Niet om als vee te leven schiep men u, maar om te reiken naar het hoogste en het bestedoor Léon HanssenTe strijden, te zoeken, te vinden en niet te zwichten

'De crux van het betoog van Ian Buruma over de vrijblijvendheid van westerse auteurs die met het thema van de ballingschap werken, ligt in zijn interpretatie van een beroemde passage uit de Divina Commedia van Dante Ali-ghieri: het zesentwintigste canto uit het Inferno, waarin Dante en zijn leidsman Vergilius de mythologische held Odysseus aantreffen. De cultuurhistoricus Léon Hanssen kritiseert Buruma aan de hand van dichters en denkers als Johan Huizinga, Alfred Tennyson, Nietzsche, Wallace Stevens, Benjamin Fondane en Primo Levi.Divina Commedia van Dante Ali-ghieri: het zesentwintigste canto uit het Inferno, waarin Dante en zijn leidsman Vergilius de mythologische held Odysseus aantreffen. De cultuurhistoricus Léon Hanssen kritiseert Buruma aan de hand van dichters en denkers als Johan Huizinga, Alfred Tennyson, Nietzsche, Wallace Stevens, Benjamin Fondane en Primo Levi.

door Léon Hanssen

'Vals' noemt Ian Buruma in zijn Huizingalezing van 2000 de 'romantisering' van de ballingschap door kunstenaars en intellectuelen van het Westen. Vanuit hun comfortabele posities aan culturele instellingen, kranten en universiteiten promoten de hedendaagse intellectuelen het exil als het wezenskenmerk van de multiculturele wereldburger van de eenentwintigste eeuw. Buruma hekelt in zijn lezing, met de titel De neoromantiek van schrijvers in exil, deze 'mode van het exil'. Door zichzelf met de verdoemden van de aarde te vereenzelvigen, zouden de westerse intellectuelen het lijden van de werkelijke asielzoekers op barre wijze trivialiseren. Met de verheerlijking van het bannelingschap zouden zij zich bovendien een vrijbrief voor geestelijke 'vrijblijvendheid' geven. Alles wat zij beweren is immers gebonden aan een specifieke plaats en tijd en is daarmee zowel waar als onwaar, met andere woorden: relatief. Niet dat de intellectuelen hieronder lijden. Integendeel, volgens Buruma koesteren zij zich juist in de 'vrijblijvendheid' die het zwenken tussen twee of meerdere posities (geografisch, sociaal, cultureel) oplevert.

Vrijblijvendheid is een sleutelwoord in de uiteenzetting van Buruma, die trouwens zelf een kind is van ouders van verschillende nationaliteiten (zijn moeder is Engelse, zijn vader is een Fries) en die zelf zijn thuishaven op diverse plaatsen op de wereld heeft gehad, zodat hij de bekritiseerde geesteshouding van de kosmopolitische intellectueel aan zichzelf heeft kunnen ontleden.

Vrijblijvendheid! Van Adam en Eva tot de Romeinse verschoppeling Ovidius, van Baudelaire tot Edward Said, allen krijgen zij een plaats in Buruma's pantheon van bannelingen die met zichzelf te koop lopen. Zijn kritiek op contemporaine, vooraanstaande academici, veelal cultuurwetenschappers, die zich in het gewaad van de migrant hullen en zich daarmee een geloofwaardig excuus voor het ontbreken van een vaste waarheid in hun betoog verschaffen, liegt er niet om. Over de universitaire apologeten van de migratie zegt hij: 'Zij leven in een haast hermetisch gesloten wereld van theorie, in een metaforisch exil, geïsoleerd van de problemen van werkelijke slachtoffers, of mensen die echt in ballingschap leven.' Erger nog dan dat vindt hij dat de 'multi-cultitheorie' heeft geleid tot een 'nieuwe vorm van discriminatie' in de wetenschap. Wie zichzelf niet als balling of onderdrukte weet te legitimeren, als vrouw - als homo, als zwarte, als gele, als bruine, men kan het zo gek niet bedenken - wordt in de academie niet voor volwaardig aangezien en heeft nauwelijks recht van spreken.

De hardste noot heeft Buruma daarmee nog niet gekraakt. Zo vrijblijvend als de met migratie dwepende intellectuelen volgens hem in ideologisch opzicht zijn, zo gemakkelijk laten zij zich meeslepen in politiek onverantwoorde keuzes. Vanuit hun intellectuele vacuüm zijn ze voortdurend op zoek naar 'vormen van collectief slachtofferschap', waarmee zij zich kunnen identificeren en die zij kunnen promoten, niet het minst om de glans van deze gemeenschappelijke zaak op zichzelf te laten afstralen.

Als voorbeeld hiervan noemt Buruma een foto in The New York Times 'van professor Said die met zijn honkbalpet en modieuze zonnebril een steen wierp naar Israëlische soldaten aan de grens van Libanon' en die dit later als een 'symbolische geste' opvoerde.

Het valt op dat er noch van de kant van (exil-)auteurs, noch van academische zijde enige respons op Buruma's rede is gevolgd. Dit kan allerminst de bedoeling zijn geweest van zijn provocerende these. Nu kan men hem bezwaarlijk ongelijk geven waar het talloze postmoderne denkers betreft, die hun vitriool over het kapitalistische Westen hebben gestort op basis van de pretentie dat zij multiculturele wereldburgers zijn en die, als zij ter verantwoording worden geroepen, hun schouders ophalen met het argument dat 'de waarheid' een imperialistische leugen is. Maar om van deze intellectuele modefiguur een soort eeuwige banneling te maken, die rechtstreeks tot Adam en Eva te herleiden is, dat klopt niet en moet worden weerlegd.

De crux van Buruma's betoog over de 'vrijblijvendheid' van westerse auteurs die met het thema van de ballingschap werken, ligt in zijn interpretatie van een beroemde passage uit de Divina Commedia van Dante Alighieri (1265-1321). Het betreft het zesentwintigste canto uit het Inferno, waarin Dante en zijn leidsman door de hel, Vergilius, niemand minder dan de mythologische held Odysseus aantreffen.

Dante's hel heeft, zoals wellicht bekend, de vorm van een trechter die met zijn punt tot het centrum van de aarde reikt. Langs de wanden van deze trechter bevinden zich kringen of galerijen, waarin de verdoemden zijn ondergebracht, hoe dieper, hoe ernstiger hun zonde en hoe verschrikkelijker hun straf. Niet ver van het diepste punt van het inferno bevindt Odysseus zich in de kring van de bedriegers, om precies te zijn in de kringgracht van de 'valse raadgevers'.

De strenge logica van Dantes Inferno brengt met zich mee dat iemands straf op analoge wijze correspondeert met de zonde die hij of zij heeft begaan. Odysseus' ziel gaat verborgen in vlammen omdat hij bij leven heeft gehandeld in het verborgene. In de meest directe zin slaat dit op zijn uitvinding van het houten paard waarmee de ondergang van de illustere stad Troje een voldongen feit werd. Toch is de list met het paard slechts een voorwendsel voor de straf die Odysseus in Dante's hel moet ondergaan. Zijn werkelijke zonde wordt geopenbaard in een monoloog die de held in het canto XXVI ten overstaan van Vergilius en Dante afsteekt.

Deze monoloog behoort tot de meest becommentarieerde passages uit de westerse literatuur. Hij leent zich dan ook niet voor een eenduidige interpretatie, en - voegen we eraan toe - evenmin voor het oordeel van vrijblijvendheid van Buruma. Dante laat de banneling Odysseus in zijn fameuze alleenspraak een geheel andere versie van zijn vertrek bij de tovenares Circe en zijn laatste reis vertellen dan in de oorspronkelijke versie van Homerus. In het klassieke Griekse epos weet de sluwe Odysseus veilig terug te keren naar zijn oorspronkelijke thuis Ithaka en zijn gemalin Penelope, waar hij tijdens zijn avonturen altijd zo smartelijk naar heeft terugverlangd. Eind goed, al goed. Niets van dat alles in Dante's weergave van Odysseus' avonturen.

Voor beter begrip van het verschil in deze versies is het noodzakelijk te weten dat Dante niet bekend was met de oorspronkelijke Griekse versie van de Odyssee en dat zijn kennis omtrent Odysseus uitsluitend berustte op Latijnse bronnen en op middeleeuwse legenden. Het beeld van Odysseus als een gewetenloos bedrieger gaat terug op Vergilius en staat in contrast met de wijze, moedige held van de Homerische epen. Bij Dante, die de Commedia in het Italiaans schreef, wordt Odysseus dan ook aangekondigd onder zijn Latijnse naam 'Ulisse' (Ulysses). Kennis van het oude Grieks verspreidde zich pas twee eeuwen later, tijdens de Renaissance, in de West-Europese cultuur. Aan de grote tijdskloof met de klassieke held geeft Dante op subtiele wijze uitdrukking. Hij treedt namelijk niet zelf met de ziel van Odysseus in gesprek, maar laat zijn Romeinse leermeester als woordvoerder met de Griek optreden. Het is dus op Vergilius' verzoek dat Odysseus zijn monoloog afsteekt.

Hij, Odysseus, vertelt dan hoe geen heimwee, noch de liefde voor de zijnen hem na zijn vertrek bij Circe ervan had kunnen weerhouden 'om de wereld en alle deugden en ondeugden van de mensen te leren kennen'. In een klein schip was hij met enkele gezellen de open zee in westelijke richting opgevaren, totdat hij de zuilen van Hercules bereikte - de Straat van Gibraltar -, die het einde van de beschaafde wereld markeerden. Hier had hij zijn mannen moed ingesproken. Wilden zij niet ook het liefst de onbewoonde wereld leren kennen? 'Kijk naar uw oorsprong: gij zijt niet geschapen om als redeloze wezens te leven, maar om deugd en kennis na te streven!' Na deze aansporing was de bemanning niet meer in toom te houden en zij maakten hun riemen tot de vleugels voor hun 'roekeloze vlucht' (in de vertaling van Frans van Dooren). In het Italiaans staat er: folle volo.

Na vijf maanden te hebben gevaren, zagen de mannen in de verte een onmetelijk hoge berg uit de zee verrijzen. Odysseus juichte, maar te vroeg. Die berg is in Dante's kosmologie de Louteringsberg, van waaruit zich het oordeel van de Voorzienigheid over Odysseus en zijn mannen voltrekt. Vanaf het nieuwe land stak er een storm op, die het schip met man en muis de golven in joeg.

Terug naar de Huizingalezing van Ian Buruma. Hij interpreteert de monoloog van Dante's Odysseus op een wel heel moderne, om niet te zeggen vrijblijvende manier. 'Hij leefde', zegt Buruma over de held, 'in een soort verlengde studententijd'. De verantwoordelijkheid van huis, gezin en baan woog hem nog te zwaar. In plaats daarvan wilde hij 'de wereld ontdekken, naar India liften, vrouwen versieren, en vooral kennis vergaren'. Dat is beslist een Odysseus gezien vanuit het perspectief van een man, maar vooral ook een moderne Odysseus, wat ook blijkt uit verschillende regieaanwijzingen die Buruma omtrent Dante geeft. 'Dante leefde nog in de Middeleeuwen', heet het, 'maar had de geest van de Renaissance al voorzien.' Hij was 'een voorbode van onze eigen tijd.'

Buruma's uitleg van de Odysseus-figuur in de Commedia moet als een onvervalst anachronisme worden weerlegd. Dante's opvattingen over de betekenis van een verhaal waren immers nog door en door middeleeuws van karakter. De kernuitspraak hieromtrent is terug te vinden in Dante's bekende brief aan Cangrande della Scala, waarin hijzelf al een commentaar op zijn meesterwerk geeft. Zoals in zijn tijd gebruikelijk kende hij aan het poëtische discours van een tekst twee basisbetekenissen toe, de letterlijke en de zinnebeeldige, waarvan hij de laatste in twee subcategorieën verdeelde, de morele of ethische en de geestelijke (anagogische) betekenis. De tekst moet dus niet eenduidig, maar altijd 'polysemisch' - met meervoudige betekenissen - worden gelezen.

Dante's oogmerk was poëzie te produceren met filosofische merites, waarvan de allegorische waarheid 'een goed en waardig vervolg' zou zijn op de goddelijke schrift. Voor het moderne flierefluiten dat Buruma eruit haalt is in deze betekenisproductie nog geen ruimte. Het is een romantisch misverstand te denken dat Dante met Odysseus een literair spelletje speelde, waarin hij hem als een eeuwige student laat opdraven om hem aan het eind stevig kopje onder te laten gaan. Buruma's Odysseus is een schepsel van moderne dichterlijke fantasie, niet het resultaat van zorgvuldige historische analyse van wat Dante aan de orde wilde stellen.

Dante heeft zijn Ulisse/Odysseus bewust in een geheel christelijke setting geplaatst. Odysseus tart de wil van God als hij de zuilen van Hercules passeert. Die grensstenen zijn daar niet zomaar aangebracht en Odysseus weet waarom: acciò che l'uom più oltre non si metta-- ten teken dat de mens zich hier niet verder begeve. Door deze waarschuwing te negeren, bezegelt hij zijn eigen lot. Hij heeft de wetten van de natuur en de maatschappij overschreden toen hij zich van huis en haard keerde en hij zijn hang naar kennis tot het uiterste dreef. Dante wist waarover hij sprak; hij had zelf de vloek van de ballingschap aan den lijve ervaren en hij zal ongetwijfeld het nodige van zichzelf op Odysseus hebben geprojecteerd.

Voor verscheidene geleerden uit de tijd van de twee wereldoorlogen, was Dante's waarschuwing voor de mens die zijn doel uitsluitend in zichzelf zoekt en die in zijn hang naar macht, kennis en autonomie elke referentie aan God verliest, weer actueel geworden. Bijvoorbeeld voor Johan Huizinga, de naamgever van de lezing waarin Buruma zijn kritiek uitspreekt over de auteurs in exil. Huizinga las de Commedia in zijn studententijd in het Italiaans. Aan het eind van zijn leven, toen hij als banneling van de Duitse bezetter in De Steeg bij Arnhem verbleef, hernam hij de lectuur. Elke avond placht hij met zijn echtgenote een canto te lezen. De 'eeuwige belangrijkheid' van Dante was voor hem diens hoge beschavingsideaal, dat uitdrukking kreeg in de term la umana civiltà. 'Ziedaar in één woord', roept Huizinga in zijn boek Geschonden wereld, 'de taal begiftigd met een term voor beschaving en tegelijk de geest verrijkt met de stoute stelling, dat deze beschaving een noodzakelijkheid is, dat zij algemeen menschelijk moet zijn en dat zij dient tot geluk.' Dit ideaal is echter alleen te bereiken wanneer de mens, als staatsburger en als geestelijk strevend wezen, handelt 'overeenkomstig de theologale deugden geloof, hoop en liefde'.

De levensleer die Huizinga aan Dante ontleende was dat de mens de cultuur niet dient door haar te verzaken, dus door vrijwillig en vrijblijvend de ballingschap aan te gaan, maar door zijn eigen ik te verzaken en de samenleving te dienen. Voor geleerden van het kaliber van Huizinga werd Dante in het interbellum 'de toetssteen van wat de twintigste eeuw heeft verzaakt'. Het is jammer dat Buruma in zijn Huizingalezing deze idealistische visie op de Italiaanse schrijver onbesproken laat en hij Dante ten tonele voert als de heraut van de moderne intellectueel die zijn centrale taak ontvlucht en zich als zelfverklaard verschoppeling in een sfeer van vrijblijvendheid opsluit om vanuit die positie het orakel uit te hangen.

De Odysseus-figuur, zoals hij in het kielzog van Dante zijn sporen in de westerse kunst en literatuur heeft getrokken, blijkt meerduidig en krachtig genoeg om weerstand te bieden aan het odium van vrijblijvendheid van Buruma. Een model van deze sporen kan in drieën worden gemaakt: allereerst de heroïsche Odysseus als de homo futurus, de mens van de maakbare toekomst; vervolgens de kosmische Odysseus als de mens van de hoge vlucht van de kennis; ten slotte Odysseus als de verzoener, die de door ballingschap en tortuur getroffen mens verlossing of verlichting brengt in zijn gruwelijke lot op aarde.

In 1833 schreef Alfred Tennyson, de dichterfiguur bij uitstek van het Victoriaanse tijdperk, zijn lange epische gedicht Ulysses, dat negen jaar later in gedrukte vorm verscheen. Net als in Dante's Commedia steekt Odysseus hierin een dramatische monoloog af. Het verschil is echter dat de held van Tennyson een man op leeftijd is, die wenst af te rekenen met zijn verleden en zijn milieu - een uitgeblust huwelijk, een achtergebleven volk - en die zich met het nodige romantische pathos voorneemt ver voorbij de zonsondergang te varen tot zijn einde gekomen is. Want de ware roeping van de mens is, zoals de slotregel van het gedicht luidt: To strive, to seek, to find, and not to yield - te strijden, te zoeken, te vinden, en niet te zwichten. De grondtendens van het gedicht is dus hoogst optimistisch. Het kwam dan ook tot stand in wat genoemd kan worden de heroïsche fase van de geschiedenis van de westerse burgerij.

De negentiende eeuw is het tijdperk van het geloof in vooruitgang in alle takken van het maatschappelijke, wetenschappelijke en culturele leven, geloof in de triomf van technologie en industrie, expansie en kapitalisme. In deze context kon Odysseus in de literaire verbeelding tot een ongeëvenaarde voorbeeldfiguur worden, tot de wegbereider van Columbus en van de nietzscheaanse Ãœbermensch. Dante's Odysseus was vanwege zijn grensoverschrijding nog gedoemd eeuwig te branden in het diepst van de hel. Bij Nietzsche daarentegen is Odysseus het prototype van de 'vrije geesten', die hun hartzeer en teergevoeligheid hebben overwonnen en de volle zaligheid van het avontuur beleven.

Verwant aan deze heroïsche figuur is de tweede variant van de moderne Odysseus, die van de metafysicus, de kennisveroveraar. Het meest tot de verbeelding spreekt deze gestalte in een van de machtigste Amerikaanse gedichten van de twintigste eeuw, The Sail of Ulysses van Wallace Stevens, nu eens geen banneling, maar een verzekeringsman, uit 1954. Ulysses/Odysseus figureert in dit vers, waarvan een Nederlandse vertaling nog op zich laat wachten, als een danteske 'symbool van de zoeker', die zijn eigen gedachten 'leest' en deze in een monoloog van zeven genummerde delen ten beste geeft. Kennelijk helemaal in zijn eentje leidt Odysseus zijn boot in de sterrennacht over de reusachtige zee. In dit decor formuleert hij de volgende gedachten. Kennis en wilskracht zijn de enige weg voor de mensheid naar vrijheid. Het recht van bestaan is onlosmakelijk verbonden met het recht van kennis. Niet alleen biedt kennis troost, zij zal de mens onafhankelijk maken van bijgeloof. In die eenmaal verworven staat van vrijheid zal de mens tot de duizelingwekkende ontdekking komen van een ander, een tweede leven, waarin de wetmatigheden van de traditionele vorm van perceptie niet meer geldig zijn: een inzicht (divination) voorbij alle oude symboliek en alle rede.

Dit opgaan in transcendentie wordt door Stevens met uiteenlopende dichterlijke middelen kracht bijgezet, onder andere in het beeld van het 'scherpe' zeil (the sharp sail) van de boot dat zelfstandige kracht krijgt en als een vleugel de schipper in de nachtelijke hemel tussen de sterrenklonters voortstuwt (Through clumped stars dangling all the way). Wat Stevens met deze monoloog van de banneling Ulysses ook bedoeld moge hebben, bijvoorbeeld een dichterlijke bespiegeling over de 'Laatste Dingen', voor Buruma's optie dat de held op pad gaat voor een studentikoze vakantie ('de wereld ontdekken, naar India liften, vrouwen versieren, en vooral kennis vergaren') lijkt hier toch allerminst plaats. Integendeel, er is weinig moderne poëzie waarin het met zo'n schitterende poëtische verbeelding in de inhoud zo hard om hard gaat.

De derde variatie op het danteske Odysseus-thema in de moderne literatuur is die van de balling in zijn functie van de verzoener met het helse levenslot in het hier en nu. Bij literaire auteurs in de periode van het interbellum valt het op hoe vaak en hoe intensief zij het Odysseus-motief bij Dante hebben (her)gebruikt om de problematiek van hun eigen ballingschap en hun gedachten over de toekomst van de westerse beschaving tot uiting te brengen. Dantes Odysseus fungeert daarbij als een ideale figuur, die de gestrande boot van de vooruitgang vlot moet trekken, of wiens herinnering wordt opgeroepen om in het bitterste uur van beproeving en vertwijfeling te kunnen overleven.

De in 1898 in het Moldavische Jassy geboren Benjamin Wechsler koos als jood de naam van Barbu Fundoianu om zijn entree in de Roemeense letteren te maken. Net als diverse, later bekend geworden, landgenoten, onder wie Eugène Ionesco, Mircea Eliade en E.M. Cioran, besloot hij zijn heil te zoeken in Parijs, waar hij in 1923 arriveerde, nu onder de denkersnaam Benjamin Fondane. Met Wallace Stevens had hij gemeen dat hij, een tijdlang, in zijn levensonderhoud voorzag als verzekeringsman en, belangrijker, dat hij geobsedeerd was door de figuur van Ulysses/Odysseus. De eerste versie van zijn lange gedicht Ulysse verscheen in het noodlotsjaar 1933. Zijn identificatie met de klassieke held wist hij als jood op dat moment alleen te maken door zichzelf als een gespleten wezen te begrijpen: 'Jood, vanzelfsprekend, en tóch Ulysses'. Deze splitsing is echter opgeheven in de laatste, postuum verschenen versie van het gedicht, die hij in de jaren 1942-1943 tot stand bracht: 'Jood, vanzelfsprekend was jij een Jood, Ulysses'.

Mede onder invloed van de Russisch-Franse filosoof Leo Sjestov, ontwikkelde hij een denken waarin de uiterste wanhoop en het 'grote niets' als springplank moeten dienen voor een zover mogelijk reikende vlucht van de geest. In Nederland wees Menno ter Braak als een van de eersten op het belang van de essayistiek van Fondane, zonder dat hij van diens dichterlijke kunnen op de hoogte was. De figuur van de reiziger als een verschoppeling staat in die poëzie centraal. Terwijl Fondane zich zijn vereenzelviging met Odysseus op Homerus, Vergilius en Dante baseert, geeft hij tegelijk een cruciale wending aan het betekenisproces. Er is in deze poëzie namelijk geen Penelope meer die op de thuiskomst van Odysseus wacht, geen Ithaka meer waar de held vol heimwee naar kan terugverlangen en terugkeren, er zijn geen zuilen van Hercules meer die zijn ontdekkingslust prikkelen. Odysseus is bij Fondane het zinnebeeld geworden van de moderne tijd, een dolende Jood die moed schept uit het besef dat hij ook het allerlaatste wat hem dierbaar was heeft verloren.

De ballingschap is zodoende uitgegroeid tot de essentie van het bestaan. Hij verleent aan de door het noodlot getroffene een graad van uitverkorenheid en schoonheid, waardoor hij tot het zout van de aarde behoort. Het doodsmotief bij Dante, volgens Huizinga het overheersende onderwerp in zijn werk, weerklinkt bij Fondane in de laatste zang van de sirenen. Zij roepen Odysseus op zich vrijwillig met hen in de golven te storten. Benjamin Fondane overleefde de oorlog niet. Nadat hij was verraden, werd hij naar Auschwitz gedeporteerd, waar hij van zijn talent tot overleven getuigde door onafgebroken uit zijn hoofd gedichten van Baudelaire te reciteren.

'Odysseus' was daarmee een concentratiekampgevangene geworden. Van hetzelfde overlevingsmechanisme als Fondane gaf de joodse chemicus Primo Levi blijk, die eveneens naar Auschwitz was getransporteerd. Hem kwam niet de poëzie van Baudelaire te hulp, maar uitgerekend het canto XXVI uit het Inferno van Dantes Commedia. Het elfde hoofdstuk van Primo Levi's getuigenisboek Se questo è un uomo ('Is dit een mens') uit 1947 draagt de titel 'De zang van Ulysses'. De Italiaan vertelt daarin hoe hij van ene Jean uit de Elzas, een bijloopje van het Kommando, de opdracht krijgt met hem de vijftig liter-soepketel voor het dagelijkse rantsoen te gaan halen. De Elzasser zoekt de route zo uit dat zij een omweg van minstens een uur maken en zij al die tijd kunnen praten over wat hun in het hoofd komt. Ineens en geheel spontaan schiet bij Levi de zang van Odysseus uit canto XXVI uit het geheugen naar boven.

Terwijl hij met alle moeite de inhoud van het canto aan de Elzasser probeert over te dragen, is het hem alsof de fictionele situatie in de hel van Dante en de concrete situatie in de hel van Auschwitz naadloos in elkaar schuiven. Bij het opzeggen van de - boven reeds geciteerde - beroemde terzine uit Dantes zang beleeft Levi een soort epifanie. Hier nu volgens de vertaling van Frida De Matteis-Vogels:

Bedenkt uit welk zaad gij gesproten zijt:niet om als vee te leven schiep men u,maar om te reiken naar het hoogste en het beste.

Het was, zo schrijft Levi in terugblik, 'alsof ik het ook voor het eerst hoorde: als een bazuinstoot, als de stem van God. Een ogenblik vergeet ik wie ik ben en waar ik ben.' De identificatie met Dantes Odysseus en het memoreren van diens zang, was voor Levi het reddende mechanisme om nog aan zijn eigen identiteit te kunnen geloven. Bij Levi, net als Fondane, versterkt de wetenschap dat de zee zich uiteindelijk boven Odysseus sloot, het geloof in de mogelijkheid van het eigen overleven in een wereld buiten de ballingschap.

Ballingschap is allesbehalve pret. Verbannen auteurs worden zelden met open armen ontvangen, óók niet als zij na verloop van tijd weer naar huis kunnen terugkeren. Buruma's these mag voor deze of gene schrijver en geleerde uit de republiek der letteren een zekere waarheid hebben, in haar algemeenheid is zij onhoudbaar. Verontrustender dan haar onhoudbaarheid, is de intellectuele zelfhaat die uit Buruma's negatieve voorstelling spreekt.

Na december 2000, toen Buruma zijn Huizingalezing hield, is de wereld fundamenteel veranderd door respectievelijk de gebeurtenissen van 11 september 2001, de oorlogen in het Midden-Oosten en talloze terroristische aanslagen en dreigingen. Behoorde het exil reeds lang tot de kernervaringen van de moderne cultuur, waar ook het lot van talloze auteurs uit de westerse canon mede door werd bepaald, in het begin van de eenentwintigste eeuw is er geen reden te veronderstellen dat de urgentie van dit thema is afgenomen. Integendeel, migratie en ballingschap keren in toenemende frequentie terug op de voorpagina's. De noodzaak tot reflectie over de betekenis, óók in productieve zin, van het exil in ons culturele geheugen, zowel als het belang van de studie naar migratie om in de toekomst beter het hoofd te kunnen bieden aan daarmee verbonden individuele en maatschappelijke problematiek, zijn groter dan ooit tevoren.

Samen met Avishai Margalit publiceerde Buruma in 2004 de studie Occidentalism. The West in the eyes of its enemies, die alom terecht als een eye-opener werd ontvangen. De intentie van Occidentalism was mede erop te wijzen hoe nauw het door de externe vijanden aangehangen beeld van het Westen is verbonden met de interne zelfhaat van westerse denkers omtrent hun eigen cultuur en ideologie. In zijn Huizingalezing van 2000 had Buruma al gedemonstreerd hoe deze intellectuelen hun haat salonfühig maken door zichzelf als verschoppelingen te presenteren. Maar Buruma schiet in zijn kritiek op westerse denkers dóór, waar hij de figuur van de vrijblijvende banneling als een constante in onze cultuurgeschiedenis aanwijst en waar hij Dante voor deze studentikoze grap ter verantwoording roept. Hij maakt dan dezelfde fout die hij anderen verwijt: de fout van modieuze maar onrechtvaardige kritiek op de kernwaarden van onze culturele overlevering.

Kennelijk moest de Buruma van de Huizingalezing van 2000 ook zelf nog enigermate van westerse zelfhaat genezen. De intellectueel die de eenzaamheid van kritisch zelfonderzoek niet aankan, kan beter iets anders gaan doen.

Deze tekst werd op 10 november in verkorte vorm door Léon Hanssen uitgesproken in de aula van de Universiteit van Tilburg ter gelegenheid van de opening van het Dantegebouw van de faculteiten geesteswetenschappen. Een geannoteerde en uitgebreidere versie van de tekst is opgenomen in een interne publicatie van de Tilburgse universiteit (www.uvt.nl).

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden