Niet elke lange baard loopt met een bom

Een oud vrouwtje is niet zo gauw een terrorismeverdachte als een jongeman met een baard. Toch moet Den Haag oppassen dan maar alleen te letten op jonge moslims.

Wie mogelijke terroristen wil opsporen, maakt tegenwoordig gebruik van risicoprofilering. Maar hoe ver kun je daarmee gaan? Je loopt de kans dat je discrimineert, bijvoorbeeld op uiterlijk. Anderzijds heeft het controleren van bejaarde vrouwtjes meestal weinig zin. Aangezien de middelen voor opsporing, controle en beveiliging altijd beperkt zijn, moeten er keuzes gemaakt worden, en die moeten verstandig zijn.

In de Verenigde Staten wordt risicoprofilering op steeds grotere schaal gebruikt. De Amerikaanse veiligheidsdiensten hebben daarvoor een systeem gekocht dat al langer in Las Vegas wordt gebruikt om fraudeurs, wanbetalers en gokverslaafden buiten de deur te houden. Daarmee is het mogelijk verdachten te vinden en relaties tussen mensen bloot te leggen. Mensen die onder valse papieren reizen kunnen daarmee herkend worden, en netwerken van verdachte personen kunnen duidelijk in kaart gebracht worden. Zo bleek dat enkele van de kapers van 11 september hun vliegtickets met dezelfde creditcard gekocht hadden.

Op deze manier zoeken naar terroristen lijkt een stuk doeltreffender dan het controleren van bejaarde vrouwtjes bij de douane of bij een preventieve fouillering. Waarom zouden daarom niet jonge moslims met een grote baard worden aangehouden? Dat gebeurt niet omdat dat discriminatie zou zijn, want niet iedereen die er uitziet alsof hij uit het Midden-Oosten komt, is een terrorist. Het is niet eerlijk dat een Marokkaan veel vaker gefouilleerd wordt dan een Nederlander. Toch is dat in de praktijk meestal wel zo. Mensen met een Arabische naam worden meestal veel vaker gecontroleerd omdat een Arabische naam volgens statistieken een van de factoren is die een hoger risico opleveren. Mensen die aanslagen plegen zijn vaker jong dan oud, ze zijn vaker man dan vrouw en ze hebben vaker een islamitische achtergrond dan een christelijke. Als je deze karakteristieken goed in kaart zou brengen en er goed op zou controleren, kun je veel doelgerichter terroristen opsporen.

Daar zitten natuurlijk grote nadelen aan vast. Om te beginnen werkt een dergelijke selectie stigmatiserend. Verreweg het grootste deel van de jongeren, moslims of mannen met een baard heeft helemaal niets met terrorisme te maken, maar wordt wel in de verdachte hoek gezet. Deze groepen lopen daardoor kans met argusogen bekeken te worden. Daarnaast hebben ze de pech verhoudingsgewijs veel vaker opgehouden te worden bij politiecontroles en preventieve fouillering.

Een tweede nadeel is de foutmarge. Terroristen kunnen immers ook christelijk zijn (IRA) en het hoeft zeker niet altijd om mannen te gaan (Palestijnse vrouwelijke zelfmoordenaars). Behalve dat je met de meeste risicoprofielen allerlei mogelijke daders mist die buiten het profiel vallen, is er ook kans dat je zelfs met een zeer uitgekiend risicoprofiel onschuldigen in de kraag vat. Bovendien kunnen terroristen juist proberen de kenmerken in een risicoprofiel te vermijden. Ze kunnen bijvoorbeeld hun baard afscheren.

Een derde probleem is dat bij het uitlekken van risicofactoren mensen sterker in de groepen gedrukt worden waar ze volgens die profielen bij horen. Door er voortdurend op te wijzen dat terreur afkomstig is uit streng islamitische kring, kan een grotere kloof ontstaan tussen moslims en niet-moslims. Door dergelijke beschuldigingen kunnen groepsgevoelens en solidariteit binnen groepen groter worden, maar in de samenleving als geheel zal het een polariserend effect hebben.

Moeten we vanwege al deze bezwaren daarom maar geen risicoprofielen gebruiken? Gezien de beperkte middelen lijkt dat geen goed idee. We kunnen immers niet iedereen controleren en we kunnen niet elk gebouw, trein of bus beveiligen. We zijn dus wel gedwongen gericht te zoeken en risicoprofielen te gebruiken. Echter, de ministers Donner en Remkes, verantwoordelijk voor terrorismebestrijding, zouden veel meer aandacht moeten hebben voor de genoemde bezwaren. Nu wordt door de roep om stevige maatregelen nauwelijks gelet op die nadelen. Een open discussie over het gebruik van bepaalde karakteristieken kan stigmatisering en polarisatie juist voorkomen. Als je bepaalde groepen vaker controleert, moet je veel meer benadrukken dat er met die groepen niets mis is, maar dat er slechts iets meer rotte appels tussen zitten. Dat kan leiden tot meer medewerking in de vorm van informatieverschaffing, waardoor risicoprofielen ook betrouwbaarder en doeltreffender worden. Niet geheel toevallig wordt op dit moment in de Amerikaanse media een discussie gevoerd over de toelaatbaarheid van uiteenlopende selectiecriteria. Onze terrorismeministers zouden er goed aan doen in Nederland een vergelijkbare open discussie te voeren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden