Niet actie maar kans op actie houdt politici in het gareel

Eens in de twee jaar neemt het Sociaal en cultureel planbureau Nederland de maat, zodat we weer weten wat we doen en denken. In hoge mate betrokken bij verenigingen, zij het niet zo actief; aarzelend op weg van alleenverdieners naar anderhalfverdieners; een forse afkeer van geweld en redelijk tevreden over het milieu.

Het maatschappelijk middenveld in Nederland groeit als kool. De grote verenigingen en organisaties zagen hun aanhang sinds 1980 stijgen met ruim eenderde. Het SCP deelt niet de kritiek dat het bij die groei alleen maar om 'giro-activisme' gaat.

Sinds kort publiceert het planbureau cijfers van de aanhang van organisaties met meer dan 50 000 leden of donateurs. De lijst wordt aangevoerd door het 'Rooms-katholiek kerkgenootschap in Nederland' met 5,3 miljoen leden. Nummer twee is de ANWB, met 3,5 miljoen leden. Dan volgen de Nederlandse hervormde kerk (1,7 miljoen), Nederlandse Hartstichting (1,2) en de FNV, de grootste vakcentrale (1,1).

Vergeleken met 1980 zijn er ook opvallende dalers. De drie grootste politieke partijen verloren veertig procent van hun leden, de grote vrouwenorganisaties een kwart en de drie grote kerkgenootschappen tien procent.

Opvallende stijgers zijn de natuur- en milieuorganisaties (510 procent meer leden of donateurs) en de ouderenorganisaties. De kroon spannen twee 'moral issue groups', de Vereniging ter bescherming van het ongeboren kind en de Nederlandse vereniging voor vrijwillige euthanasie. Beide groeiden van 10 000 leden rond 1980 naar rond 100 000 nu.

Slechts 36 procent van de volwassenen is nergens lid van. In 1974 was dat 43 procent. Hoger opgeleiden zijn oververtegenwoordigd in verenigingen en clubs, vrouwen ondervertegenwoordigd.

Het SCP zet vraagtekens bij sombere geluiden over calculerende burgers, consumentisme en hedonisme. Weliswaar groeiden ook sport-, gezondheids- en consumentenorganisaties als Vereniging eigen huis fors. Maar nog veel forser is de groei van organisaties gericht op moraal (abortus, euthanasie), op natuur en milieu en op internationale solidariteit. Unicef, Artsen zonder Grenzen, Foster Parents Plan, Memisa, Novib, Amnesty International, Leprastichting, Terre des Hommes, Wereldnatuurfonds, Dierenbescherming, Vogelbescherming - alle zagen hun aanhang sinds 1980 groeien van enige tienduizenden tot honderdduizenden.

Critici beschouwen deze clubs als 'tertiaire organisaties'. De leden hebben geen contact, alleen een gemeenschappelijke interesse. En door de televisie zouden ook traditionele ledenorganisaties zijn vervallen tot tertiaire organisaties, waardoor 'sociaal kapitaal' verloren gaat en betrokkenheid op de gemeenschap afneemt. Deze critici, vinden de SCP-deskundigen, romantiseren 'vroeger' en trivialiseren de moderne organisaties, met ontwikkelingen naar 'responsief bestuur' en 'interactieve beleidsvorming'.

Nu broeden beleidsmakers hun plannen - de Betuwelijn bijvoorbeeld - eerst helemaal uit en proberen er vervolgens draagvlak voor te krijgen, met meestal als uitkomst dat bezwaarmakers en procedureridders gefrustreerd achterblijven. Bij 'interactieve beleidsvorming' worden betrokkenen en organisaties er al vroeg bij gehaald, voordat hoofdlijnen vastliggen.

Deze ontwikkeling hangt samen met het nieuwe type organisatie. Vaak kleine, activistische clubs veranderden in professionele organisaties, gecentraliseerd, met een ideologische kleur, gericht op maatschappelijke verandering en kennisoverdracht naar de achterban. Neem de VBOK, in 1972 een activistenclub tegen abortus met een paar duizend leden, vandaag een organisatie met ruim honderdduizend leden, 37 mensen in dienst, 1650 opgeleide vrijwilligers en 165 werkgroepen. Niet actievoeren maar gespecialiseerde hulpverlening is de hoofdactiviteit.

De professionalisering bij deze organisaties gaat gepaard met centralisme en een hiërarchische structuur. Een kleine groep maakt de dienst uit. Dat komt doordat er van de leden niets meer uitgaat, zeggen de critici. De SCP-onderzoekers menen dat die passiviteit deels schijn is. In de publieke opinie is de acceptatie van actievoeren en protest sinds 1975 sterk gestegen. De geneigdheid om zelf mee te doen steeg minder en de feitelijke deelname steeg niet. Het planbureau noemt dit “een politieke cultuur waarin niet massale participatie, maar de massale dreiging met participatie politici in het democratisch gareel houdt.”

Vergeleken met het buitenland heeft Nederland veel organisaties met veel leden, waarvan echter slechts een deel actief is. Dit wordt de 'brede civil society' genoemd. De Scandinavische landen en in mindere mate Duitsland hebben hetzelfde beeld. Landen als Italië en Frankrijk tellen weinig lidmaatschappen, maar die leden zijn veelal wel actief ('elitaire civil society'). De Verenigde Staten en Canada hebben relatief zeer veel leden die ook nog erg actief zijn ('actieve civil society'), maar daar is veel minder verzorgingsstaat en proberen met name kerkelijke vrijwilligers de gaten te vullen.

Niet alleen de aantallen leden en donateurs groeiden, maar ook het aantal mensen dat vrijwilligerswerk doet. Ruim eenderde doet wel eens iets voor een club of vereniging en een op de vijf helpt op school, in georganiseerde kinderopvang of in jeugdwerk. De hoeveelheid tijd die vrijwilligers eraan besteden, is de afgelopen kwart eeuw ongeveer gelijk gebleven, bijna vijf uur per week, krap tien procent van de vrije tijd.

Alleen vrijwilligerswerk in vrouwenorganisaties nam af, zoals hier ook de grote organisaties zelf hun ledentallen zagen teruglopen. De grootste, de Nederlandse bond van plattelandsvrouwen, zakte van 82 000 leden in 1980 naar 70 000 vorig jaar. De NCVB (christelijke vrouwen) viel terug van 65 000 naar 43 000 en de Nederlandse vereniging van huisvrouwen van 55 000 naar 30 000.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden