Niet meer zo plakken aan het pluche

Ministers, staatssecretarissen, leden van de Tweede Kamer, de een na de ander laat weten niet terug te willen keren op zijn post. Sommige kabinetsleden willen wel naar de Eerste Kamer, maar niet naar de bankjes van de Tweede Kamer. Voor andere lonkt het bedrijfsleven. Denken politici meer aan hun eigen belang dan aan het landsbelang?

door Monic Slingerland

’Wat hebben wij ermee te maken, als een politicus een weloverwogen besluit neemt om iets anders te gaan doen?”, zegt Carla van Baalen (48). De hoogleraar parlementaire geschiedenis heeft zich, als vele andere burgers, de vraag gesteld of ze verontwaardigd moest zijn over de uittocht van zoveel politici. Verontwaardiging zou terecht zijn, zegt ze, hardop denkend, als er een morele plicht is voor politici om hun verdere leven de publieke zaak te blijven dienen. ,,Zo’n plicht is er niet.’’

Net zomin als er voor mensen in het bedrijfsleven vergelijkbare verplichtingen zijn.

Het is juist wel goed, vindt Carla van Baalen, als er enige doorstroming in de Haagse politiek is, om te voorkomen dat politici te veel in de Haagse cultuur zitten. Als er al iets is om verontwaardigd over te zijn is dat niet dat politici weggaan, maar de reden die ze daarvoor aanvoeren. ,,Het salaris van een kamerlid is echt heel redelijk. Natuurlijk kun je elders meer verdienen, maar het wordt goed betaald. Wel is het erg druk, dat zie je goed als je de weblogs van politici bekijkt. Het is een uitputtingsslag, met nachten doorhalen en permanent camera’s in de buurt.’’

Dat zou wat haar betreft een goede reden voor een politicus zijn om zich niet verkiesbaar te stellen. ,,Geef eerlijk aan als het te druk is. Kamervoorzitter Weisglas heeft dat ook gedaan.’’

Het kamerlidmaatschap is in de loop van de tijd veeleisender geworden. Tot eind jaren zestig was het een deeltijdbetrekking. Parlementariërs hadden er wel eens een baan bij, burgemeester bijvoorbeeld, of wethouder. ,,Het voordeel daarvan was dat er een vanzelfsprekend contact met de samenleving was.’’

Bij alle verontwaardiging over het massale vertrek van politici wordt ook wel vergeten, zegt Van Baalen, dat blijven zitten voor een politicus echt niet altijd zo’n offer is. Soms is het meer eigenbelang dan plichtsgevoel, wanneer een kamerlid of minister op zijn post blijft ,,Politici zijn ijdel, ze krijgen veel aandacht. Dat is ook prettig.’’

Is er dan niets aan de hand? Op de kieslijsten ontbreken namen als Lousewies van der Laan (D66), Boris Dittrich (D66), Clémence Ross-van Dorp (CDA), Melanie Schultz van Haegen (VVD), Medy van der Laan (D66), Sybilla Dekker (VVD), Karla Peijs (CDA), Ben Bot (CDA), Hans Hoogervorst (VVD), Frans Weisglas (VVD), Aart Jan de Geus (CDA), Agnes van Ardenne (CDA), Ursie Lambrechts (D66), Cees Veerman (VVD) en Pieter Hofstra (VVD).

Dat ministers en staatsecretarissen vertrekken, vindt Carla van Baalen niet direct zorgwekkend. ,,Als er na verkiezingen een politieke omwenteling komt, krijg je dat altijd.’’ Ernstiger is, of er voldoende politieke ervaring overblijft in de Tweede-Kamerfracties. In 2002 en 2003 (de roerige jaren met een kort kabinet-Balkenende I en een lange crisis, waarna Balkenende II werd geformeerd), zijn er te veel politici tegelijkertijd vertrokken. Je merkte dat er te weinig kamerleden waren met verstand van staatsrecht en met kennis van de jongste parlementaire geschiedenis.’’ Van de 150 kamerleden vertrokken er in die jaren maar liefst 110. Daar waren veel prominente PvdA’ers bij. Die partij kende in 2002 en 2003 een grote uittocht. Naast PvdA-minister Herfkens vertrokken toen ook Roger van Boxtel, D66-minister voor grote-steden- en integratiebeleid en staatssecretaris voor binnenlandse zaken Gijs de Vries (VVD). Het is de vraag hoe wenselijk doorstroming nu is, zo kort na die wisseling van toen.

„Veel belangrijker dan dat er ervaren ministers zijn, is dat er de leden van de Tweede Kamer voldoende politieke ervaring hebben’’, zegt Van Baalen. ,,Ministers hebben een ambtenarenapparaat achter zich, daar zit voldoende continuïteit.’’

Als verontwaardiging over de leegloop in Den Haag al op haar plaats is, is dat wanneer een kamerfractie achterblijft met te weinig ervaren mensen, zegt Van Baalen. Dat is vooral het geval bij D66. Van de zes fractieleden verdwijnen er drie: Boris Dittrich, Lousewies van der Laan, Ursie Lambrechts. Alle drie hebben ze meer dan tien jaar politieke ervaring.

De helft van de huidige leden van de Tweede Kamer zit korter dan vier jaar in de politiek.

In de jaren zestig had het gemiddelde kamerlid 8,6 jaar ervaring, blijkt uit gegevens van het parlementair documentatiecentrum van de universiteit Leiden. In 1972 daalde dat tot gemiddeld zes jaar, in 1988 was het bijna acht jaar. Zo weinig ervaring als de Tweede Kamer nu heeft, is wel uniek in de parlementaire geschiedenis, maar niet iets om trots op te zijn.

Er zijn vier kamerleden die langer dan zestien jaar meelopen. In 1964 waren er vijftien kamerleden met een ervaring van meer dan 16 jaar.

Nu zouden we daar kanttekeningen bij plaatsen. Gerrit Voerman, van het documentatiecentrum politieke partijen, zou de vraag of het vertrek van politici reden voor verontwaardiging is, willen omdraaien. ,,Waarom is het goed als een politicus lang blijft zitten?’’

Vooral de linkse partijen hebben sinds de jaren zeventig een maximum gesteld aan het aantal termijnen dat een kamerlid kan volmaken. De Groenen in Duitsland gingen daar heel ver in: na een halve termijn moest een parlementariër weg. GroenLinks had diezelfde regel voor europarlementariërs. De democratiseringsbeweging van de jaren zeventig werkte dat in de hand. Doorstroming zorgt ervoor dat de volksvertegenwoordiging niet meer voor een kleine groep routiniers is weggelegd.

Politici moeten niet aan het pluche blijven plakken, is de achterliggende gedachte. Die is door Pim Fortuyn versterkt, die tegen de routine van beroepspolitici ageerde. Politici zijn gemiddeld wat jonger dan in de tijd van Oud en Drees, weet Voerman. „Daardoor ligt het minder voor de hand dat ze levenslang in de politiek blijven. Na 20, 30 jaar kan een politicus elan en inzet verliezen. De samenleving vraagt van politici dat ze gedreven zijn, voeling hebben met maatschappelijke ontwikkelingen. Kiezers laten zich alleen overtuigen door een politicus die overtuiging uitstraalt. Als een politicus die gedrevenheid niet meer kan opbrengen, is het voor de partij goed dat die politicus opstapt.”

Dat de volgende stap dan het bedrijfsleven is, mag tot opgeheven vingers leiden. Het is wel de stap die Wim Duisenberg en Tjerk Westerterp ooit gemaakt hebben. Duisenberg was vier jaar minister, zat een jaar in de Tweede Kamer en ging daarna in 1978 naar de Rabobank, Tjerk Westerterp werd na vijftien jaar politiek directeur van de Europese optiebeurs in Amsterdam.

Opvallend nu is dat veel politici ruim voor de verkiezingen aankondigen dat ze niet herkiesbaar zijn. Dat is misschien een verschil met vorige uittochten.

Toen lieten politici zich wel op de lijst zetten, om kort daarna te vertrekken. Zo weet de kiezer nu beter waar hij aan toe is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden