'Niet alleen voor heilige boontjes'

Dat de paus het afgelopen jaar door het Amerikaanse weekblad Time tot man van het jaar gekozen is, vindt Winus de Rouw wel aardig. “Al wordt de paus door velen steevast verguisd”, zegt hij in opgewekt Limburgs, “het geeft wel aan dat het een man is waar niemand omheen kan. En dat is leuk. Maar om nou te zeggen: we hebben er een Bossche bol op gegeten, nee hoor, dat ook weer niet. U moet het zo zien, voor veel van onze lezers is de paus al jarenlang de man van het jaar, dat is veel belangrijker.”

Drie jaar geleden werd De Rouw benoemd tot (tijdelijk) hoofdredacteur van het Katholiek Nieuwsblad, de toen nog twee maal per week verschijnende krant van de behoudende flank van rooms-katholiek Nederland. De Rouw is afkomstig van het Limburgs Dagblad waar hij, met een korte onderbreking als voorlichter bij de Staatsmijnen in de jaren zestig, zijn hele loopbaan als journalist werkte. Hij werd als vakman aangetrokken om het vergrijsde en in het slop geraakte blad te vernieuwen en te leiden bij de transformatie van krant naar weekblad. “Ze hebben me gevraagd om dat proces in goede banen te leiden. En dat is nu organisatorisch en technisch gezien vrijwel afgerond. En wat nu? In juli ga ik met de vut en komt er een nieuwe hoofdredacteur die de krant naar ik hoop met jeugdig elan ook inhoudelijk een nieuw gezicht zal geven.”

De vernieuwing, vertelt De Rouw op de redactie in Den Bosch, was ook noodzakelijk. In de ruim tien jaar dat het blad nu bestaat (het eerste nummer verscheen op 4 oktober 1983) bleef de naamsbekendheid gering en werd de droom van de oprichters, onder wie ex-Center Parcs-tycoon Piet Derksen en enkele rijke en invloedrijke in Nijmegen gevormde patriciërs als wijlen jonkheer Alex van der Does de Willebois, om van het Katholiek Nieuwsblad (KN) een volwaardig katholiek dagblad met uiteindelijk zo'n 80.000 lezers te maken nooit gerealiseerd.

De Rouw: “Ja, dat was het doel. Na het verdwijnen van De Maasbode en de verandering van De Tijd van dagblad in weekblad, was er behoefte aan een krant die richting kon geven aan die beminden, die katholiek wilden blijven volgens de oude formule, waarin oude waarden als de hiërarchie, het celibaat en de bescherming van het ongeboren leven centrale punten bleven. De krant moest een houvast bieden binnen de warwinkel van desinformatie, die de geseculariseerde media boden. Maar u weet hoe het gegaan is. De afbrokkeling van de kerk ging verder en het is de krant nooit gelukt meer dan 16.000 abonnees te krijgen.”

Het feit dat het KN nooit is aangeslagen (het aantal Nederlandse katholieken dat wekelijks naar de kerk gaat bedraagt ongeveer 620.000) ligt overigens niet alleen aan de maatschappelijke omstandigheden, zegt De Rouw niet zonder zelfkritiek, maar ook aan de krant zelf: “Die zag er niet uit en vroeg ook te veel van de zevenkoppige redactie die het blad tweemaal per week moest zien te vullen en daar de grootste moeite mee had.” De krant werd 'op afstand' in Barneveld (op de persen van het Nederlands Dagblad) gedrukt, hetgeen praktisch gezien een mooie noodoplossing was ('Over de samenwerking niets dan lof hoor!'), maar niet echt professioneel. De oplossing was een weekblad. Voorts werd uitgeweken naar een drukkerij in Gent, die technisch meer mogelijkheden bood. Bijkomend voordeel, legt De Rouw uit, was dat men zich ook meteen meer op de Vlaamse markt kon richten. Vandaar ook dat er steeds meer artikelen over het kerkelijk leven in Vlaanderen verschijnen. “Een soort kruisbestuiving, waarbij de Vlaamse katholiek een indruk krijgt van de zaken die in Nederland spelen en andersom.”

Een van de journalisten die al vroeg bij het KN betrokken raakten was kerkhistoricus Ton van Schaik, tegenwoordig schrijvend voor Hervormd Nederland en bezig aan een biografie over kardinaal Alfrink. Hij gaf zijn baan als wetenschappelijk docent in Tilburg op in de hoop een goed katholiek landelijk dagblad te maken, met 'goede zakelijke informatie over het kerkelijke leven, waarin alle stromingen, zowel links als rechts, op een evenwichtige manier aan bod zouden komen'. Maar al snel kwam hij bedrogen uit, zegt hij nu. Om te beginnen had het grootste deel van de redactie nauwelijks niveau en verder raakte ze al snel verstrikt in een bizar krachtenspel tussen verschillende 'machtsinvloeden', variërend van de charismatisch geïnspireerde groep van Derksen tot een uiterst conservatieve groep 'regenten' rond de al genoemde Van der Does de Willebois, die veelal ook weer nauwe banden onderhield met het seminariebolwerk van Rolduc. Ook de als uiterst conservatief bekend staande lekenorganisatie Opus Deï deed, aldus Van Schaik, verschillende pogingen invloed op het blad te krijgen.

Typerend voor de beginperiode van het blad, vertelt hij, was de manier waarop de eerste hoofdredacteur, de van De Telegraaf afkomstige en overigens nog steeds aan het KN verbonden redacteur H.F. Gallée, opereerde. Van Schaik: “Die man was wel heel vroom en gewillig, maar totaal incompetent en bovendien nauwelijks bestand tegen de druk die Derksen op hem uitoefende. Derksen stond vooral een vroom blad voor, zonder dat hij nu precies een journalistieke formule voor ogen had. Als Gallée soms tegenspartelde, zei Derksen: 'Doe het nou maar, de Heilige Geest zal je wel helpen'. En dan deed die brave Gallée het maar weer.”

Al spoedig werd naast Gallée een nieuwe hoofdredacteur benoemd: John Roozen. Hij was eind jaren zeventig betrokken bij de totstandkoming van het opinieweekblad 'Nieuwsnet', dat het overigens niet redde. Roozen wil over zijn korte periode bij het KN liever niets zeggen. Hij is niet zonder problemen vertrokken en heeft het bestuur bij zijn afscheid beloofd te zwijgen en daar houdt hij zich aan. Van Schaik, die het als redacteur geestelijk leven zelf na ruim een jaar voor gezien hield, noemt het typerend voor de gesloten en wantrouwige sfeer die er vanaf het begin bij het KN geheerst heeft. Het heeft volgens hem ook iedere vorm van een volwassen ontwikkeling in de weg gestaan. Kenmerkend in dit licht vindt Van Schaik de slechte schrijfstijl, de rancuneuze ingezonden brieven (met name Huub Oosterhuis bleek de belichaming van veel kwaad, red.) en de vage advertenties van onduidelijke organisaties met vreemde opvattingen over gebedsgenezing en andere duistere zaken. Al met al, concludeert Van Schaik, ontwikkelde het KN zich eigenlijk direct al tot een 'ziekelijk, vroom blaadje, tot een spreekbuis voor verbitterde katholieken, mensen die in de jaren zestig veel was afgenomen en alles wat ooit heilig was naar de vuilnishoop zagen gebracht'.

Terwijl de restyling van het blad dus ruim een jaar geleden al voltooid werd, is nu de inhoud aan de beurt. De Rouw zegt dat de krant af wil van het 'behoorlijk conservatieve beeld' van een blad voor verstokte roomsen die niet meer met hun tijd willen meegaan. Hij kan zich dan ook goed vinden in de uitspraken die de directeur van zijn blad, Afra Cools, vorige week deed in het media- en reclamevakblad Adformatie. Zij zei dat het blad af wil van 'het betuttelende imago, van dat opgeheven vingertje'. Vandaar ook de slogan: 'Niet alleen voor heilige boontjes.'

De Rouw, glimlachend: “Wij zijn in het verleden wel eens wat al te braaf geweest. Zonder direct de oude lezers af te vallen, willen we meer aanspreken bij nieuwe, jongere lezers. We moeten inderdaad af van dat stoffige imago. Zonder onze grondslag te verloochenen moet er ook over geloofszaken en levensbeschouwing geschreven kunnen worden, zonder dat er direct ook hel en verdoemenis gepredikt wordt. Met andere woorden: wel rechtzinnig, maar niet buiten de wereld staand. Wel duidelijk zeggen waarom wij de opvattingen van het Vaticaan steunen, maar niet langer oordelend in de geest van: het is zo en niet anders. Wij willen niet langer aan de zijkant staan, maar echt midden in de kerk zitten. Wij willen er zijn voor katholiek Nederland en niet voor een speciaal groepje gelovigen.”

Om de nieuwe, breder geformuleerde doelgroep van trouwe geloofsgenoten te bereiken wil men proberen het blad wekelijks in de portalen van de kerken te verspreiden. Volgens De Rouw hebben inmiddels een kleine 200 zielzorgers daar toestemming voor gegeven.

Hoe mooi het allemaal ook klinkt, in praktijk is de inhoudelijke koersverandering nog niet direct zichtbaar. Hoewel in de figuur van Antoine Bodar een columnist van zeker niveau werd aangetrokken en (de in het verleden vaak verguisde) mgr. Ernst van Breda in het najaar opmerkelijk vriendelijk werd uitgeluid, bleef de oude vertrouwde taal en toon van het KN gehandhaafd. Het duidelijkste voorbeeld: de manier waarop de aloude denktank van de redactie, Wim Peeters, het eind vorig jaar opgeheven maandblad Confrontatie ('een blad dat liever het breekijzer dan de lijmklem hanteerde') bedankte. 'Het verdwijnen van Confrontatie', schreef hij, 'markeert het einde van een tijdperk, dat van de stijd om de orthodoxie, feitelijk de strijd om het behoud van de middengroep. Die strijd lijkt verloren, maar er zijn geen winnaars. In de katholieke scholen wordt goeddeels een onkatholieke boodschap gebracht, de katholieke omroep heeft de kleur van het Gooi aangenomen en is onherkenbaar geworden.' Peeters eindigt zijn bedankje zo: 'De redactieleden zullen nooit kerkelijk onderscheiden worden en misschien menig uurtje moeten doorbrengen in het vagevuur vanwege onheus taalgebruik o.i.d., maar ze hebben tenminste één persoon in dit land geleerd wat het zeggen wil om trouw te zijn.'

Het is dezelfde toon, die het blad de afgelopen jaren kenmerkte in de momenten dat het de aanval zocht tegen gematigde geestelijken als oud-bisschop Bür en monseigneur Möller van Groningen. De manier waarop beiden in februari '93 - de een vanwege het voorbarig suggereren dat hij zou terugtreden als bisschop als gevolg van 'vermeende homoseksuele contacten', de ander omdat zijn zetel op het moment dat hij herstelde van een zware ziekte maar meteen als 'vacant' werd beschreven - behandeld werden, ging zelfs de zich meestal afzijdig houdende kardinaal Simonis te ver. Zichtbaar boos betichtte hij het blad van 'het bewust killen van twee bisschoppen'.

De Rouw reageert laconiek op de opmerking dat de woorden van Peeters weinig veranderingsgezindheid verraden: “Ach, weet u, het is een groeiproces hè? De laatste alinea vond ik ook hoogst ongelukkig. Maar aan de andere kant: van een journalist die jarenlang op eenzelfde manier gewerkt heeft kun je niet verwachten dat hij van de ene op de andere dag mee verandert. Bovendien: ook met het oog op onze lezers moet het allemaal niet te snel gaan. De nadruk ligt op langzaam en geleidelijk. Anders zou het zelfmoord zijn.”

Bij het afscheid kan de hoofdredacteur tenslotte een grapje niet laten: “Waar hangt uw jas?”, vraagt hij vriendelijk. “Beneden? Goed, ik begeleid u wel even naar de deur. Dan weet ik zeker dat u weg bent.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden