Niet elke moord in Algerije is het werk van fundamentalisten

De auteur is historicus.

GERBERT VAN DER AA

Sinds fundamentalistische verzetsgroepen in 1992 een gewapende strijd startten tegen de Algerijnse regering, heeft vooral de zeer radicale GIA talloze burgers vermoord. Communiqués waarin deze moordpartijen worden opgeëist, arriveren met een zekere regelmaat op de redacties van buitenlandse kranten en tijdschriften. Meestal gaat het om moorden op mensen die voor de Algerijnse overheid werken en hun familieleden.

Minder bekend is dat ook het Algerijnse leger zich schuldig maakt aan moordpartijen op onschuldige burgers. Vooral familieleden van mensen die actief zijn in het fundamentalistisch verzet zijn hiervan het slachtoffer. Salima Ghezali, directrice van het onafhankelijke Algerijnse weekblad La Nation, dat zowel het geweld van de fundamentalisten als dat van de regering aan de kaak probeert te stellen, vestigde hier al in 1995 de aandacht op. Ook het in november vorig jaar verschenen rapport Algeria: Fear and Silence. A Hidden human rights crisis van Amnesty International beval talloze voorbeelden van brute moordpartijen op de burgerbevolking door leger en politie. Naar schatting komen op deze manier evenveel mensen om het leven als door acties van het fundamentalistisch verzet.

Dat we hierover in Nederlandse kranten nauwelijks iets lezen, komt doordat de Algerijnse overheid de berichtgeving over slachtpartijen door leger en politie consequent censureert. Algerijnse kranten en tijdschriften die er wel over schrijven, worden in beslag genomen of verboden of krijgen weinig papier. Ook zich onafhankelijk noemende kranten zijn daardoor in de praktijk een spreekbuis van het regime als het over het geweld in Algerije gaat.

Slechts journalisten die in hun artikelen de officiële regeringsstandpunten verkondigen komen in aanmerking voor politiebescherming. De rest moet zelf maar zien hoe ze mogelijke aanslagen ontloopt. Buitenlandse journalisten en vertegenwoordigers van mensenrechtenorganisaties die Algerije bezoeken, kampen met dezelfde problemen. Ze hebben nauwelijks bewegingsvrijheid en worden scherp in de gaten gehouden door de veiligheidsdienst. Journalisten en leden van mensenrechtenorganisaties die stukken publiceerden die de regering niet bevielen, krijgen geen visa meer.

Daarnaast zijn er aanwijzingen dat de Algerijnse overheid sommige van de door haar gepleegde moorden bewust probeert toe te schrijven aan het fundamentalistisch verzet. Omar Belhouchet, directeur van de onafhankelijke Algerijnse krant El-Watan, die inmiddels is veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf, suggereerde eind 1995 voor de Franse televisie, dat de overheid op die manier lastige journalisten uit de weg ruimt. Een mogelijk voorbeeld was de moord op Hamid Mahiout van de krant Liberté, die volgens zijn collega's op het punt stond een artikel te publiceren over door de regering gecreëerde doodseskaders.

Doordat de Algerijnse autoriteiten de berichtgeving over moordpartijen bewust manipuleren, is het steeds moeilijker om te beoordelen wie de daders zijn. Omdat de situatie zo ondoorzichtig is, doen buitenlandse media er daarom goed aan voorzichtig te zijn met wat ze schrijven. Als een moordpartij niet wordt opgeëist, verdient het aanbeveling om uit te zoeken wat de achtergrond is van de slachtoffers. Trouw schreef op 7 april bijvoorbeeld niet of in het dorp dat werd uitgemoord, familie woonde van leden uit het fundamentalistisch verzet, of dat er vooral familie woonde van mensen in overheidsdienst. Zolang dat niet duidelijk is, is het onterecht om organisaties als de GIA de schuld te geven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden