' en 'argwaan' zijn dus eerder woorden voor een vorm van bewust en reflexief denken dan van spontaan handelen. Maar van een handelen dat daaruit zou voortkomen, stellen wij ons zeker niet voor dat het aan strenge eisen van deugdzaamheid zou beantwoorden.

De arglist is een sluw denken dat op iets kwaads zint en de verwezenlijking daarvan doelbewust en zorgvuldig voorbereidt, dus vanuit een morele verantwoordelijkheid. De argwaan of achterdocht is een denken dat verdacht is op het kwaad waar anderen op zinnen, dus niet zomaar op mislukkingen en ellende in het algemeen, maar op boos opzet en gebrek aan integriteit. En 'argeloos', ook wel 'zonder erg', noemen wij iemand die daar geen erg in heeft en noch het een doet, noch het ander. Zo iemand is dus vrij van kwaad en dus onschuldig.

We zouden de argeloosheid als een vorm van onschuld en het tegendeel van arglist op het eerste oog dan ook voor een belangrijke deugd en zelfs voor het toppunt van positieve morele kwaliteit kunnen aanzien, als er niet ooit in onze traditie, en blijkbaar weloverwogen, besloten was dat bij deugd en ondeugd niet alleen aan opzet, rede en reflectie, maar ook aan wil, oefening en gewoonte gedacht moet worden. Deugd is in onze ethische traditie geen geschenk uit de hemel of een erfelijk trekje zoals een natuurlijke aanleg, maar iets dat wij ons moeizaam eigen maken en dat juist daarom een deugd en verdienstelijk lijkt te zijn. Een van de achtergronden daarvan moet wel zijn dat zij te maken heeft met plicht; en in tegenstelling tot begaafdheid en talent kunnen plicht en deugd aan iedereen worden voorgeschreven en is er op dat terrein een gelijkheid tussen mensen.

Wat wij ons niet eigen kunnen maken en niet als doel kunnen nastreven, maar wat ons bij wijze van uitzet of geschenk zomaar wordt gegeven, dat kunnen we, hoe mooi het ook is, niet als een deugd beschouwen en niet nastreven of imiteren, hooguit cultiveren als een kostbaar bezit of een talent. En talenten zijn geen deugden, omdat zij niet als een morele taak kunnen worden opgelegd of als ideaal tot doel gesteld. Wij kunnen onszelf en andere mensen verplichten om ons rechtvaardig te gedragen, maar niet om intelligent, muzikaal of gelukkig te zijn.

Onze positieve waardering van de argeloosheid moet bij nader toezien en voor de spiegel van de reflectie, verband houden met een onwillekeurig binnensluipende en hardnekkige, maar bij nader toezien moeilijk te verantwoorden asymmetrie in onze interpretatie van ons eigen bestaan en dat van anderen die wij principieel als onze gelijken beschouwen. Die komt voort uit het verschil tussen wat wij aan anderen van buitenaf toeschrijven of opleggen en wat wij van binnenuit van onszelf menen of verwachten. Wij waarderen de argeloosheid in anderen, vooral in kinderen en in verre volkeren, maar wij cultiveren haar gewoonlijk niet voor eigen gebruik en in eigen huis. Daarvoor is zij in onze ogen te onnozel en te wereldvreemd.

'Argeloos' klinkt wel minder negatief dan 'onnozel', dat van huis uit ook 'onschuldig' betekent, en onder de titel 'onnozele kinderen' nog op de heiligenkalender heeft geprijkt, op 28 december, maar dat het in de boze wereld evenmin heeft kunnen redden als de kwalificatie 'goedzak'. En het Griekse woord voor deze onnozelheid, euètheia is zelfs gemaakt om er 'een goed ethos' mee aan te duiden; maar het lijkt toch ook een kwetsbaarheid te impliceren die aan de arglist van anderen en daarmee dus aan het kwaad in de wereld iets te royale kansen biedt. En 'kwetsbaar' klinkt ons vooral positief in de oren in de geijkte combinatie met 'zich opstellen', dus met het actief bepalen van een strategie die ons helpt te overwinnen in een situatie die we moeilijk anders dan als een onderlinge strijd kunnen beschouwen.

We zouden volgens deze simpele gedachtegang eventueel wel argeloos en kwetsbaar willen zijn, als de anderen maar niet zo arglistig waren en zo kwetsend. Ook hier werkt de asymmetrie door in het toeschrijven aan anderen van eigenschappen of neigingen die wij bij onszelf menen niet te vinden. We mogen niet uitsluiten dat die toeschrijving een bron van fouten is en berust op een vergissing.

Mijn uiteenzetting lijkt tot nu toe een beetje op een middeleeuwse scholastieke quaestio. Dat is niet helemaal toevallig, want de opzet van zo'n quaestio, schools en wel, heeft iets van een aanstekelijke voorbeeldigheid en geeft een probleem alle kansen. Het is in die opzet de vraag of de argeloosheid een deugd is, en dat lijkt niet het geval te zijn. Het zwaarste argument voor dat voorlopig negatieve antwoord is dat een houding, hoe mooi of nobel zij ook is, pas echt een deugd of een positieve morele kwaliteit mag heten als wij die door eigen inspanning hebben verworven en haar vervolgens systematisch en plichtsgetrouw cultiveren. De argeloosheid lijkt dit uit te sluiten.

De gedachte dat wij asymmetrisch oordelen over menselijk gedrag en bijvoorbeeld de argeloosheid bij anderen hoger waarderen dan bij onszelf, mochten we haar daar aantreffen, geeft niet voldoende steun bij een poging haar als deugd te redden. Maar zij is ook niet voldoende om haar zonder meer af te schrijven.

Om tot een evenwichtig inzicht te komen, lijkt het nodig uit te leggen dat een cultuur van de argeloosheid die geen onnozelheid of kinderlijke onschuld is, tot de morele mogelijkheden hoort, dat zij onder die mogelijkheden een positieve betekenis heeft en dat zij ook voor onszelf de moeite van het cultiveren waard moet zijn. Want uiteraard is zo'n asymmetrie of scheefheid in het beoordelen van morele eigenschappen niet een situatie die het verdient als een onontkoombaar gegeven beschouwd te worden of, wat nog erger is, als een misplaatste norm te werken. Zij heeft integendeel en onontkoombaar wel iets hooghartigs en uit een moreel oogpunt kunnen we daar niet zomaar in berusten, alsof het om iets vanzelfsprekends ging. Een voorzichtige poging om de zaak enigszins recht te trekken is hier dus wel op haar plaats.

Ik citeer uit Mattheüs 10 vers 16 waar de apostelen worden aangespoord op hun hoede te zijn voor de gevaren en de arglist van de wereld: 'Ziet. Ik zend u als schapen in het midden der wolven; zijt dan voorzichtig gelijk de slangen en oprecht gelijk de duiven.'

Als er een parallel is aan te wijzen tussen de vergelijking van schapen en wolven van de ene kant en die tussen duiven en slangen van de andere kant, dus tussen jagers en slachtoffers, mogen we hier wolf en slang wel zien als monsters van arglist, terwijl schaap en duif als toonbeelden van het tegendeel figureren. En dan zien we niet alleen dat mensen worden aangespoord tot argeloosheid als een opdracht die te vervullen moet zijn, maar dat die belangrijke kwaliteit bovendien moet samengaan met de voorzichtigheid die hier aan de slangen, het verfoeide adderengebroed, wordt toegeschreven. De woorden lijken dus, als een opdracht, niet alleen te veronderstellen dat argeloosheid gecultiveerd kan worden, maar ook dat zij een verbintenis kan aangaan met de voorzichtigheid als een bepaalde vorm van argwaan.

Wanneer we nu terugkeren naar een wereldse context en de hier aangeprezen vorm van argeloosheid beschouwen als een morele kwaliteit die kan samengaan met enige omzichtigheid, is het de vraag: kunnen wij de argeloosheid verwerven, als een ethische opdracht vervullen, en kunnen we daar iets van redden in een volwaardig ethisch en door reflectie geleid bestaan? Hoeven wij niet te volstaan met het bewonderen of benijden ervan in het leven van anderen, duiven, schapen, kinderen of eenvoudige zielen, maar kunnen wij haar opnieuw veroveren op onze gecompliceerdheid, onze reflectie, onze argwaan en vooral ook op de boze wereld?

Er is lang geleden een boeiende, maar toch vooral onvruchtbare discussie gaande geweest over de mogelijkheid van een zogeheten 'tweede primitiviteit', een soort van terugkeer naar een kinderlijke en elders in de wereld of vroeger in de geschiedenis aangetroffen of gelokaliseerde eenvoud op basis van inzicht, vrije keuze, enige nostalgie.

Het zou mooi zijn als dat kon en als we door anders te kijken onze morele scheelheid konden verhelpen. Maar zulke pogingen lijken alleen maar te leiden tot pose, theater, een bepaald soort van make-up en geraffineerde brilmonturen die vooral oprechte verwondering moeten uitstralen. Allemaal onbegonnen werk dus en hocus-pocus van het meest verdachte soort. Als het ook maar in de verte over innerlijke morele kwaliteiten en deugden gaat, is dat het eerste wat moet afvallen. Want het is wel met rede en wil gekozen en het wordt stevig ingestudeerd, maar het heeft alleen te maken met schijn, 'overkomen', toeschrijven, imago en imitatie, en niets met enige realiteit. Daardoor alleen al is het definitief uitgesloten dat het ooit kan deugen. Want, terloops gezegd en waarschijnlijk veel te kordaat: een deugd die niet betrokken is op de realiteit, is alleen maar show en schijn.

De trieste conclusie moet dan haast wel zijn dat wij ook voorgoed afscheid moeten nemen van de argeloosheid als een bereikbaar moreel ideaal. Haar lijkt hetzelfde lot beschoren als de primitiviteit die onherroepelijk bij de kinderschoenen hoort, en de onnozelheid, die ook onschuld is, maar die te midden van de wolven even onbarmhartig een voorwerp van spot wordt als de pose dat is te midden van de strenge moralisten. De deugd moet er niet alleen zijn, maar ze moet ook nog echt zijn. We moeten haar willen en erin oefenen, maar tegelijk mag zij niet gewild en ingestudeerd zijn. Het is bijna een wonder dat zij nog voorkomt. Zij kost niet alleen volop de moeite die zij waard is, maar als zij er eenmaal is, lijkt zij wel moeiteloos uit het niets tevoorschijn gekomen te zijn.

Dan komt opnieuw de dringende vraag naar voren: moet de arglist van wolven en slangen nu werkelijk en definitief het laatste woord hebben en moet onze ethische instelling zonder enig protest van buitenaf worden gedicteerd? Ik ben er als tijdelijke moralist van overtuigd dat het antwoord resoluut 'nee' moet luiden. Die overtuiging gaat wel tegen sommige feiten en tegen de wereld in, maar dat kan geen probleem zijn, althans geen moreel probleem; want bij het verwerven van een deugd gaat het ook eerder om normen dan om feiten. Wie zich principieel neerlegt bij de feiten, maakt zich ontoegankelijk voor elke morele impuls en komt niet toe aan enige verworvenheid die morele kwaliteit of deugd genoemd kan worden. Want die begint altijd met een verzet tegen het botte 'nu eenmaal' van feiten en platte vanzelfsprekendheden.

Is de argeloze eenvoud dus een norm of een te bereiken ideaal; kan zij worden voorgeschreven, nagestreefd, bereikt of teruggewonnen en is zij pas dan een morele kwaliteit? En heeft deze vraag iets te maken met de sympathieke evangelische opdracht oprecht te zijn als de duiven en te worden als kinderen? Om te beginnen kunnen we in deze opdracht het woord 'worden' even onderstrepen. Dat staat scherp tegenover 'zijn' en 'blijven' en veronderstelt daardoor alleen al een verandering ten opzichte van de gegeven situatie. Niemand kan ons opdragen te blijven als onnozele kinderen, evenmin als wij onszelf zonder in schijn en pose te vervallen tot taak kunnen stellen iets anders te zijn dan we zijn. Het 'worden' als ontwikkeling en verandering laat een omweg toe en lijkt die zelfs te wijzen.

Het is dus mogelijk dat het hier gaat om de voorspelling van een positieve ontwikkeling of om een levensweg die via een omweg terugbuigt naar elementaire gegevens die als uitgangspunt hebben gediend en nooit definitief zijn afgezworen, een thuiskomst na een lange zwerftocht als die waarop de listige en allesbehalve argeloze Odysseus veel heeft geleerd. Het leven als een Odyssee is wat wij ervan maken en wat we ervan overhouden, een selectie uit wat wij onderweg verwerven of wat ons komt aanwaaien. En bij die selectie of bewuste keus kan zeker ook een positieve waardering horen van wat ons in de vorm van argeloosheid is meegegeven en waarvan wij uiteindelijk een deel willen redden uit de wolvenmuil van het cynisme.

Misschien is het cynisme als levenswijsheid of als het aanvaarden van de arglist een moeilijk vol te houden pose of een te zware bewapening tegen wolven en slangen, een bewapening namelijk die ons ook immuun dreigt te maken voor elementaire zaken die ons alleen maar kunnen raken wanneer wij een kwetsbare plek in ons pantser cultiveren. Er is waarschijnlijk een bewust en methodisch gecultiveerde argeloosheid nodig om ons te behoeden voor het toegeven aan vooroordelen die ons tegen teleurstellingen moeten beschermen, maar die ons ook blind dreigen te maken voor meevallers. Die kwaliteit is niet een kinderlijke eigenschap, maar de verworvenheid van een volwassene die niet alleen weigert om het schaap of duifachtige slachtoffer te worden van wolven of adders, maar ook om te aanvaarden dat hij door de wolven voor een akelig dilemma tussen achterdocht of onnozelheid wordt geplaatst. Want zo'n dilemma is tiranniek en tirannie in al haar vormen en vermommingen is een van de eerste dingen waar we ons tegen moeten verzetten.

Bovendien: voordat wij het voorzichtig hebben geprobeerd, kunnen wij niet weten hoeveel onmacht, pose en onnozele bluf er in deze tirannie verborgen gaat. We kunnen zeggen: zolang de wolven heersen, kan de argeloosheid niet gedijen en heeft zij ook geen enkele reden om langs een omweg terug te keren. Maar wie weet hoe diep de wolven verlangen naar een leven dat meer argeloosheid en symmetrie mogelijk maakt. In dat opzicht moet de verworven argeloosheid hetzelfde effect hebben dat aan de kinderlijke argeloosheid wordt toegeschreven: dat zij 'ontwapenend' is, de arglist de wapens uit handen neemt en haar bekeert.

De opgave voor iemand die de onmogelijke deugd van argeloosheid in een boze wereld zou willen cultiveren en daarmee het klimaat wil zuiveren, bevat dus op zijn minst twee elementen. Het eerste komt erop neer de asymmetrie die er bestaat tussen de beoordeling van het eigen gedrag of de eigen ethische instelling en die van alle anderen minder vanzelfsprekend te maken. Het aantrekkelijke van de argeloosheid is namelijk dat zij niet alleen zelf geen kwaad in de zin heeft, maar dat ook bij anderen niet veronderstelt. Zij leeft in een mooie, symmetrische wereld die niet wordt scheefgetrokken door de uitzonderingspositie van een 'ik'. De deugdelijkheid hiervan is dat wij anderen waarderen gelijk aan onszelf en hun niet iets toeschrijven dat we aan onszelf niet toegeschreven zouden willen zien, dus een vorm van naastenliefde. Het zou wel heel vreemd en grondig verkeerd gesteld zijn met de wereld, als deze positieve kwaliteit niet tot een deugd verheven zou kunnen worden.

Ik wil met nog een ander voorbeeld proberen toe te lichten wat ik met 'asymmetrie' bedoel. Het gaat niet om iets toevalligs of een kleinigheid, maar om een manier van kijken die niet alleen ons moreel oordeel scheeftrekt, maar ook ons vocabulaire beïnvloedt. Wij schrijven namelijk met enig hooghartig gemak aan anderen een vorm van onnozelheid toe die wij onszelf niet zouden toewensen. Of wij gebruiken voor de kritiek die anderen uitspreken een kwalificatie als 'vitten' of 'bedillen', woorden die speciaal lijken uitgevonden te zijn om betrekking te hebben op een aan anderen toegeschreven gedrag, en die wij nooit zullen gebruiken voor wat wij zelf aan kritiek te berde brengen.

In de keuze van zulke woorden komt de asymmetrie duidelijk aan het licht en zien we ook dat die aan geen enkel moreel ideaal kan beantwoorden. Uit een oogpunt van rechtvaardigheid komt zij neer op discriminatie, de neiging anderen te beoordelen en te behandelen op een manier die wij van onze kant niet zouden accepteren. De rechtvaardigheid, die in dit licht bezien omschreven zou kunnen worden als de bereidheid om recht te trekken, is juist een hoofddeugd om dat zij deze asymmetrie aan het licht brengt en bestrijdt.

Het tweede element in deze opgave is allicht te voorkomen dat de argeloze de dupe zou worden van zijn eigen goedheid. De deugd is er namelijk niet voor gemaakt om er slechter op te worden of om er, heroïsch en onnozel, aan te gronde te gaan. Als positieve maatschappelijke verworvenheid verdraagt zij het zelfs niet in een hooghartig isolement tegen de wereld in en als een soort van stiekeme heiligheid te worden beoefend.

Deze opgave kan dan ook niet worden uitgevoerd zonder een realistische confrontatie of zelfs een vorm van onderling overleg met de cynische machten die de argeloosheid als een voorzichtige hypothese van morele gelijkheid en symmetrie dreigen te duperen. Als zij elkaar niet halverwege ontmoeten, blijven de vooroordelen en toeschrijvingen hun giftig werk voortzetten. De tiran die hardnekkig het dilemma blijft stellen en mensen daaraan wil onderwerpen, moet hoe dan ook worden ontwapend. En tegelijk moet de naïeveling die geen oog heeft voor enige arglist, uit de droom worden geholpen.

We zouden hierbij tenslotte kunnen denken aan de bekende methode die Aristoteles toepast in zijn ethische beschouwingen en die in elk geval het voordeel heeft dat zij weinig spectaculair is. Hij beschrijft daarin de deugd consequent en zonder dilemma's te stellen, dus zonder de willekeur van een tirannieke macht te aanvaarden, als een midden, een evenwicht, een symmetrie of een voortdurende dialectiek tussen twee voor de hand liggende ondeugden.

Over de argeloosheid spreekt hij niet, maar de hoog aangeslagen deugd van dapperheid wordt door hem gesitueerd tussen roekeloosheid en lafheid, in de gelijktijdigheid, de volgehouden spanning of het dynamische midden van die twee. Zij komt voort uit het besef dat het gevaar niet minder reëel is dan de mogelijkheid het te overleven: aan dat besef en aan het feit dat zij zowel aan het een als aan het ander recht doet, dankt zij het dat zij een positieve morele kwaliteit of een deugd is.

Mogelijk is er op die manier en als vrucht van een morele ontwikkeling ook een evenwicht en zelfs een communicatie te cultiveren tussen de twee onmisbare en gelijktijdig aanwezige ondeugden onnozelheid en achterdocht. We zouden daarmee overigens de wijze raad volgen die al vanaf de eerste eeuwen van de westerse wijsbegeerte aan Bias uit Priëne, een van de legendarische zeven wijzen, werd toegeschreven, en die nog wel een paar eeuwen mee kan: 'Wees niet argeloos en evenmin arglistig.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden