Niet klagen, maar verdragen

Het verhaal van deze pioniers op een verlaten schapeneiland is eigenlijk een verslag van een moeizame poging tot emancipatie

ROB SCHOUTEN

Het opmerkelijke succes van 'Stoner', de herontdekte roman uit 1965 van John Williams, laat zien dat Amerikaanse en andere westerse lezers een toenemende behoefte hebben aan diepe, sobere literatuur. Het boek herinnert aan zowel het naturalisme als het existentialisme, beide nogal sombere stromingen uit het verleden die de mens in zijn sociale en psychologische naaktheid uitbeelden.

Staat in veel naoorlogse romans de moderne twintigste- en eenentwintigste-eeuwse mens op het programma, met zijn toenemende ontheemdheid in de wereld van technologie en grenzeloze vrijheid, hier is het de beurt aan zijn directe voorvader, de aan oude gewoontes en tradities gebonden mens van voor en vlak na de Tweede Wereldoorlog.

Ook T.C. Boyle beschrijft in 'San Miguel' dat sobere leven van de generaties vóór ons, die nog niet proefden van de welvaart en vrijheid waaraan de hedendaagse mens 'lijdt'. Evenmin als Williams dat in de jaren zestig deed, verheerlijkt hij het recente verleden. Eigenlijk bezorgt 'San Miguel' de lezer, net als 'Stoner', een hoop chagrijn. Boyle beschrijft bij voorkeur kleine, vaak benauwde kringetjes van mensen die op elkaar aangewezen zijn en wier vaak onnozele conflicten toch een grote impact op het leven hebben. Dat deed hij in 'De vrouwen', waarin hij het sektarische kringetje rond de architect Frank Lloyd Wright cartografeerde, en ook in 'Na de barbarij', over een stelletje elkaar bestrijdende natuuractivisten.

In 'San Miguel' lezen we opnieuw over geïsoleerde groepjes mensen, letterlijk geïsoleerd omdat ze zonder medebewoners het kleine eilandje San Miguel, voor de kust van Californië, bewonen. Hun isolement symboliseert zonder al te grote nadruk maar toch onontkoombaar de existentiële eenzaamheid van de premoderne mens.

De roman valt uiteen in twee delen. Het eerste gaat over de familie Waters, die rond 1900 op het schapeneiland San Miguel gaat pionieren. Het verhaal wordt beschreven vanuit het perspectief van moeder en dochter en het is eigenlijk een verslag van een moeizame poging tot emancipatie. Moeder Marantha is nog een trouwe, liefhebbende echtgenote, maar je voelt dat ze zonder te morren lijdt onder de paternalistische driftaanvallen van haar brute echtgenoot Will. Dochter Edith oogt al wat moderner, ze probeert van het eiland weg te raken om danseres of zangeres op het vasteland te worden, maar Will frustreert haar pogingen voortdurend. Pas aan het eind van hun episode slaagt ze in haar ambitie, maar over het vervolg van haar carrière horen we alleen nog uit de tweede hand.

De geschiedenis van deze familie Waters, beschreven in de objectieve, enigszins kuise stijl van Boyle, geeft een indringend beeld van een somber en worstelend tijdperk. Vooral de wijze waarop de tuberculeuze Marantha zich probeert neer te leggen bij het primitieve pioniersbestaan is hartverscheurend.

Je ziet dat ze vastzit in een cocon maar er toch het beste van probeert te maken, met een volkomen trouw aan haar man, ondanks "de vloerkleedloze slaapkamer die ze met Will zou delen, naar het trieste hemelbed met de vuile gordijnen en de sprei die niet naar haar man rook maar naar schapen - alleen, onontkoombaar naar schapen".

Boyle heeft haar zwijgzame verduren prachtig vastgelegd, Marantha is een vrouwenkarakter dat je niet gauw vergeet.

De opvolgers van de familie Waters, het gezin Lester, treffen we vlak voor de Tweede Wereldoorlog op San Miguel aan. In feite hebben ze geen enkele band met hun voorgangers, die voor hen slechts een vage herinnering zijn, maar ook zij pionieren.

Elise Lester beschrijft hoe ze met man Herbie en kinderen in een nieuw huis trachten te overleven. Zij voelt zich veel meer dan Marantha en Edith thuis op het eiland, dat ze aanvankelijk als een paradijselijke idylle ervaart, maar ook hier slaat allengs de somberheid toe. Man Herbie verwondt zichzelf, zijn gezichtsvermogen neemt af en ten prooi aan existentiële wanhoop pleegt hij ten slotte zelfmoord.

Het gezin blijft op de slotpagina's onthutst achter. Dat lijkt me haast een specialisme van Boyle te zijn. Hij is een meester in wat je zou kunnen noemen de slopende ontwrichting.

Het zijn daarbij de haast onuitsprekelijke tussenmomenten die bij hem vol in beeld komen: "Even stonden ze daar op centimeters afstand van elkaar, man en vrouw, en er hing nog iets in de lucht wat niet uitgesproken was, iets waar ze haar vinger niet op kon leggen. Hij keek haar in de ogen, keek toen omlaag naar het schrijfblok en het moment was weer voorbij."

Magisch en bijna omineus, zoals hij die twee daar neerzet.

'San Miguel' geeft in hoofdzaak twee neerslachtige tijdsbeelden van mensen die er op bescheiden wijze het beste van proberen te maken en daar niet echt in slagen. Het menselijk drama in een notedop.

Dat de roman in zekere zin over onze ouders en grootouders gaat, net als 'Stoner', betekent ook een soort correctie op het nostalgische beeld dat de huidige cultuur graag van het recente verleden geeft (denk bij ons maar aan televisieseries als 'Moeder, ik wil bij de revue'). Het was een hard, eentonig, nogal illusieloos bestaan.

Na afloop denk je: misschien hebben we het tegenwoordig toch niet zo slecht. Wonderlijk hoe het pakkende pessisimisme van Boyle toch zo'n positieve gedachte oproept.

T.C. Boyle: San Miguel (San Miguel) Uit het Engels vertaald door Gerda Baardman, Tjadine Stheeman en Onno Voorhoeve. Anthos, Amsterdam; 388 blz. euro 15

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden