Niet kapot te krijgen

Het zijn vaak razendsnelle, genadeloze killers. En dat is misschien wel een beetje ons geluk, want als ze zich meer zouden gedragen als een sluwe sluipmoordenaar, waren ze nog veel gevaarlijker. Virussen.

Tweemaal was het raak de afgelopen maanden. In China dook een nieuw, agressief griepvirus op, H7N9. En vanuit het Midden-Oosten probeert het Mers-corona virus de oversprong te maken naar de westerse wereld. Houdt het dan nooit op? En waar blijven de medicijnen?

Vraag één is snel beantwoord. Nee. Eric Snijder, hoogleraar moleculaire virologie in het Leids Universitair Medisch Centrum: "We ontdekken steeds meer virussen. Maar er zijn wereldwijd zeker een miljard verschillende virussen in omloop - waarvan gelukkig maar een fractie bedreigend is voor de mens. Van al die virussen kennen we er nu 2500. Dat zijn bijvoorbeeld de virussen die zijn gaan opvallen door mensen en vee ziek te maken."

Nee, zegt ook Frank van Kuppeveld, hoogleraar moleculaire virologie aan de Universiteit Utrecht, faculteit diergeneeskunde. "Virussen zullen er altijd zijn. Ze veranderen voortdurend, ze passen zich aan zodat ze aan virusremmers ontsnappen. We zullen ze nooit uitbannen."

Nieuwe ziekmakende virussen zijn doorgaans afkomstig uit het dierenrijk. Af en toe springt er eentje over op de mens en dat zal blijven gebeuren. En dan maar hopen dat zo'n virus niet 'the next big one' is, de gevreesde volgende klapper. Geluk bij een ongeluk: hoe gevaarlijk een virus ook kan zijn, meestal is het niet goed in staat om van mens op mens over te springen. Kan het dat wel, dan effent dat het pad voor wereldwijde epidemieën zoals de Spaanse griep (1918), of sinds de jaren tachtig aids.

Het hiv-virus kan tegenwoordig redelijk onder de duim worden gehouden met de virusremmers die sinds de jaren tachtig werden ontwikkeld. Tegen hepatitis-C is ook het nodige op komst en dat belooft veel. Dan zijn er nog wat griepremmers waar niet iedereen onverdeeld enthousiast over is, de algemenere virusverzwakker Ribavirine, en middelen tegen het herpesvirus, onder meer bekend van de koortslip. Dat is de - eigenlijk best schrale - oogst van de laatste dertig jaar.

Wat maakt de aanpak van virussen zo lastig?
Waar te beginnen? Virussen zijn voortdurend in verandering, dat is de aard van het beestje. Ze kopiëren zichzelf aan de lopende band, te beginnen met hun eigen erfelijke materiaal, en laten daarbij vele steekjes vallen. Dat klinkt slordig maar is juist heel nuttig, vanuit het virus bezien. Sommige gemuteerde virussen zijn net wat beter in staat om te ontsnappen aan het menselijke immuunsysteem. Of ze trekken zich niets meer aan van de antivirale middelen die hun gastheer slikt. Zie het als een survival of the fittest, die bijvoorbeeld verklaart waarom de jaarlijkse griepprik steeds weer net ietsje anders moet zijn dan de vorige.

Een mogelijk voordeel van deze natuurlijke selectie is dat virussen gaandeweg wat minder agressief worden, speculeert Van Kuppeveld. Ze schieten er immers niet zoveel mee op als hun menselijke gastheer snel overlijdt. Deze theorie zou verklaren waarom het levensgevaarlijke Ebolavirus nooit op grote schaal voet aan de grond heeft gekregen: als het wat minder een genadeloze killer was, en meer een sluwe sluipmoordenaar, zou het virus veel gevaarlijker zijn.

Nog zoiets lastigs: veel virussen gaan erg snel te werk. Binnen een paar dagen maken ze mensen zwaar ziek, ten gevolge van de virusinfectie raken patiënten verzwakt. Daardoor slaan vaak ook bacteriën hun slag, en die zijn ongevoelig voor wat voor virusremmer dan ook. Snijder: "De kans dat je met medicijnen een acute virusinfectie werkelijk gunstig kunt beïnvloeden, is dus niet groot. Je moet dan supersnel vaststellen wat de ziekteverwekker is en vervolgens onmiddellijk middelen slikken, in de hoop dat het nog verschil maakt."

Of, zoals Van Kuppeveld het verwoordt: als je weet dat je zo'n snel virus hebt opgelopen, is het alweer aan het verdwijnen. Met dank aan het menselijke afweersysteem, tot op heden met afstand de beste virusbestrijder.

Farmaceutische bedrijven zijn dus helemaal niet zo happig op het ontwikkelen van virusremmers, zelfs niet van veelvoorkomende virussen. Bovendien, lang niet alle virussen zijn blijvertjes, en de ontwikkeling van een nieuw geneesmiddel kost al snel tien tot vijftien jaar. Sars maakte tien jaar geleden een overrompelend debuut maar is al lang weer van het wereldtoneel verdwenen. Farmaceuten zullen zich in de handen wrijven dat ze daar hun geld niet op hebben gezet.

Dat deden ze wel voor hiv en het hepatitis-C-virus, niet toevallig virussen met een lange aanlooptijd voor ze hun vernietigende werk doen. Dat geeft behandelaars tijd voor diagnostiek, in een stadium dat medicijnen nog nut hebben en mogelijk lang zullen worden voorgeschreven: gunstige omstandigheden, vanuit de farmaceutische industrie geredeneerd. "En het helpt als een virus een groot probleem is in de westerse wereld", zegt Snijder nuchter.

Wat doen virusremmers?
Eigenlijk bijna allemaal hetzelfde. Virussen hebben maar één doel en dat is zichzelf vermenigvuldigen. Daarvoor hebben ze enzymen nodig. Virusremmers blokkeren die enzymen. De traditionele manier om virusremmers te vinden is uitproberen: gewoon tienduizenden moleculen op geïnfecteerde cellen loslaten en kijken welke stofjes iets doen tegen het virus - en intussen niet schadelijk zijn voor gezonde menselijke gastheercellen. Wetenschappers kunnen vervolgens verder knutselen aan veelbelovende moleculen. Van de weinige moleculen die de testfase op mensen halen, komt uiteindelijk maar een fractie op de markt.

Nieuwer is het gebruikmaken van de driedimensionale moleculaire structuur van het enzym. Aan de hand daarvan kunnen nieuwe moleculen worden ontworpen die als legostukjes passen op de actieve stukjes van het enzym, en het op die manier blokkeren. Eerst in de computer, pas daarna in het laboratorium. "Heel veelbelovend", zegt hoogleraar Van Kuppeveld.

Maar het afremmen van een virus is niet hetzelfde als het definitief opruimen uit het lichaam. Het hiv-virus is een goed voorbeeld. Het zit een beetje gek in elkaar: buiten de menselijke cel is het een zogeheten RNA-virus. Die aanduiding zegt iets over de chemische opbouw van het erfelijke materiaal. In de cel gaat het RNA van het hiv-virus over in viraal DNA, en dat nestelt zich stevig in het menselijke DNA. "Daarom krijg je het virus niet echt weg, ondanks effectieve virusremmers", legt Snijder uit. "Tenzij je manieren ontwikkelt om de zieke cellen eruit te pikken en selectief op te ruimen. Maar die zijn er nog niet."

En ook het hiv-virus verandert voortdurend van gedaante, zodat het gemakkelijk ontsnapt aan antivirale middelen. Daarom had de eerste aidsremmer, AZT, maar kortstondig succes. De behandeltruc is sinds de jaren negentig een cocktail van verschillende virusremmers. Die maken hun naam goed waar - ze weten het virus stevig te onderdrukken - maar het blijft in het lichaam aanwezig. Dat betekent voorlopig nog levenslang pillen slikken.

Valt elk virus op soortgelijke wijze onder de duim te krijgen?
Het succes van de strijd tegen hiv heeft wetenschappers goed gedaan, zegt Van Kuppeveld. "Het heeft het optimisme gesterkt dat we niet machteloos tegenover virussen staan, zelfs als die zo snel muteren."

Van Kuppeveld en Snijder zitten samen in een Europees netwerk dat middelen wil ontwikkelen tegen virussen die nu nog grotendeels door de farmaceutische industrie worden overgeslagen: dengue (knokkelkoorts), chikungunya, enterovirus 71. Relatief onbekende namen in de westerse wereld. Maar dat kan veranderen, zegt Van Kuppeveld. "Dan moeten we voorbereid zijn."

Maar hij bevestigt: academici kunnen al het wetenschappelijke voorwerk doen wat ze willen, als de farmaceutische industrie daar vervolgens niet mee aan de slag gaat, komen die nieuwe middelen er niet.

Menselijke cellen die acht uur eerder zijn geïnfecteerd met het Mers-coronavirus. De afbeelding is gemaakt met een speciale microscoop, en met fluorescente stoffen die zich hechten aan specifieke moleculen. Het menselijke DNA is daardoor blauw gekleurd. Groen toont de plaatsen waar het erfelijke materiaal van het virus wordt vermenigvuldigd, rood de eiwitmoleculen voor nieuwe virusdeeltjes.

En dan moet het beestje nog een naam hebben
Een nieuw virus geeft altijd veel gedoe. Natuurlijk gaan wetenschappers hard op zoek naar de bron, en proberen ze verdere verspreiding te voorkomen voor het tot grote ziekte-uitbraken komt, of zelfs een heuse pandemie. Maar er zijn meer zaken waarover ze zich druk maken. Zoals de naam van het beestje.

Sars is een mooi voorbeeld. Het virus dook voor het eerst op in China, tien jaar geleden. De heftige longontsteking had dus best 'Chinese griep' genoemd kunnen worden. Zo ging dat vroeger wel vaker, zoals bij het Marburgvirus en de Hongkonggriep.

Maar dergelijke geografische aanduidingen vallen niet altijd lekker in de landen die aldus in het zonnetje worden gezet. Slechte reclame en slecht voor de handel. Het werd dus, heel neutraal, Severe Acute Respiratory Syndrome, kortweg Sars.

Een paar jaar later glipte de naam Mexicaanse griep er toch doorheen. Aanvankelijk leek het af te koersen op varkensgriep, en de officiële benaming is eigenlijk 'nieuwe influenza A (H1N1), maar Mexicaanse griep bekt toch een stuk lekkerder.

En dan nu een virus dat vorige zomer opdook in een ziekenhuis in Saoedi-Arabië. Die landsnaam viel af, om begrijpelijke redenen. De Rotterdamse onderzoekers die het virus moleculair uiteenrafelden, kozen een naam waarin hun eigen naam tot uitdrukking kwam: HCoV-EMC, voluit 'humaan coronavirus Erasmus Medisch Centrum'. De Wereldgezondheidsorganisatie hield het simpeler: NCoV, ofwel 'nieuw coronavirus'. Maar blijvertjes waren dat duidelijk niet.

Gelukkig bestaat er een internationale commissie voor de naamgeving van virussen, de International Committee on Taxonomy of Viruses. Daaronder hangt zelfs een werkgroep die zich speciaal richt op indeling en naamgeving van coronavirussen. Deze werkgroep heeft voorlopig het laatste woord met een naam waarin toch, zij het in heel globale termen, een geografische verwijzing zit: het Middle East Respiratory Syndrome coronavirus. Zeg maar Mers.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden