Niet langs Westbroek

In Nederland wordt 'illusiepolitiek met het landschap bedreven', klaagde Marcel Ten Hooven vorige week in Letter & Geest. En het geluid van voortrazende auto's 'zonder begin en zonder eind' heeft de stilte verdreven.

Docent milieugeschiedenis Wybren Verstegen ziet het anders: ,,Als ik even doortrap, ben ik, verstokte randstedeling, binnen een half uurtje bevrijd van het geluid van auto's, en fiets van Utrecht door de weilanden in vrijwel volslagen rust naar de heidevelden ten zuiden van Hilversum.'' door Wybren Verstegen

Het eerste huis dat ik mijn eigendom mocht noemen, lag in een arbeidersbuurt, pal aan een druk scheepvaartkanaal, vlakbij een spoorbaan, nog dichter bij bedrijfsterreinen en op een steenworp afstand van een drukke verkeersbrug. Toch werd ik de eerste ochtend in mijn nieuwe huis wakker van het gakken van een vlucht overtrekkende ganzen, terwijl voor de rest de wereld in stilte gebaad leek.

Ten dele was dat toeval: de wind stond goed zodat het verkeerslawaai van de autosnelweg in de verte niet doordrong. Het geluid van de passerende treinen bleek vooral slaapverwekkend, want rangeerterreinen, wissels en het bijbehorende gesnerp van wielen, waren ver uit de buurt. Het dreunende geluid van de schepen op het kanaal gaf slechts rust, als de slag van een te groot moederhart. Irritant was alleen een prehistorische eenpitter die één keer per maand middenin de nacht voorbij tufte over het water. Dat ding kon je op kilometers afstand horen aankomen en het duurde voor je gevoel uren voor het in de nacht verdwenen was en je de slaap weer kon vatten. Dit miniatuur plofbootje anno 1900 veroorzaakte in zijn eentje meer overlast dan een duwboot met vier bakken. Niet alleen asociale motorrijders verscheuren 's nachts de slaap van honderdduizenden. Zelfs nu ik verhuisd ben en inmiddels op ruime afstand van hetzelfde kanaal woon, kan ik het geval 's nachts in de verte voorbij horen komen.

Is geluidsoverlast een kwaal van de moderne tijd? Wat moet ik dan denken van het burengerucht door hanengekraai of koeiengeloei in de tuinen van de nog half-agrarische steden van vóór de industrialisatie? Mijn stad, Utrecht, stond in de zeventiende eeuw nog vol vee. Geen enkel dorp bracht aan de belasting op runderen in de provincie Utrecht toen zoveel op als de stad zelf. Wie wel eens buren heeft gehad die voor de aardigheid middenin de stad een haan houden, begrijpt onmiddellijk wat ik bedoel.

Of moet ik bij geluidsoverlast denken aan het geratel van de ijzeren banden rond de wielen van de koetsen en hondenkarren in de Victoriaanse tijd, voortgetrokken door miserabele en verwaarloosde dieren die lijdzaam gehoorzamen aan het geschreeuw van hun hardvochtige menners? Hoe stil was het in het verleden, dat er stro op de straten bij de hospitalen moest worden gelegd tegen het wielengeratel om de zieken en stervenden te ontzien? Zelfs Caesar heeft nog eens besloten dat het centrum van Rome gesloten moest worden voor het verkeer. De Franse schrijver Louis Sebastian Mercier verhaalde in de tweede helft van de achttiende eeuw hoe in Parijs dagelijks vele verkeersslachtoffers vielen door roekeloos rijgedrag en de chaos in de stad. Zo rustig en traag was het verkeer vroeger nu kennelijk ook weer niet. Nog beeldender is de uitspraak van de Engelse historicus Macaulay die in de vorige eeuw klaagde dat de massa koetsen, karren en paardentrams in de hoofstad ,,raasde als de waterval van de Niagara''.

De schrijver William Wordsworth klaagde, als een achttiende-eeuwse pendant van de Marcel ten Hooven vorige week in Letter & Geest, dat 'in de ogen van tien- en honderduizenden een weelderige weide met vette grazende koeien erop, of de aanblik van wat zij een vette graanoogst noemen, meer waard is dan alle Alpen en Pyreneeën in hun opperste pracht en schoonheid'.

En dan de industrie. Neem het protest van de Londenaren die in 1747 meenden dat alle smeden uit de stad verbannen moesten worden. Tijdens de industriële revolutie een eeuw later moet het helemaal erg zijn geweest. ,,Hi-fi equipment cannot compete with a steam hammer'' schreef de Engelse milieuhistoricus B.W. Clapp in zijn 'Environmental history of Britain' (1994). Om nog maar te zwijgen van het beruchte 'kletteren' van duizenden spoelen van weefgetouwen in de textielnijverheid, dat generaties arbeiders stokdoof heeft gemaakt. De stoomfluiten waarmee de arbeidsdag werd in- en uitgeluid en de werkpauzes werden aan- en afgekondigd, zorgden tijdens de industrialisatie voor zoveel overlast dat het Engelse parlement in 1872 besloot dat ze voortaan alleen met speciale toestemming mochten worden gebruikt.

Maar het uitbannen van de stoomfluiten had weinig nut: zij werden in deze eeuw opgevolgd door de nog veel luidruchtiger fabriekssirenes, zes dagen per week, meerdere keren per dag. We danken het aan de Tweede Wereldoorlog en de Koude oorlog dat we daar goeddeels van verlost zijn, uitsluitend omdat de autoriteiten verwarring tussen arbeidsritme en luchtalarm wilden voorkomen.

Marcel ten Hooven heeft ongelijk als hij, 'fietsend door de Randstad', de stilte van vroeger idealiseert. En trouwens: nu is die stilte er ook. Dat blijkt niet alleen uit de ganzen die mij 'aan de randen van de nacht' uit mijn slaap halen.

Dat natuurbehoud en mobiliteit strijdig met elkaar waren, is een gedachte van jonge datum. Voor de Tweede wereldoorlog leidde de opwaardering van het landschap juist tot pleidooien voor het aanleggen van autowegen door fraaie natuurgebieden ten behoeve van de stedeling. We moesten met z'n allen de natuur in, in plaats van, zoals nu, eruit. Er zouden naar Amerikaans voorbeeld, parkways moeten komen: 'Deze wegen moeten kronkelen, boomen moeten geplant, picnicplaatsen worden aangelegd, punten met mooi uitzicht worden verruimd, zoodat er vele automobielen kunnen worden gestald', aldus het 'Tijschrift voor Volkshuisvesting en Stedebouw' in 1925. De parkwegen moesten 'groene aderen' worden 'waarlangs het leven van de stad zich op genotvolle wijze in de breede velden van het open land kan uitstorten'. Het is nu nauwelijks meer voorstelbaar dat de voornaamste pleitbezorger in Nederland van het aanleggen van autowegen door natuurgebieden een vooraanstaand lid van Natuurmonumenten was: H. Cleijndert, tevens lid van de Stedbouwkundige Raad.

Toegegeven: de wereld is ten prooi aan een volstrekte mobiliteitsgekte; te land, ter zee en in de lucht. Zonder die gekte geen CO2 -uitstoot die het klimaat verandert en zorgt voor overmatige buien, geen zure regen die de brandnetels doet oprukken en de heide vergrast, geen 'platte fauna' in een versnipperde natuur. Ik ben me ervan bewust dat de provincie waarin ik woon het dichtste wegennet van Nederland heeft. Er is hier al sinds het midden van de jaren zestig geen hectare grond te vinden die op meer dan twee kilometer afstand van een verharde weg ligt. En toch... tussen Utrecht en Amersfoort kun je volslagen rust vinden in de zandverstuivingen van Soestduinen, op schootsafstand van een van de drukste spoorlijnen van Nederland. En wanneer ik op de fiets stap, kan ik langs de rivier vlak bij het oude stadscentrum komen waarbij ik slechts gehinderd wordt door het gezoem van moderne electromotoren in de fabrieken en door te breed en te lang uitgevallen geruisloze electrische melkwagens. Langsrazende auto's, bussen of vrachtwagens ontbreken. Die omweg kost me hooguit vijf minuten extra. De haast van de overbelaste werkende moeders en de stressende managers die de files langs de hoofdweg nemen, garandeert me dat mijn bescheiden omweg vrijwel autovrij is.

Als ik even doortrap, ben ik, verstokte randstedeling, binnen een half uurtje bevrijd van het geluid van auto's, en fiets van Utrecht door de weilanden in vrijwel volslagen rust naar de heidevelden ten zuiden van Hilversum. Niet zo lang geleden is hier een zeer stille fietsroute door het veengebied aangelegd. Niet langs Westbroek, waar de zondagsrijders en motorfietsen je van de weg drukken, maar via de Maarsseveense plassen, dwars door de Bethunepolder via Tienhoven naar Hilversum, zodat je gevrijdwaard blijft van zowel het ballendom als het omhooggevallen plebs dat met zijn gemotoriseerde opsmuk de jachthavens van Loosdrecht en Breukeleveen terroriseert.

Die weilanden tussen Utrecht en Hilversum worden nieuwe natuur: er wordt gegraven, er komen waterplassen en steeds meer vogelsoorten, met dank aan Natuurmonumenten. ,,Dat doet de natuur niet zelf, dat doet de mens,'' klaagt Ten Hooven. Nou, en? Wat is daar in hemelsnaam mis mee?

Reizigers die in vroeger eeuwen per koets naar Italië reisden, lieten bij de Alpen aangekomen de gordijntjes neer om niet geconfronteerd te worden met de aanblik van het lelijke en onbeschaafde berglandschap: ,,afgrijselijk om te zien, vanwege de kronkelende en slingerende paadjes en de steile bergen'', aldus William Cambden. James Howell vond de Alpen in 1621 niet alleen 'hoog en afschuwelijk' maar vooral ook 'nutteloos'. De Engelsman William Cobbett, die eveneens leefde in de achttiende eeuw, verafschuwde de aanblik van 'duivelse heidevelden' in zijn land. Het tegenwoordig alom geroemde Lake District werd door Celia Fiennes in dezelfde eeuw gekarakteriseerd als 'verlaten, dor en zeer verschrikkelijk' en was blij als ze het gebied op haar reizen achter zich kon laten.

Die nieuwe natuur tussen Utrecht en Hilversum kent trouwens genoeg 'ijkpunten' in het landschap die Ten Hooven zo meent te missen in de Randstad: de kerktorens van Westbroek, Hilversum en Loosdrecht met in de verte, boven alles uit, de domtoren van Utrecht. IJkpunten die gelukkig niet meer zoals in de Middeleeuwen voor talloze geheiligde momenten dag in dag uit hun gebeier over de gelovigen uitstorten.

Op deze nieuwe fietsroute wordt alleen bij mooi weer de stilte doorbroken door het gepruttel van sportvliegtuigjes, die bij mij evenwel slechts de herinnering wakker maken aan de reclameboodschappen die op lome zomerdagen van heel lang geleden in mijn geboortestad Rotterdam langs het zwerk ronkten. Rotterdam en Schiphol zijn, volgens Ten Hooven, 'eerlijk'. Waarmee hij bedoelt te zeggen dat je daar geen hypocriet gefleem hoeft te verwachten over mooie natuur waar die in feite verscheurd wordt door verkeergeraas. En de Veluwe zou wellicht ook eerlijk zijn, omdat natuur daar inderdaad niet verstoord wordt door verkeergeraas. Maar als er ergens in Nederland oneerlijke natuur bestaat, dan daar: de herten en everzwijnen zijn er geïntroduceerd voor de jacht, de bossen aangelegd om de Engelse mijnen van stuthout te voorzien. Zonder industriële revolutie geen bos op de Veluwe.

Trouwens, ook in Rotterdam bestaat stilte. Ik lag daar menige zomer op mijn rug naar de wolken in de blauwe lucht te staren, genietend van de rust langs de Bergse plassen en langs de rivier waar de stad naar vernoemd is. Ik ben het onlangs wezen controleren: die stilte is er nog steeds. Het is er zelfs stiller dan toen, doordat inmiddels het geluid van het heien ten tijde van de wederopbouw is verstomd. Het is daar in ieder geval stiller dan in mijn favoriete Veluwse natuurgebied: het Hulshorsterzand bij Harderwijk, waar je overal het geraas van de snelweg Amersfoort-Zwolle kunt horen.

Ik probeer mij iedere keer weer in te leven in de somberheid waar mensen als Marcel Ten Hooven, Koos van Zomeren of Ton Lemaire zich in wentelen. Dat lukt dan een tijdje en ik schud en knik meewarig of instemmend over de verloedering van de mensheid. Maar al snel kom ik in verzet tegen deze cultuurpesssimistische vampiers die met hun gezemel over vroeger de relativerende levenslust uit mijn gemoed zuigen. Zij lijken zich er nauwelijks van bewust dat niet alleen geluidsoverlast, maar ook hun sentiment zelf al eeuwen oud is. 'The humour of blaming the present and admiring the past, is strongly routed in human nature', schreef David Hume in 1777, 'and has an influence even on persons endued with the profoundest judgement and most extensive learning'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden