Niet meer dan een dier

Alles wat is, zal vergaan. Maar is er ook iets wat blijft? Speciaal voor de Maand van de Filosofie - dit jaar voor het eerst - schreef Patricia de Martelaere het essay 'Wat blijft'. De plechtige opening van die maand vindt dinsdag plaats in de Rotterdamse boekhandel Donner. Daar overhandigt Harry Mulisch De Martelaere's essay aan de Twentse filosoof Hans Achterhuis. Hier alvast een voorproefje van het essay van Patricia de Martelaere.

In het eerste hoofdstuk schetst zij de ontgoocheling die het neodarwinisme ons heeft bezorgd: 'Het inzicht dat de natuur, zoals onze moeder destijds, geen warm en veilig verlengstuk is van onszelf, maar een paradijs waaruit we zijn verbannen omdat het nooit echt heeft bestaan.' Maar: 'Dit wetenschappelijke natuurconcept stemt hoegenaamd niet overeen met de intuïtieve manier waarop de natuur door vele mensen - onder wie de strengste wetenschappers - wordt ervaren. Haast niemand is in staat om doodnuchter en volkomen onbewogen door een donker woud of een zonovergoten berglandschap te lopen. Een bosanemoon, een oude boom, een balk zonlicht, een hert - alles nodigt uit tot verwondering, verwantschap en diepe vreugde.'

Ik behoor tot dat soort van mensen die van jongs af aan met de stelligste zekerheid wisten wat ze later wilden worden, en die dan uiteindelijk toch iets heel anders werden. Tot op het eind van de middelbare school was mijn studiekeuze er nog helder en duidelijk op afgestemd: Latijn-Wetenschappen. Ik zou dierenarts worden.

Mijn keuze was ingegeven door kinderlijk idealistische en sentimentele motieven: ik werd gedreven door een passionele dierenliefde en een al even passioneel verlangen om dieren te helpen en te verzorgen. Hierbij achtte ik het van het allergrootste belang vooral geen onderscheid te maken, en mijn affectie bijvoorbeeld niet te beperken tot pluizige en vriendelijk ogende diersoorten. Integendeel, bij wijze van overcompensatie legde ik een expliciete voorkeur aan de dag voor de onsympathieke dieren: de slijmerigen, glibberigen, wriemelenden en stekenden riepen mijn sympathie op, juist omdat ze er zo moeilijk in slaagden sympathie op te roepen in hachelijke omstandigheden.

Als nauwelijks uit de kluiten gewassen kleuter was ik al de fiere -maar onder eigen soortgenoten pijnlijk onbegrepen- stichtster van een kikkerpoel, een regenwormenmoeras en een slakkenrots. Daarbuiten bezat ik ook een bescheiden dierenziekenhuis, hoofdzakelijk en kortstondig bevolkt door bijen of wespen die door uitputting niet meer konden vliegen en er dankzij mijn goede zorgen -een druppel honing op een koffielepel- snel weer bovenop kwamen. Dat ik na afloop niet zelden door mijn ex-patiënten werd gestoken was me een steek recht in het hart, maar ik nam het ze niet kwalijk omdat ik er in welhaast christelijke zin van uitging dat 'zij niet wisten wat ze deden'.

Het christendom zelf stelde me overigens al heel vroeg voor grote theoretische problemen. Zodra me ter ore kwam dat er een oneindig goede God bestond die van ons, mensen, hield en ons -mits we een paar tegenprestaties leverden- na de dood een plaats in zijn hemel zou bezorgen, verheugde me dit natuurlijk zeer in eigen naam. Maar in naam van mijn bondgenoten, de dieren, vond ik het, alles welbeschouwd, een onbegrijpelijk onrecht en ik kreeg het moeilijk voor elkaar te geloven in een oneindig goede God wiens goedheid zo partijdig was. Tot op de dag van vandaag blijft deze kwestie me bezighouden, zij het niet meer in de kinderlijke termen van toen. Het gaat allang niet meer om God, om goedheid of om de hemel, maar om een diep ingewortelde overtuiging dat de zin -de betekenis, de waarde- van iets staat of valt met de zin van al het andere. Als iets zin heeft, dan moet alles zin hebben -of omgekeerd: als iets zinledig is, dan is alles dat.

Inmiddels heeft ook mijn kinderlijke dierenliefde van weleer een enigszins volwassener vorm aangenomen, al moet ik tot mijn grote schande bekennen dat ik nog steeds behoor tot wat Hemingway in 'Death in the Afternoon' het primaire type noemt: diegenen die zich bij het stierengevecht spontaan gaan identificeren met de stier, en niet met de stierenvechter. Maar verder dan een primitieve identificatie en sympathie gaat het niet, en het pathos en het activisme dat me tot een rabiate dierenbeschermster had kunnen maken ben ik ontgroeid. Nog steeds zal ik geen dier of ondier doden als daar geen goede reden voor is (muggen doodmeppen valt onder de wettige zelfverdediging, spinnen worden aan de deur gezet), en een enkele keer zal ik zelfs nog een sukkelige bij of wesp de reddende honingdruppel toedienen. Mocht ik ganzen bezitten, dan zou ik ze zeker niet dwangmatig gaan volproppen om van hun lever de foie gras te maken die ik nochtans graag lust. Maar dat weerhoudt me er niet van om af en toe een potje foie gras te gaan kopen in de supermarkt, wetend wat het lot was van de ganzen die me dit genoegen konden bezorgen, en dit lot zelfs diep en oprecht betreurend -net zoals dat van de koeien en de varkens, de kippen en de konijnen, de kreeften en de mosselen, en op bijzonder gevoelige momenten zelfs dat van het basilicumplantje dat sneuvelt bij de mozzarella. Maar op de een of andere manier heb ik me erbij neergelegd dat dit alles tot de wereld behoort waarin ik leef, zoals ik me er -nog veel minder lovenswaardig- eveneens bij heb neergelegd dat ook onnoemelijk veel mensenleed, vaak zelfs toegediend door andere mensen, tot de wereld behoort waarin ik leef.

Wat van mijn strijdbare dierenliefde van weleer overblijft, is een gevoel van diepe verwantschap in het delen van eenzelfde lot: de sterfelijkheid staat ons op het lijf geschreven, en dit ondanks onze niet aflatende inspanningen om het leven te behouden en door te geven. Een algemene vergankelijkheid delen wij uiteraard ook met de planten en de dode stof, maar omdat deze zo weinig blijk geven van eigen strevingen, roepen ze doorgaans hooguit slechts een abstract besef van verwantschap in ons op. Wat de plaats van het dier betreft, schijnbaar ergens tussen de stof en de mens in, lijkt er voor ons aanleiding te zijn tot uiteenlopende houdingen, gaande van onverschillige minachting tot afkeer en vrees, maar ook tot onverholen bewondering. Het dier lijkt iets te kunnen wat wij zijn verleerd, het staat 'ergens' middenin waar wij onherroepelijk uit zijn verbannen: de Natuur, het paradijs voor de zondeval, een bestaansvorm voorafgaand aan goed en kwaad.

Jonge kinderen worden wat dat betreft weleens in het verlengde van het dier geplaatst en om die reden ten voorbeeld gesteld aan de gekunstelde en getormenteerde volwassene. Kinderen en dieren leven met de grootste vanzelfsprekendheid vanuit hun lichaam en hun onmiddellijke gewaarwordingen, ze zijn één met zichzelf en hun omgeving en worden niet gekweld door de innerlijke tegenstrijdigheid van het denken. Nietzsche noemt de mens het zieke of ontaarde dier en predikt een herwaardering van de driften van het lichaam. Maar ook in het boeddhisme en taoïsme, waar het in tegenstelling daarmee gaat om een overstijgen van het driftmatige, worden het dier en het kind vaak als voorbeeld gesteld, ditmaal wegens hun vermogen om geheel en al op te gaan in de eenheid van het nu-moment.

Desalniettemin wordt noch door Nietzsche noch door het boeddhisme de opperste realisatie van het mens-zijn gelijkgesteld met een simpele terugkeer naar het dierlijke. De boeddhistische verlichting houdt in dat de mens voor zijn bevrijding gebruikmaakt van iets wat het dier bij uitstek bezit, maar waar het dier zelf geen gebruik van kan maken voor zijn bevrijding. De wijze is iemand die wordt zoals het dier en het kind -maar wat kinderen en dieren bezitten kan niet als zodanig 'wijsheid' worden genoemd. Ook de hogere mens die Nietzsche voor ogen staat, kan alleen maar een Ãœbermensch zijn, en geen Ãœbertier, al was het maar omdat het dier de confrontatie met het nihilisme niet kan aangaan en dus ook niet kan overwinnen. De Ãœbermensch kan dan ook geen terugval inluiden naar een primitiever niveau, maar wordt door Nietzsche juist beschreven als een hoger evolutionair stadium, dat zich tot de huidige mens verhoudt zoals de huidige mens zich verhoudt tot de chimpansee.

De evolutieleer speelde Nietzsche overigens ernstig parten -zoals ze dat in zekere zin tot op de dag van vandaag blijft doen. Nietzsche ging naar eigen zeggen uit van de 'juistheid van het darwinisme' en stelde zich tot doel het 'nihilisme' te overwinnen dat daarvan het gevolg was. Onder de 'juistheid' van het darwinisme verstond Nietzsche de gedachte dat de mens afstamt van het dier en dat alle hogere menselijke vermogens in wezen niets anders zijn dan biologische attributen. De producten van deze vermogens -traditioneel de drie-eenheid van Waarheid, Goedheid en Schoonheid- hebben dan ook geen enkele inherente waarde of betekenis, maar vallen geheel samen met hun biologische functie. Bovendien is er geen schepper noch enige hogere bedoeling van het hele evolutiegebeuren: alles ontstaat door een combinatie van toevallige omstandigheden en determinerende mechanismen (natuurlijke selectie). Als deze visie juist is, dan vervalt iedere waarde onvermijdelijk als waarde en is inderdaad een grenzeloos nihilisme het gevolg. God is dood, religie is een leugen en moraal een list. Wat overblijft is de waarde van het blinde, zinloze overleven-om-het-overleven zelf.

Het hedendaagse (neo)darwinisme is er niet rooskleuriger op geworden, al putten sommige evolutionaire psychologen zich uit om aan te tonen dat er helemaal niets verloren is. Integendeel, de biologie zou zelfs de best mogelijke fundering zijn voor alle 'waarden' die wij nastreven: ze toont aan dat het nastreven ervan onuitroeibaar in onze genen zit ingeplant, veel dieper dan wanneer het slechts het resultaat zou zijn van sociale conventie. Maar dat hiermee niets verloren is, is misschien nog wel de grootste leugen van alle. De fundamentele spirituele waarden van de mens maken nu eenmaal wezenlijk aanspraak op een andere motivatie dan die van biologisch overleven. Het gaat er niet om of ze ingeworteld zijn, maar op welke manier ze ingeworteld zijn. Een biologische fundering kan misschien nog wel verenigbaar zijn met het spirituele statuut van waarden, maar een reductie tot de biologie is dat niet. Of het zou moeten zijn dat in de orde van het biologische zelf een soort van quasi-spirituele streving wordt erkend, maar zulks blijkt in de hedendaagse wetenschap absoluut uit den boze te zijn.

Nietzsche erkende een dergelijke 'opwaartse' streving (verbonden met de term lamarckisme) wel, en dat maakt zijn conclusie uiteindelijk minder nihilistisch dan die van het huidige darwinisme. Nietzsche verwijt Darwin met name dat hij de 'geest' vergeten is en de natuur geen enkele dynamiek toeschrijft buiten die tot reproductie en overleven in de strijd om het bestaan. Voor Nietzsche, die hierin sympathiseert met Goethe, is de natuur wezenlijk gericht op zelf-expressie en zelfoverstijging. Niets is tevreden met wat het is, en al wat is wil voortdurend zijn eigen grenzen doorbreken. De mens heeft weliswaar geen aparte hogere bestemming, maar zelfs als louter onderdeel van de natuur kan -en moet- hij zich opwerken tot het 'hogere' dan zichzelf. God is dood, maar de natuur leeft volop.

In het huidige evolutiedenken geldt niet alleen God als dood, maar de natuur al evenzeer. Toen de moderne metafoor van de machine fundamenteel ontoereikend bleek te zijn om het leven te verklaren, heeft men deze vervangen door die van de computer of het informatieverwerkend systeem. In beide gevallen zijn het levenloze, door de mens gemaakte dingen die worden gebruikt als model om het leven te begrijpen -zelfs het leven lang voor de mens er was. Het lijkt er dus op alsof het oude, religieus getinte antropocentrisme, waarin de natuur werd begrepen naar het beeld van de mens (en deze naar het beeld van God), is vervangen door een nieuw, technologisch antropocentrisme: het hele universum naar het beeld van de menselijke techniek (en de mens zelf supercomputer en cybergod tegelijk).

Belangrijker is dat dit wetenschappelijke natuurconcept hoegenaamd niet overeenstemt met de intuïtieve manier waarop de natuur door vele mensen -onder wie de strengste wetenschappers- wordt ervaren en op een romantische manier gecultiveerd. Haast niemand is in staat om doodnuchter en volkomen onbewogen door een donker woud of een zonovergoten berglandschap te lopen. Een bosanemoon, een oude boom, een balk zonlicht, een hert -alles nodigt uit tot verwondering, verwantschap en diepe vreugde. Alles lijkt meer te zijn dan het is of wat we weten dat het is: een steen is meer dan een steen, een dier is meer dan een dier.

Keren we vervolgens terug naar het laboratorium -of liever, naar de aldaar courante interpretaties van de observaties- dan wacht ons de ontgoocheling van ons leven, want daar blijkt alles opeens veel minder te zijn dan het lijkt: de mens is alleen maar een dier, een dier is alleen maar een hoopje scheikundig verbonden organen, leven is alleen maar DNA en onze geest is een illusie van onze hersenen. Maar ontgoocheld worden hoort bij de volwassenheid -zo is ons geleerd-, de jaren des verstands zijn ook de jaren des onderscheids: het inzicht dat de natuur, zoals onze moeder destijds, geen warm en veilig verlengstuk is van onszelf, maar een paradijs waaruit we zijn verbannen omdat het nooit echt heeft bestaan.

Jacques Monod beschreef deze tragiek van de moderne wetenschap reeds in zijn bekende boek van 1970 'Le hasard et la nécessité', waarvan de darwinistische strekking uit de titel alleen al duidelijk blijkt. De waarheid is pijnlijk, zegt Monod, maar wij zijn het als homo sapiens aan onszelf verplicht haar onder ogen te zien. De waarheid is dat we niet meer zijn dan een onbetekenende schakel in een keten van toeval en noodzakelijkheid, die nergens heen leidt en door niets of niemand is bedoeld. Wij bekleden in het universum geen enkele bevoorrechte plaats, de wereld beantwoordt niet aan onze verlangens maar werpt ons met kille onverschilligheid terug op onszelf. Het enige wat ons nog min of meer uniek maakt is ons vermogen om dit te achterhalen, in tegenstelling tot de redeloze dieren en de primitieve mensen die geheel ondergedompeld zijn in een schemerige symbiose met de natuur. Het licht van de wetenschap heeft ons bevrijd uit deze schemering, maar ons tegelijk ook losgerukt uit de magische eenheid van het Oude Verbond. Sindsdien is het basisgegeven van de moderne mens dat van de scheiding en de afstand, in een heldhaftige maar troosteloze superioriteit tegenover de natuur. Wat wij weten is niet wat wij verlangen -daarom willen we enerzijds getroost worden voor wat we weten, maar kunnen we ons anderzijds ook niet echt laten troosten: iedere troost zal namelijk onvermijdelijk een leugen of een illusie zijn. Voortdurend moeten we het innerlijke gevecht leveren dat ons verheft boven wat we zijn. Diep ingewortelde animistische neigingen steken op onbewaakte momenten de kop op en dreigen ons van het rechte pad van de rationaliteit weg te lokken. Is er niet toch een spoor van een goddelijk bewustzijn te vinden in de samenhang tussen alle dingen? Is er niet toch een onsterfelijke kern in de menselijke geest, en een voortbestaan na de dood? Is er niet toch een hogere bestemming voor ons weggelegd dan die van het dierlijke overleven? Wij zouden willen van wel, maar de waarheid gebiedt ons te verzaken aan deze kinderlijke wensen. De wetenschappelijke mens wordt op deze manier geportretteerd als een profane versie van de Heilige Antonius met zijn talloze verzoekingen: hij bewijst zijn wilskracht en zijn waardigheid door niet toe te geven aan lagere neigingen. Het geloof in de objectieve waarheid (dat er geen God is) komt zodoende het geloof in God-als-Waarheid vervangen en vereist van ons eenzelfde onvoorwaardelijke volgzaamheid met verwerping van ieder ander (bij)geloof. Zoals Monod het verwoordt: 'De wetenschap geeft ons een transcendente waarde, die van de ware kennis, en stelt de mens voor er zich niet van te bedienen maar haar veeleer zelf te dienen, in een bewuste en weloverwogen keuze.'

Darwinisten gebruiken overigens vaker en met zichtbaar genoegen metaforen die verwijzen naar het oude godsgeloof, maar dan in een context die God geheel overbodig en het geloof volkomen ongegrond maakt. De meest provocerende is wel Richard Dawkins, met bekende titels als 'The Blind Watchmaker' (het universum als complex horloge, geassembleerd door blind toeval in plaats van door een vernuftige schepper) en 'The River out of Eden' (de stroom van levensvormen vertrekkend vanuit het Aards Paradijs, opgevat als een stroom van onpersoonlijke informatie die bij het kopiëren wijzigingen onderging). Het lijkt er soms op alsof het darwinisme zich inderdaad wil presenteren als een triomfantelijke antireligie: eindelijk, na zoveel eeuwen bijgeloof, mysterie en magie, zegeviert de wetenschappelijke waarheid, waarin feiten niets anders zijn dan feiten. Ook Monod besluit met een verwijzing naar het bijbelse Oude Verbond, dat eens en voorgoed is verbroken. De keuze is voortaan slechts nog die tussen een naïeve illusie en een superieur weten: 'Het oude verbond is verbroken: de mens weet eindelijk dat hij alleen is in de immense onverschilligheid van een heelal waarin hij per toeval is ontstaan. Zijn bestemming staat nergens opgeschreven, en zijn taak evenmin. Het is aan hem te kiezen tussen het Koninkrijk en de schemering.'

Met het boek van Monod was in feite de toon gezet voor de wetenschapsbeoefening tot op de dag van vandaag. Er volgde weliswaar een geïnspireerde tegenreactie in het boek van Ilya Prigogine (samen met Isabelle Stengers), waarvan de titel alleen al duidelijk maakt dat het gaat om een antwoord op Monod: 'Het nieuwe verbond'. Maar meer dan een plaatselijke golf van enthousiasme bracht dit boek niet teweeg, en de recente ontwikkelingen van de wetenschap lijken in de richting te gaan van een nog groter determinisme. Nochtans meenden Prigogine en anderen dat de tijd rijp was voor een nieuwe wetenschapsopvatting, waarin mens en natuur opnieuw op een harmonische wijze zouden zijn verenigd en er voor beide plaats zou zijn voor vrijheid en doelmatigheid. Op die manier hoopte Prigogine ook tot een soort synthese te kunnen komen tussen de koele objectiviteit van de wetenschap en het intuïtieve inlevingsvermogen van de kunst. De tijd beslist zelf waar hij rijp voor is. De kloof tussen wetenschap en kunst is er alleen maar groter op geworden. De wetenschap zoekt in de kunst niet de waarheid, maar troost, en wel troost in de vorm van een kortstondige illusie, waarvan iedereen die tot de jaren des verstands is gekomen maar al te goed weet dat het een illusie is.

Het nihilisme -het ongefundeerd zijn van alles wat waardevol zou kunnen zijn- dat volgens Nietzsche het gevolg was van het darwinisme, is nog lang niet overwonnen. Integendeel, het is nog versterkt door een ander soort nihilisme, dat voortkomt uit een cultureel relativisme en verbonden is met de term postmodernisme. De tijd van het geloof in de Waarheid is voorbij, zeggen postmodernisten (die in de regel geen wetenschappers zijn). In plaats daarvan zitten we met een veelheid van verschillende discours -dat van de wetenschap, dat van de religie, dat van de kunst, dat van primitieve culturen-, die elk hun eigen interne geldigheid hebben en niet volgens externe maatstaven met elkaar kunnen worden vergeleken. Treden we tot een discours toe, dan spelen we het spel volgens de regels die ons daar worden aangereikt. Treden we niet toe, dan spelen we gewoon niet mee en geven we de voorkeur aan een ander taalspel. De waarheid van de wetenschap is niet méér waar dan die van de religie, ze vertrekt gewoon van andere basisvooronderstellingen, die -net als die van de religie- te nemen of te laten zijn. Net zo in de moraal: we engageren ons op een niet-rationele manier tegenover een bepaald waardesysteem -meestal dat van de traditie waarin we geboren en opgegroeid zijn-, dat echter, op zich beschouwd, even arbitrair is als ieder ander waardesysteem. Zowel waarheid als waarden zijn cultureel variabel en dus verstoken van ieder fundament.

Is het een wonder dat darwinisten zoals Daniël Dennett hier tegenin gaan door erop te wijzen dat de biologie, hoe ontluisterend ook, toch een onbetwistbaar en onuitroeibaar fundament kan bieden voor menselijke waarden. Helaas is dit echter geen fundament voor menselijke waarden als waarden, maar een fundament waarin ze ophouden waarden te zijn. Postmodernisten van hun kant ageren dan weer tegen het fundamentalisme dat ze zowel de wetenschap als de religie aanwrijven, en leggen de nadruk op de vrijheid en de inventiviteit waarmee de mens in de symbolische orde van taal en cultuur zijn waarden en waarheden schept (en wellicht daardoor bewijst dat hij meer is dan natuur). Beide berusten ze echter op een onmiskenbare -zij het verholen- vorm van nihilisme, dat weliswaar niet zozeer het geloof in waarden aantast, als wel de intrinsieke waardevolheid van deze waarden. Voor ons aller bestwil doen we er goed aan te blijven geloven in de waarden waarin onze ouders en voorouders al geloofden: ze dragen bij tot ons biologisch overleven of -al naargelang- de culturele identiteit van de gemeenschap waarin we leven. Maar meer zijn ze ook niet waard. Onze voorouders konden nog geloven dat ze in het naleven van waarden gehoorzaamden aan een goddelijke wil van het universum en niets minder konden verdienen dan de eeuwige gelukzaligheid, wij daarentegen weten dat er in het universum geen wil is buiten de onze en dat onze daden niet verder reiken dan het hier en nu.

Moeten onze waarden eigenlijk worden gered? Her en der beweren stemmen met grote aandrang dat dit inderdaad hoognodig is. Maar wat ze dan bedoelen is wellicht dat het menselijk geloof in waarden moet worden gered en dat er behoefte is aan een alternatieve theorie die bijdraagt tot een moreel réveil. Voor het overige is er iets contradictorisch in de gedachte van het 'redden van waarden' zelf. Men redt de waarheid toch ook niet? Als er waarden zijn- in een reëlere zin dan die van sociale conventies of biologische noden-, dan zijn ze er immers zonder meer en kunnen ze door geen enkele theoretische verdachtmaking of ontmaskering aan het wankelen worden gebracht (alleen ons geloof kan wankelen). Het is dan ook een zwakke en weinig overtuigende strategie om wetenschappelijke of filosofische theorieën te bekritiseren omdat ze 'onverzoenbaar zijn met authentiek humanisme' of een bedreiging zouden vormen voor echte menselijke waarden. Als de waarheid werkelijk van die aard is dat ze het hele universum waardeloos maakt, dan moet ze dat maar doen. Maar als waarden echt zijn, dan moeten ze een onderdeel vormen van de waarheid.

Inmiddels is in ieder geval al wel duidelijk geworden dat het bestaan van echte waarden iets veronderstelt 'dat blijft', en dit zowel door alle culturele variabiliteit als door de constant evoluerende verschijningsvormen van materie en leven heen. Nietzsche zei het al: een echt houvast veronderstelt iets dat echt vaststaat, zo niet dan is het alleen maar een leugen, desnoods een nuttige of zelfs levensbehoudende leugen. 'De waarheid is de leugen zonder dewelke een bepaald soort dier niet kan leven', heet het bij Nietzsche, en hetzelfde geldt uiteraard ook voor alle waarden. Nietzsche predikt in zijn eigen filosofie de chaos en het universele worden, waarin niet alleen God dood is, maar zelfs geen enkele vorm van 'zijn' meer overblijft. De dingen zijn niet wat ze zijn, en zelfs wijzelf hebben geen eigen identiteit -hoe zou wat dan ook door wie dan ook met zekerheid kunnen worden gekend? 'Kennen' veronderstelt immers op de eerste plaats dat namen worden gegeven aan eenheden, en dat vervolgens wordt nagegaan in welke onderlinge relaties deze eenheden zich bevinden. Maar als er geen echte en onveranderlijke eenheden zijn, dan begint met de allereerste aanzet tot kennis (de naamgeving) in feite al de eerste vergissing. Namen suggereren immers onvermijdelijk een zekere eenheid en onveranderlijkheid, zo al niet een verborgen essentie, die maakt dat iets is zoals het wordt genoemd en niet iets anders. Darwin was zich al bewust van de grote moeilijkheid om tot betrouwbare definities of classificaties te komen in een wereld die aan permanente wording onderhevig is. 'We zullen soorten moeten gaan bekijken als kunstmatige categorieën die alleen maar voor ons gemak in het leven zijn geroepen. Dit is misschien geen al te vrolijk vooruitzicht, maar we zullen wel verlost zijn van het nutteloze zoeken naar de onontdekte en ook niet te ontdekken essentie van het begrip soort.'

Maar wat nog het minst vrolijk is aan dit vooruitzicht wordt door Darwin vooralsnog -in 'The Origin of Species'- strategisch verzwegen: dat het ook geen enkele zin meer zal hebben te zoeken naar onze eigen essentie, wat door de mens allerminst wordt ervaren als een verlossing, maar juist als een groot verlies.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden