Niet alles hoeft op de schop

De krimp van het politieke midden heeft het land onregeerbaar gemaakt. Maar sleutelen aan het bestel is geen remedie, vindt Hans Goslinga

Van meerdere kanten klinkt de roep om vernieuwing. Maar wat we echt nodig hebben zijn moedige en kundige leiders

Twintig jaar terug sprak Hans van Mierlo het vermoeden uit dat er onder de burgers een verborgen verlangen leefde naar 'een persoonlijker, directer en emotioneler accent' in hun relatie met de politiek. Hij leidde dat af uit de sterke betrokkenheid van de Nederlanders bij de presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten. Die strijd bood zoveel meer mogelijkheden tot identificatie en zoveel meer ruimte voor directe emoties dan ons 'onpersoonlijke systeem', waarin de macht van een vijftal traditionele partijen zich manifesteerde als 'één grote onbeweeglijke bal in het midden'.

In 'Een krankzinnig avontuur', een bloemlezing met Van Mierlo's beschouwingen, lezen we hoe eind jaren zestig in een smoorheet Washington de chauffeur van zijn taxi in een tirade was uitgebarsten tegen Thomas Jefferson, nadat de airco in zijn auto was uitgevallen. Hoe had die president het in zijn stomme hoofd kunnen halen de hoofdstad in zo'n stinkend, bloedheet moeras te bouwen? Waarom niet honderd kilometer verderop in de Blue Ridge Mountains met hun heerlijke klimaat?

"Ik was behoorlijk onder de indruk", schrijft Van Mierlo "Omdat zijn airco kapot is gegaan, reikt een doodgewone man over 150 jaar heen, grijpt een van de beste presidenten die het land ooit had gekend bij zijn lurven en begint hem uit te schelden, totdat-ie zijn gemoed voldoende heeft gelucht en zich weer kan schikken in zijn lot." Zoveel historisch besef en zoveel identificatie met de wereld van de politiek, met een persoon en een beslissing, Van Mierlo achtte het in Nederland alleen denkbaar na de ontploffing van de oude partijen.

Het leek er allerminst op dat dit stond te gebeuren in 1992, het jaar waarin hij zijn rede hield. CDA, PvdA en VVD beschikten samen nog over 125 van de 150 zetels. De volkspartijen bleken taaier dan Van Mierlo had gedacht toen hij in 1966 met 36 andere 'ongeruste burgers' D66 oprichtte als politiek antwoord op de ontzuiling, ontideologisering en individualisering. Maar nu, bijna een halve eeuw later, lijkt zijn verwachting alsnog uit te komen. De grote bal in het midden is zo sterk gekrompen dat het al tien jaar niet meer lukt een stabiele meerderheidsregering te vormen. Van meer kanten klinkt een roep om vernieuwing van de structuur en de cultuur van het politieke leven. Maar er is een probleem: een alternatief dient zich niet vanzelfsprekend aan.

Het door Van Mierlo bezongen Amerikaanse systeem met zijn directe verkiezingen van bestuurders en referenda roept namelijk net zozeer onvrede op als ons getrapte bestel. Denk maar aan de opkomst van de Tea Party-bewegingen, die vrijwel samenvalt met de doorbraak van populistische protestpartijen in Europa. De bronnen van het onbehagen zijn in grote trekken hetzelfde en dat geldt evenzeer voor het doelwit van de boosheid: de gevestigde politiek die er maar niet in slaagt greep te krijgen op de grote veranderingen in de wereld.

Zolang er steeds meer te verdelen viel, er een gemeenschappelijke vijand huisde in het oosten en het Westen de dominante macht was, functioneerde het systeem van geven en nemen tussen de partijen soepel en was het mogelijk stabiele regeringen te vormen en compromissen in het midden te sluiten. Nu de omstandigheden en het perspectief zijn veranderd, dreigt de boel in Washington, Brussel en Den Haag vast te lopen.

De vergelijking met Amerika werkt vaker ontnuchterend. Een tweepartijenstelsel, waarin progressief Nederland tussen 1966 en 1986 zoveel heil zag, heet meer bestuurlijke slagkracht op te leveren. Maar in de VS heeft dat systeem ertoe geleid dat Democraten en Republikeinen elkaar in een verlammende greep houden - de politieke filosoof Fukuyama schonk er de kwalificatie 'vetocratie' aan. In Nederland heeft de polarisatie de basis onder het bestel weggesloopt. Die lag in de afwisseling van centrumrechtse en -linkse kabinetten en in het geroemde en verguisde 'poldermodel'. De macht is versnipperd en voor een deel verschoven naar de populistische flankpartijen, voldoende om het land vrijwel onregeerbaar te maken.

In hun leerzame boek 'Populisten in de polder' opperen de politicologen Paul Lucardie en Gerrit Voerman dat dit wel even zo zal blijven. Al is het populisme in Nederland nog een 'dunne traditie', er blijft volgens hen een voedingsbodem voor bestaan zolang de immigratie, het multiculturalisme en de Europese integratie de bevolking verdeeld houden. De auteurs voorspellen dat de nationalistische variant, belichaamd door de PVV, de langste adem zal hebben. Verrassend is de vergelijking die ze trekken tussen de strijd van Wilders tegen de islam en de strijd van de anti-revolutionair Abraham Kuyper tegen de geest van de Franse Revolutie. In dat perspectief, rekenen ze uit, zou de PVV omstreeks 2086 de islam als deel van de Nederlandse cultuur en identiteit accepteren.

Lucardie en Voerman rekenen partijen tot het populisme die welbewust een tegenstelling creëren tussen 'het volk' en 'de elite'. D66, dat in de jaren zestig storm liep tegen het bestel, noemen ze radicaal democratisch, niet populistisch, omdat de partij zich vanaf de aanvang beroept op de mondige, onafhankelijke burger die toe zou zijn aan pragmatische politiek. Bovendien liet de partij zich snel opnemen in het landsbestuur. De SP heeft volgens de wetenschappers haar populistische veren ('Stem tegen, stem SP') geleidelijk afgeschud. Maar ze achten de partij vanwege haar 'excentrieke, uiterst linkse positie' nog niet zover dat ze de zelf aangezette tegenstelling tussen 'de gewone mensen' en het machtscentrum snel zal overbruggen. De formatie zal uitwijzen hoe ver de SP is in wat de schrijvers noemen de 'bestuurlijke ingroei' en of zij, anders dan de PVV, bereid is tot een politiek die uitgaat van een lager welvaartsniveau.

Mij lijkt de politiek meer gebaat bij moedig en kundig leiderschap en eigen initiatieven van burgers dan bij gesleutel aan het bestel. Ik was daarom wat sceptisch over het essay van bestuursadviseur Grimbert Rost van Tonningen, die de gezags- en vertrouwenscrisis grotendeels terugvoert op de cultuur van het gepolder. De titel 'Hoe verder?' is in deze tijd trefzekerder dan de ondertitel: 'De opkomst en ondergang van het poldermodel'. Dat laatste mag de schrijver wensen, het moet nog blijken.

Ook hier dient zich niet als vanzelfsprekend een alternatief aan. Het voorkoken van beleid, de ons-kent-ons-sfeer en de ondoorzichtige dwarsverbanden tussen middenveld en politiek mogen zoals Van Tonningen schrijft op gespannen voet staan met democratische noties als openheid en verantwoording, maar dat geldt nog veel sterker voor de lobbycultuur die zich in Washington en Brussel heeft ontwikkeld.

De liberalen wilden in de jaren negentig al af van de overlegecomie, die Frits Bolkestein beschouwde als 'een hindermacht' en 'een schuilkelder van de regering' en Van Mierlo als 'een tempeldak dat door het ineenstorten van de zuilen zweefde'. Maar dat veranderde toen buitenlandse politici, onder wie de Amerikaanse president Bill Clinton, door de welvaartsgroei in Nederland de lof van het poldermodel begonnen te zingen.

Van Tonningen constateert nu zuinig dat er van een 'Dutch miracle' geen sprake was, de cultuur van tevredenheid was volgens hem vooral te danken aan het leven op de pof. Voor zover de schrijver oplossingen ziet, zoekt hij die net als Van Mierlo in de jaren zestig: in vormen van directe democratie, met gekozen in plaats van benoemde bestuurders, en een grotere openheid en strijd in plaats van consensus door eindeloos gepolder in de binnenkamer.

Toegegeven, openheid en strijd zijn belangrijke voorwaarden voor een vitale democratische cultuur, maar landen met gekozen bestuurders en referenda zijn op dit moment niet bepaald beter af.

Van Mierlo's verhaal over de taxichauffeur is nog altijd mooi, maar het gaf een te rozig beeld van het politieke leven in de VS. Zelf relativeerde hij het verhaal trouwens ook: hij had in Washington wellicht de enige taxichauffeur getroffen die tot zo'n historische ontlading in staat was (overigens was het George Washington die de locatie van de hoofdstad bepaalde). Maar het is wel juist dat Amerikanen zich sterk bewust zijn van hun ontstaansgeschiedenis en de ideeën van vrijheid en gelijkheid die daarbij leidend waren. Dat geeft een dimensie aan hun burgerschap die in de Oude Wereld tot nu toe ontbrak, maar die dringend nodig is om de crisis te overwinnen, rattenvangers de deur te wijzen en de democratie vitaal te houden.

Hans van Mierlo: Een krankzinnig avontuur. Politieke, culturele en literaire beschouwingen. De Bezige Bij, Amsterdam; 356 blz. € 29,90

Paul Lucardie en Gerrit Voerman: Populisten in de polder. Boom, Amsterdam; 240 blz. € 18,50

Grimbert Rost van Tonningen: Hoe verder? De opkomst en ondergang van het poldermodel. Cossee, Amsterdam; 128 blz. € 12,90

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden