Niet informeren, maar opvoeden

De Amerikaanse schrijver Bruce Bawer verhuisde in 1998 naar Europa. Over zijn ervaringen schreef hij een boek (zie kader op pag. 5) waarin hij zich onder meer verbaast over de enorme gelijkgezindheid van de politiek en de media over belangrijke kwesties, met name over de zegeningen van de multiculturele samenleving. ,,Eigenzinnige denkers zijn niet welkom. Degenen die de boel eens willen opschudden, worden buitengesloten.’’ En de kranten denken dat hun lezers de school nog moeten afmaken. ,,Ze doen aan zendingsjournalistiek. Ze hebben een enorm gevoel van morele superioriteit ten opzichte van hun lezers.’’

Hoe langer ik in Europa woonde, hoe duidelijker het werd dat het politieke, het universitaire en het media-establishment een immense controle uitoefende over het nieuws en de opinies die het publiek kreeg voorgeschoteld. De ideologische consensus binnen het West-Europese establishment van politici en journalisten vindt in Amerika zijn gelijke niet. Politiek journalisten in de Verenigde Staten beschouwen de politici van beide partijen als hun natuurlijke vijanden, hoewel ze waarschijnlijk eerder zullen sympathiseren met de Democraten dan met de Republikeinen. Ze zien het als hun taak om de leugens, inconsistenties en hypocrisie van de politici aan de kaak te stellen. Politiek journalisten in Europa zien politici eerder als leden van een beschaafde elite waar zijzelf ook toe behoren en die tot taak heeft de gezamenlijke sociaal-democratische idealen levend te houden. Als Amerikaanse journalisten hun best hebben gedaan hun politici af te schilderen als schurken en onbenullen, dan hebben Europese journalisten evenzeer hun best gedaan om de Europese politici af te schilderen als edele staatslieden of, in de woorden van Tony Judt, als een ’briljante elite’.

De gevestigde orde van West-Europa bestaat uit politici, professoren, journalisten en ambtenaren die meestal rechtstreeks van de universiteit komen. Sommige toekomstige politici worden op de middelbare school al lid van de jongerenafdeling van politieke partijen, die belangrijke kweekvijvers zijn van ambitieuze partijleden. In de meeste landen van West-Europa is het politieke systeem in wezen een privé-club: bij de ’Jonge Liberalen’ of de ’Jonge Socialisten’ leer je welke pakken je moet dragen, waar je moet eten en hoe je vragen over moeilijke kwesties moet ontwijken. Je leert loyaal te zijn aan je medeclubleden en degenen die te veel waarde hechten aan de mening van het gepeupel als ’populistisch’ te verachten. Kortom, je leert je aan te passen. Je leert geen dwarsligger te zijn. Je leert glad en beleefd en ’erudiet’ te zijn. En je leert jezelf te zien, niet als een dienaar van het volk, maar als een van hun meerderen, als hun onderwijzer en beschermer.

Als je dit allemaal goed kunt, kun je zonder veel inspanning als beroepspoliticus door het leven gaan, je kunt verkiezingen winnen en, als dat niet lukt, kun je worden benoemd op hoge posten – onder meer bij de Verenigde Naties en de Europese bureaucratie. En je wordt toegejuicht als ’briljant’ door de andere leden van het establishment aan de universiteit en in de pers, die dezelfde dogma’s onderschrijven en die begrijpen dat het bij hun werk hoort om de macht van het establishment te bewaken en om het publiek te berichten over de genialiteit en visie van hun eigen leiders en de idiotie van de Amerikaanse leiders. Het maakt allemaal deel uit van de erfenis van de lange Europese feodale traditie.

De Amerikaanse politiek zit anders in elkaar. Een Amerikaanse politicus die zijn hele leven al in de politiek zit, is automatisch verdacht. Waarom zou iemand die niet uit de eerste hand weet hoe het is om mensen aan te nemen en te ontslaan, banen te scheppen, een bedrijf te leiden, de macht moeten krijgen om beslissingen te nemen die invloed hebben op dit soort zaken? In West-Europa daarentegen zijn de meesten die de top bereiken al sinds hun jeugd actief in de partijpolitiek. Degenen die royaal beloond worden, zijn dikwijls degenen die de grootste loyaliteit tonen aan de partij en het politieke programma. Eigenzinnige denkers zijn niet welkom. Degenen die de boel eens willen opschudden, worden buitengesloten. Mensen als Ronald Reagan of Arnold Schwarzenegger zouden in een West-Europees land nooit hebben bereikt wat zij in de VS hebben bereikt.1

Amerika heeft twee grote partijen, die allebei een hele serie politieke filosofieën herbergen die niet noodzakelijk goed bij elkaar passen. In de Republikeinse Partij zitten christelijke conservatieven en vrijzinnige zakenlieden, aanhangers van Jackson die voor de oorlog zijn, aanhangers van Buchanan die tegen de oorlog zijn; terwijl in de Democratische Partij mensen zitten van klassiek liberale snit zoals Joe Lieberman, tot radicalen als Michael Moore. In Amerika is een politieke partij een grote tent. Mensen worden niet buitengesloten vanwege meningsverschillen. Het systeem is verre van perfect, maar het biedt ruimte voor afwijkende meningen, voor organische groei, voor frisse en zelfs schokkende ideeën.

Het partijenstelsel in West-Europa is anders. De meeste nationale regeringen zijn coalities van twee of meer partijen. Met uitzondering van Groot-Brittannië corresponderen de twee uitersten van het West-Europese spectrum niet met de Democraten aan de ene en de Republikeinen aan de andere kant, maar eerder met, laten we zeggen, de hoofdstroom en de radicale vleugel van de Democraten.

Het klinkt allemaal heel politiek divers, en als het om relatief onbelangrijke binnenlandse zaken gaat, ís het ook divers, met een overvloed aan krachtige argumenten over bijvoorbeeld begrotingsvraagstukken. (Terwijl ik dit schrijf is de kop op de website van de Noorse Partij van de Arbeid: ’Moet de psychiatrie meer geld krijgen?’, terwijl de website van de Noorse Conservatieve Partij lovend is over het loslaten van de vaste boekenprijs.) Maar bij belangrijke politiek-filosofische vraagstukken verschrompelen de verschillen. Hoewel de ’linkse’ partijen trots en openlijk sociaal-democratisch zijn, terwijl de ’rechtse’ partijen dat niet zijn, betwisten de grote partijen in de praktijk zelden of nooit het sociaal-democratische geloof in een geleide economie en in een herverdeling van inkomens – een systeem waarvan schoolkinderen geleerd krijgen dat het een perfecte balans is tussen het Amerikaanse kapitalisme en het sovjet-communisme.

Volgens veel Europese regeringen is er nauwelijks een grens aan de taken van de overheid. Zo heeft Noorwegen een minister van cultuur en kerkelijke zaken, Duitsland een minister van gezinszaken en vrouwen, en Denemarken een minister voor seksegelijkheid. Europese overheden vinden het vanzelfsprekend dat de staat de macht en de plicht heeft om met een buitengewoon opdringerig pakket van verboden, belastingen en subsidies, vorm te geven aan de persoonlijke keuzes van burgers. De Noorse overheid gelooft bijvoorbeeld dat auto’s en alcohol slecht zijn, en daarom worden die zeer zwaar belast. Kranten en moskeeën vindt ze juist goed, en die worden dan ook royaal gesubsidieerd.

Terwijl de grote partijen kibbelen over budgettaire kwesties, trekken ze bij sommige vraagstukken één lijn – ook tegenover een meerderheid van de bevolking. Neem de doodstraf. De bijna universeel geaccepteerde fictie is dat Europeanen walgen van Amerika vanwege de doodstraf; in werkelijkheid zouden veel Europeanen – uit sommige enquêtes blijkt zelfs een meerderheid – ook graag de doodstraf invoeren. Het probleem is dat geen enkele grote partij dit zal ondersteunen.

Hetzelfde patroon is lang zichtbaar geweest bij de problemen van immigratie en integratie. Terwijl gewone Europeanen zich al jaren steeds grotere zorgen maakten over deze kwesties, voorkwamen de grote partijen – in samenwerking met de media en de universiteit – met succes dat er een openbaar debat over werd gevoerd. Vrijwel iedereen die het debat probeerde te openen, werd gehekeld, verdacht gemaakt en belasterd. De topdown organisatie van de grote partijen hield de politici in het gareel; de gelijkgestemde bobo’s van de nieuwsdiensten (veel ervan eigendom van de staat of gesubsidieerd) zorgden ervoor dat onorthodoxe meningen niet te horen waren op radio en tv en niet te lezen in de kranten. Er zijn wel onafhankelijke denkers, en als je goed genoeg zoekt, kun je hun denkbeelden ook wel vinden in een toevallig krantenartikel, en steeds meer op internet. Maar dergelijke onorthodoxe ideeën worden over het algemeen met succes uit de gewone media gehouden.

Toen ik net naar Noorwegen was verhuisd, hoorde ik dat een toenemend percentage Noren drie of meer kranten per dag kocht. Daar had ik ontzag voor. Wat waren ze anders dan Amerikanen! Zo nieuwsgierig naar de wereld! Zo goed geïnformeerd! Langzamerhand werd mijn enthousiasme getemperd. Ik zag dat Oslo wel verschillende kranten had, maar dat veel belangrijk nieuws op een of andere manier die kranten nooit haalde en dat een breed scala aan meningen nauwelijks aan bod kwam op de opiniepagina’s. Naar Amerikaanse maatstaven was de ideologische verscheidenheid van de kranten nogal smal – van het ene linkse uiteinde naar het andere. Hetzelfde gold voor de nieuwsprogramma’s op tv. De grootste zender, de NRK, is van de overheid. Over belangrijke zaken waren de media het in essentie allemaal eens. Joden? De holocaust was fout, maar Israël gebruikte die nu als rechtvaardiging om de Palestijnen te vervolgen en de ’geweldsspiraal’ in stand te houden. Het Amerikaanse economische systeem? Wreed onrechtvaardig, punt uit.

De Zweedse wetenschapper Johan Norberg vindt de consensus van het sociaal-democratische establishment zo’n duidelijk kenmerk van de West-Europese samenleving dat hij die een naam gegeven heeft: de ’één-idee-staat’. Norberg merkt op dat de ’macht van de sociaal-democraten over ons denken, over onze overheidsinstanties, universiteiten en media, een zodanig proces van aanpassing op gang brengt, zelfs van tegenstanders, dat individualisten en vernieuwers worden buitengesloten’. Zo is het. Toen ik in Noorwegen woonde, zag ik dat de media een nauwkeurig geselecteerd – en streng uitgebalanceerd en zeer kunstmatig op smaak gebracht – dieet van dagelijks nieuws serveren. Toch leek niemand zich dat te realiseren. Dat kwam onder meer doordat diezelfde media hun consumenten constant vertelden dat ze een buitengewoon rijk aanbod aan ruimdenkende verslagen en opinies voorgeschoteld kregen – in tegenstelling tot de Amerikanen, wier media, daar waren ze van overtuigd, alleen maar in dienst stonden van het Witte Huis.

In 2004 volgde ik wekenlang online de Soedan-crisis voordat ik er iets van terugvond in de Noorse media. Hetzelfde gold voor het VN-schandaal rond het ’olie-voor-voedselprogramma’. Ik had online genoeg gelezen dat secretaris-generaal Kofi Annan in een kwaad daglicht stelde, maar in al die weken verscheen er enkel een klein berichtje in de Aftenposten. In de zomer van 2004 lukte het me (dankzij een ondeugende, tijdelijke redacteur die de boel eens wilde opschudden) een ingezonden stuk in het Dagbladet geplaatst te krijgen waarin ik opmerkte dat de Noorse media, terwijl ze geobsedeerd waren door Aboe Ghraib (omdat dat de Verenigde Staten in een kwaad daglicht plaatste), het hele ’olie-voor-voedselschandaal’ totaal onbesproken lieten (omdat dat de Verenigde Naties in een kwaad daglicht stelde). En kijk aan, enkele dagen later stond er een paginagroot artikel in het Dagbladet over het olie-voor-voedselschandaal – waaruit je de indruk kreeg dat in deze zaak niet de Verenigde Naties, maar de Verenigde Staten vuile handen hadden gemaakt.

Het Amerikaanse equivalent van het West-Europese establishment, dat soms de ’liberale elite’ genoemd wordt of het ’oostelijke establishment’, heeft een aanzienlijke macht aan veel universiteiten, in de filmstudio’s van Hollywood, bij de New York Times en de Washington Post en bij de nieuwsafdelingen van de televisienetwerken. Maar de invloed van deze elite in Amerika is kleiner dan die van zijn West-Europese tegenhanger. Want hoewel ze enkele machtige instituten beheerst, is ze niet monolithisch. Geen enkel nieuwskanaal in de Verenigde Staten is immers populairder dan het conservatieve Fox News, en geen enkele krant heeft meer prestige dan de conservatieve Wall Street Journal. Als Amerikaanse liberalen de New York Times en de Washington Post hebben, dan hebben de conservatieven de Washinghton Times en de New York Post. Zelfs bij de New York Times lopen conservatieve columnisten rond en vrij regelmatig staan er ingezonden stukken van conservatieven in; artikelen van verslaggevers gaan regelmatig lijnrecht in tegen de hoofdcommentaren, bewust of niet.

De Amerikaanse opiniebladen strekken zich uit van de National Review en de Weekly Standard ter rechterzijde tot de Nation en Mother Jones ter linkerzijde (met de New Republic ergens in het midden). De nieuwszenders gaan van Fox News tot CNN, en de radio reikt van Rush Limbaugh tot NPR. Tientallen televisieprogramma’s en belprogramma’s op de radio brengen stevige debatten en gespierde woordenwisselingen tussen aanhangers van beide uitersten van het politieke spectrum. Ten slotte zijn er ook nog de weblogs op internet, waar elke politieke kleur vertegenwoordigd is en die in het begin obscuur waren, maar nu een invloedrijke positie kunnen hebben. Nog niet zo lang geleden zou je hebben kunnen zeggen dat de progressieve Amerikaanse media belangrijke politieke kwesties in de doofpot kunnen stoppen of juist over het voetlicht kunnen brengen. Maar tegenwoordig zijn er Fox, Limbaugh en tal van weblogs die het verhaal rechtzetten of hun eigen verhaal ertegenover stellen.

Je moet in West-Europa een regelmatige mediaconsument zijn, wil je begrijpen hoe enorm het verschil is tussen de Verenigde Staten en Europa. De Europese media kunnen verbazingwekkend vasthoudend en ongenuanceerd zijn in de geringschattende manier waarmee ze spreken over Amerika en Israël, in het idealiseren van de VN en de EU, en in het goedpraten van de fundamentalistische islam. En dat terwijl genuanceerdheid juist in Europa zo hoog staat aangeschreven. Noorwegen is waarschijnlijk min of meer representatief: een enquête uit 2003 liet zien dat niet minder dan 69 procent van de Noorse journalisten zichzelf socialist noemt, vergeleken met 43 procent van de gewone bevolking; de ’populistische’ Vooruitgangspartij, de enige grote partij die werkelijk een uitdaging is voor het gedachtegoed van de gevestigde orde, werd gesteund door 22,5 procent van de Noren, maar door slechts 3 procent van de journalisten – en ik wed dat die 3 procent waarschijnlijk geen commentaren schreef in landelijke dagbladen over internationale kwesties, maar stukken over toneel en het sporttoernooi in het plaatselijke sufferdje.2

Journalistieke diversiteit in Europa is grotendeels een illusie. In Denemarken zal de Jyllands-Posten waarschijnlijk eerder sympathiek tegenover Amerika staan of eerlijk zijn over integratie dan bijvoorbeeld de Politiken. Dezelfde minimale verschillen bestaan in Frankrijk tussen Le Figaro en Le Monde, in Spanje tussen El Mundo en La Vanguardia, in Zweden tussen Expressen en Dagens Nyheter, in Nederland tussen De Telegraaf en de Volkskrant en in Duitsland tussen Die Welt en de Frankfurter Allgemeine. De verschillen worden echter makkelijk overdreven. In Noorwegen zal men je vertellen dat de Aftenposten conservatief is, VG in het centrum staat en het Dagbladet links is, Dagsavisen zelfs nog linkser is en Klassekampen communistisch. Maar de verschillen zijn beduidend geringer dan deze indeling doet vermoeden.3 (Wel hebben de afgelopen twee jaar enkele ’conservatieve’ kranten op niet eerder vertoonde wijze afstand gedaan van hun politiek correctheid, ofwel door hun eigen positieve denkbeelden over immigratie en integratie, islam en terrorisme bij te stellen, ofwel door op z’n minst plaats in te ruimen voor andere meningen over deze vraagstukken.) Het enige West-Europese land waar de journalistiek op die van Amerika lijkt, is Groot-Brittannië, waar opvallende verschillen bestaan tussen de Guardian en de Independent links, en de Times en de Telegraph rechts.

Hoewel er weinig journalistieke diversiteit is in West-Europa, wordt er veel over gesproken – en er wordt een hoop belastinggeld aan gespendeerd om die (zogenaamd) veilig te stellen. (Zoals de Noorse premier Jens Stoltenberg zegt, is journalistieke diversiteit ’te belangrijk om aan de markt over te laten’.) Afgezien van het beheren van twee televisiestations en de meeste radiostations, subsidieert de Noorse overheid enkele belangrijke dagbladen, naar verluidt om de diversiteit te waarborgen – een breuk met de onafhankelijkheid van de media, die in Amerika ondenkbaar zou zijn.4 Ondanks deze forse investering uit de publieke middelen doorbreken de Noorse media zelden hun vaste patronen als het om belangrijke vraagstukken gaat. Redactionele commentaren zijn altijd voorspelbaar, en de internationale verslaggeving is schaamteloos ideologisch in haar zienswijze en in de selectie van gebeurtenissen.

In de Verenigde Staten schrijven de meest uiteenlopende mensen ingezonden stukken. Toen ik begin twintig was en nog studeerde, schreef ik ze voor grote kranten; talloze anderen die niet de juiste papieren hadden, maar wel iets te zeggen, konden hun stem op deze pagina’s laten horen. Dit is betrekkelijk ongewoon in West-Europa, waar opiniestukken over belangrijke kwesties in de clichés van de gevestigde orde blijven hangen. In Noorse kranten worden opiniestukken niet geschreven om nieuwe ideeën voor het debat aan te dragen, maar om de massa eraan te herinneren wat ze moet denken. Hetzelfde geldt voor de meeste nieuwsartikelen, die stelselmatig het nieuws brengen vanuit het perspectief van de sociaal-democratische orthodoxie, waarbij kritiek op die orthodoxie achterwege wordt gelaten of onjuist wordt weergegeven – en stelselmatig plaatsen ze de Verenigde Staten in een kwaad daglicht. De meeste Noren zijn er zo aan gewend alle belangrijke kwesties en gebeurtenissen (zoals de oorlog in Irak) vanuit één gezichtspunt voorgeschoteld te krijgen, dat ze zich er helemaal niet van bewust zijn dat er ook nog een ander intelligent gezichtspunt bestaat.

Met Zweden is het nog treuriger gesteld. De enige keer dat ik tijdens de aanloop naar de invasie van Irak in de Scandinavische media correct verwoorde argumenten vóór de oorlog hoorde, was in het praatprogramma Oprah, uitgezonden door het Zweedse TV4. Het was niet echt een verrassing dat een Zweedse overheidsinstantie TV4 later censureerde omdat het programma de officiële mediarichtlijnen zou hebben overtreden. In feite had het praatprogramma, waar zowel voor- als tegenstanders van de oorlog aan deelnamen, de autoriteiten voor schut gezet door de Zweedse kijkers bloot te stellen aan iets waar hun media hen juist van afschermden: een krachtige verwoording van het standpunt om Irak binnen te vallen.

Desondanks wordt de West-Europeanen regelmatig door hun media verteld dat Amerikanen selectief en onzuiver nieuws voorgeschoteld krijgen.

Tijdens een etentje beschuldigde de tegendraadse Deense journalist Lars Hedegaard zijn collega’s van arrogantie: ,,Ze beschouwen het niet als hun taak mensen in te lichten over wat er gaande is. Ze willen opvoeden. Ze denken dat hun lezers de school nog moeten afmaken. Ze doen aan zendingsjournalistiek. Ze hebben een enorm gevoel van morele superioriteit ten opzichte van hun lezers.’’ Deze houding is vanzelfsprekend ook bekend bij het establishment van de Amerikaanse media. Het cruciale verschil is de houding van de gewone burgers. Europeanen, hoewel niet noodzakelijk beïnvloed door de pers, tonen er uit gewoonte respect voor, terwijl de meeste Amerikanen journalisten (en professoren en ook politici) met scepsis, of zelfs met minachting bekijken. Amerikanen kunnen niet goed tegen pretenties en je beter voordoen dan je bent; maar we hebben veel respect voor mensen met ideeën, kennis en vaardigheden die van praktische waarde zijn, en we hebben weinig geduld met mensen die gezien willen worden als autoriteit, alleen maar omdat ze met jargon kunnen smijten of in een of ander onderwerp geschoold zijn. Amerikanen hebben veel meer achting voor het gezonde verstand dan voor ideologie. Amerikanen bekommeren zich om wat werkt, niet om wat goed of indrukwekkend klinkt, en zijn niet onder de indruk als er enkel met geloofsbrieven wordt geschermd. En Amerikanen hebben een diepgeworteld geloof in de menselijke kwaliteiten – wat zich uit in respect voor het vermogen zelf beslissingen te nemen over je eigen leven, en een afkeer van iedereen die hen bij de hand wil nemen en beweert slimmer te zijn dan zij.

Europeanen volgen daarentegen al eeuwenlang bevelen op en zijn al eeuwenlang gehoorzaam aan het gezag. Omdat ze in landen wonen die, in vergelijking met Amerika, etnisch gezien zeer homogeen zijn, conformeren ze zich sneller. De media spelen hierin een sleutelrol. Terwijl de Amerikaanse media bijna als vanzelf de neiging hebben een kritische positie in te nemen jegens politieke leiders, zijn de West-Europese media, in een verbazingwekkend hoge mate, een instrument van de overheid. Misschien is het niet verbazend dat de tv- en radionieuwsdiensten van de overheid een wereldbeeld bieden dat de leidende ideologie van de overheid weerspiegelt; maar de meeste West-Europese mediaorganen die niet door de staat beheerd worden, doen feitelijk niet anders.

Sinds 11 september hebben we veel gehoord over wat ’Europa denkt’. Maar weten we werkelijk wat er gedacht wordt – door de gewone Europeanen, bedoel ik? De meeste denkbeelden die gewoonlijk aan Europeanen worden toegeschreven, zijn in wezen die van journalisten, politici, ambtenaren en professoren die deel uitmaken van het Europese establishment. Natuurlijk zijn de Europeanen opgegroeid met de gezichtspunten van de gevestigde orde en hebben ze geleerd zich naar de wijsheid van die gevestigde orde te richten. De Franse schrijver Jean François Revel merkte op dat zijn landgenoten ’de wijsheid van hun sociale milieus napraten’, terwijl Amerikanen hun eigen visie ontwikkelen. ,,Te veel Europeanen’’, zegt Tibor R. Machan, ,,geloven dat de overheid het hoofd van het gezin is’’. Het is bovendien voor jonge mensen in Europa minder gewoon dan voor jonge mensen in Amerika om kritisch na te denken over hun geschiedenis. Leif Knudsen herinnert zich dat toen hij op de middelbare school in Noorwegen zat, het onderwijsaanbod bestond uit ’het leren van de gezaghebbende interpretatie van historische gebeurtenissen in plaats van de kritische interpretatie’. Zo wordt het aanvaarden van gevestigde standpunten van generatie op generatie doorgegeven.

Volgens mij resulteert de gewoonte om de opinie van het establishment te respecteren, in een vreemdsoortig ideologisch dualisme. Veel individuen zullen beroepsmatig de opinie van de elite verwoorden, maar tref je ze alleen in een kroeg met een glas bier, dan hebben ze een visie die botst met die van de elite. Dit wordt niet als hypocriet of inconsistent gezien: in Europa kan een onorthodoxe mening iemand op een onbewaakt moment ontsnappen, maar de ’officiële’ mening van zo iemand is anders.5

In 1981 zei Einar Forde, een leider van de Arbeiderspartij (en later directeur van de NRK): ,,We zijn allemaal sociaal-democraten.’’ Het was toen niet waar, en het is nu nog minder waar (sociaal- democratische partijen, die eens hun kracht van de arbeiders kregen, zijn tegenwoordig grotendeels het terrein van de bureaucraten van de verzorgingsstaat), en in elk geval was hij niet degene die dat zou moeten zeggen. Weinigen trokken zich er echter iets van aan. De decennia na de Tweede Wereldoorlog waren voor West-Europa een tijd van vrede en voorspoed, en veel Europeanen vonden het best dat de elite de zaken regelde zoals ze wilde. Maar tegenwoordig is de sociale harmonie van Europa steeds meer aan het afbrokkelen en komt de welvaart in gevaar door de krimpende bevolking en een groeiende allochtone bevolking die miljarden aan uitkeringen kost. Wanneer deze situatie verergert, zal de massa zich in steeds grotere aantallen tegen haar leiders verzetten. Het gevaar bestaat dat door zo lang in de ban te zijn geweest van de sociaal-democratie en maar weinig te begrijpen van de Amerikaanse liberale democratie (waar ze anders profijt van hadden kunnen trekken door die te imiteren), ze een grote zwaai naar rechts zullen maken. Dit is al aan de gang in sommige landen. Het vooruitzicht is niet fraai.

Bruce Bawer

Noten

1.De uitzondering op de regel was Silvio Berlusconi, die naast minister-president van Italië ook een zakenmagnaat was. Voor een deel omdat hij een succesvolle kapitalist was, en voor een deel omdat hij een sterke bondgenoot van Amerika was, behandelden de Europese media hem met volslagen minachting, en elke keer dat zijn naam wordt genoemd, gaat dat vergezeld met een herinnering aan zijn financiële schandalen; daarentegen vind je in Europese verslagen over Jacques Chirac nooit een verwijzing naar financiële onregelmatigheden die zijn reputatie schaadden.

2. In Noorwegen is er weinig politieke diversiteit onder journalisten, onder andere omdat de meesten hun studie journalistiek hebben gevolgd aan de Volda, waar het lerarenkorps voornamelijk bestaat uit oud-leden van de maoïstische AKP (Communistische Arbeiders Partij), die tevens pro-Rode Khmer was. De enige Noorse professor in de journalistiek op universitair niveau, Sigurd Allern van de universiteit van Oslo, was ooit zelf leider van de AKP.

3. De carrière van Hilde Haugsjerd, bijvoorbeeld: eerst redacteur bij Klassekampen, later hoofdredacteur van Dagsavisen en nu redacteur van Aftenposten.

4. In Zweden krijgen dagbladen meer dan 500 miljoen kronen subsidie per jaar (ongeveer 54 miljoen euro).

5. Ik had deze alinea al geschreven toen ik op een opmerking van Frank Martin stuitte. ,,Er zijn twee Europeanen’’, merkte Martin op. ,,De ’openbare Europeaan’ en de ’privé-Europeaan’. In het openbaar haten ze George W. Bush van ganser harte. Maar later in de kroeg, ongeveer bij het tweede biertje, zijn ze allemaal vol bewondering voor de man.’’

Dit is een bewerkte versie van de pagina’s 61-75 uit Bruce Bawer’s boek ’Terwijl Europa sliep’.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden